Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weekdier - (ongewerveld dier)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

weekdier s.nw.
Ongewerwelde dier met 'n skulp vir beskutting en een voet om mee te beweeg.
Uit Ndl. weekdier (1846), so genoem omdat die dier 'n sagte (sien 2week 1) liggaam het.
D. Weichtier (19de eeu).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

weekdier: misselijk, kruiperig persoon; slijmbal*.

Jij bent om van te griezelen, weekdier! (Willem van Iependaal, Lord Zeepsop, 1937)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut