Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weer - (wal, muur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

weer 3 zn. ‘afweer, weerstand’
Onl. weri ‘verdediging’ in thiu were ‘de verschansing, de weergang’ [ca. 1100; Will]; mnl. do scuopen Di anderen sic tewere ‘toen stelden de anderen zich te weer’ [1250; VMNW], sonder were ‘zonder verweer’ [1265-70; VMNW], in myne weer ‘in mijn verdediging’ [1415-35; MNW-P]; vnnl. in uitdrukkingen als Jc zoude my ruterlic, ter werre stellen ‘ik zou me ruiterlijk te weer stellen’ [ca. 1538; iWNT] en in de weer geweest ‘druk bezig geweest’ [1569; iWNT].
Os. en ohd. weri ‘verdediging, verweer’; ofri. were ‘afweer, verdediging’ (nfri. war); < pgm. *wari- ‘afweer, verdediging’, een afleiding bij het werkwoord → weren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weer2* [wal, muur] {weer, were [verdediging, verschansing, dijk, wal] 801-900} van weren. Voor de uitdrukking in de weer zijn [druk bezig zijn, zich weren] vgl. middelnederlands in die were zijn [druk bezig zijn].

weer5* [landerijen tussen twee sloten, de zogenaamde weersloten] {were, weer [bezit, goederen, hofstede, gezamenlijke tussen twee sloten gelegen boerderijen, door sloten omgeven perceel] voor 1220} in oorsprong hetzelfde woord als weer2 [het afweren, verschansing, gevlochten ijzerwerk ter afsluiting van water].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weer 3 znw. v. ‘tegenstand, verschansing’, mnl. wēre v. ‘tegenstand, verdediging, schans, wapen, strijd’, os. skildweri ‘testudo’, ohd. werî v. ‘het afweren, bolwerk, wapen’ (nhd. wehr), ofri. were, wiri v. ‘het afweren, verdediging’. — Verbaalnomen bij weren.

weer 4 znw. v. ‘afgesloten plaats aan zee voor visvangst, gevlochten ijzerwerk tot afsluiting van water’, Kiliaen wēre ‘agger’, mnd. wēre, wer, laat-mhd. wer (nhd. wehr), oe. wer m. (ne. weir) ‘weer, dam in een rivier voor de visvangst’, on. ver o. ‘plaats voor visvangst aan de kust’, vgl. ook on. vǫr v. ‘aan een landingsplaats opgestelde stenen’. Daarnaast abl. ohd. wuori, zwits. wuhr ‘dam’, langob. wōra ‘weer in een rivier’ (Gamillscheg Rom. Germ. 2, 171). — Men moet uitgaan van een idg. *u̯er met de bet. van ‘vlechtwerk’ (J. Trier Lehm 1951, 77) en zeker niet van een abstrakte bet. ‘verdediging tegen’ (Sandström Årsbok VS Uppsala 1948, 87); zie daarvoor nog AEW 674-5).

De idg. wt. *u̯er is de grondslag van een groot aantal afleidingen, die alle op het begrip ‘draaien, vlechten’ en ‘omheining’ wijzen. Zie ook: weren, waar 1, waarborg, waarnemen. In het nl. zijn de volgende afleidingen vertegenwoordigd:
met dentaal:
t vgl. waard, worden
d vgl. worstelen
dh vgl. woord
met gutturaal
ĝ vgl. werk
ĝh vgl. wurgen
met labiaal
b vgl. werpen.
Indien door de verlenging de wortel gereduceerd wordt tot u̯r vertonen zich de volgende vormen:
*u̯rek vgl. wroegen
*u̯reg vgl. wreken
*u̯re(n)gh vgl. wrang, wringen.
Verder
*u̯rei met de afl.
*u̯reik vgl. wriggelen, wrikken
*u̯reip vgl. wrijven
*u̯reit vgl. wreed
*u̯rein vgl. wrensen

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weer III (tegenstand, verschansing), mnl. wēre v. “tegenstand, verdediging, schans, wapen, strijd”. = ohd. werî v. “het afweren, bolwerk, wapen” (nhd. wehr), os. weri (in skild-weri v. “testudo”), ofri. were, wiri v. “’t afweren, verdedigen”. Bij weren evenals weer IV “afgetuinde plaats aan zee voor vischvangst, gevlochten ijzerwerk tot afsluiting van water”, Kil. were “agger”, wsch. een oorspr. m. of o. stam *warja-: = laat-mhd. wer (nhd. wehr), mnd. wēre, wer, os. werr o., ags. wer m. (eng. weir) “weer, dam in een rivier (voor de vischvangst)”, on. ver o. “plaats voor vischvangst aan den oever”; vgl. verder on. vǫr v. “rij steenen aan weerszijden van een landingsplaats” en ’t ablautende ohd. wuorî v. “dam”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

weer IV ‘gevlochten ijzerwerk tot afsluiting van water om vis te bewaren’ is al mnl.; daar echter het geslacht niet blijkt, is niet uit te maken of het nog van weer III (tegenstand, verschansing) werd uiteengehouden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weer 2 v. (verdediging, afsluiting, waterweer), Mnl. were, Os. werkw. werian + Ohd. id. (Mhd. wern, Nhd. wehren), Ags. werian, Ofri. wera, On. verja, Go. warjan, wellicht bij den wortel van waarnemen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3weer s.nw.
Verdediging.
Uit Ndl. weer (1541).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weer* wal, muur 0777-866 [Slicher]

weer* landerijen tussen twee sloten, de zogenaamde weersloten 1214 [Slicher]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2542. In de weer zijn,

d.i. druk bezig zijn, zich weren. Vgl. mnl. in die were sijn, weerstand bieden; Plantijn: Vroech in de weer zijn, estre matineux, estre matin en besogne; zie ook Mar. v. Nijm. 24: in de weire sijn; Marnix, Byenc. 2 v; Pers. 383 a; 387 a; 489 b; 647 a; 693 b; 865 a; Coster, 531, vs. 1092; Vierl. 341; Tuinman I, 173: Hy is vroeg in de weer; Sewel, 945; W. Leevend, V, 133; V. Janus, 24; Harreb. II, 445; afrik. met iets in die weer wees, den geheelen dag praten over iets; Antw. Idiot. 1425: in zijn weer zijn, in zijn werk zijn, het druk hebben; in de wèèr zijn, er op uit zijn; Waasch Idiot. 735: in de weer zijn, bezig zijn, bezorgd zijn; oostfri. in de wër wesen; fri. yn 'e wear wêze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut