Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

week - (zeven dagen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

week 1 zn. ‘periode van zeven dagen’
Mnl. weke ‘week’ in ene waruen ter weke ‘één keer per week’ [1236; VMNW], een weeck [1458; MNW-P].
Afleiding van → wijken. Het woord betekende in het Germaans ‘(af)wisseling’. Toen de Germanen van de Romeinen de tijdrekening overnamen, kreeg het woord er de betekenis ‘(af)wisseling van tijd’ ook ‘terugkerende periode van zeven dagen’ bij uit Latijn (genitief) vices ‘wisseling, afwisseling’, waarvoor zie → vice-.
Os. wika; ohd. wehha (nhd. Woche); ofri. wike (nfri. wike); oe. wicu, wucu (ne. week); alle ‘week’; on. vika ‘zeemijl’ (met leenbetekenis ‘week’ uit het oe.) (nzw. vecka ‘week’); got. wiko ‘beurt voor tempeldienst’; < pgm. *wikōn- ‘volgorde, reeks, toerbeurt’.
weekend zn. ‘periode van vrijdagavond tot zondagavond’. Nnl. totdat ... ook hier te lande het gezonde systeem van 't week-einde (week end) oftwel het sluiten van kantoren etc. Zaterdagsmiddags ingevoerd wordt [1911; Centrum], de weekend ‘het weekend’ [1912; NRC]. Ontleend aan Engels weekend ‘weekeinde’ [1638; OED], een samenstelling van week ‘week’ < Oudengels wice [878; BDE], en end ‘einde’ < Oudengels ende ‘id.’ [ca. 725; BDE], zie → einde.
Lit.: J. Hoops (1973-2008), Reallexikon der germanischen Altertumskunde, Berlin, 34, 169-170; Van der Sijs en Engelsman 2000, 59

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

week1* [zeven dagen] {weke 1236} oudsaksisch wika, oudhoogduits wecha, oudfries wike, oudengels wicu, oudnoors vika, gotisch wiko; verwant met wijken; de grondbetekenis is ‘wisseling van de tijd’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

week 1 znw. v., mnl. wēke v., os. wika, ohd. wehha, wohha (nhd. woche), ofri. wike, oe. wicu, wucu (ne. week), on. vika v. ‘week’, got. wikō v. ‘week, beurt van tempeldienst’. Bovendien hebben mnl. wēke en on. vika de bet. ‘zeemijl’.

Als naam voor ‘week’ zou men moeten uitgaan van ‘regelmatig terugkerende periode’; men heeft het woord wel uit christelijk gebruik willen afleiden, hetzij verspreid van het Gotisch uit, hetzij van het Engels. Daarentegen gaat de bet. ‘zeemijl’ terug op ‘afwisseling van de roeiers’ > ‘een zo lang stuk als de roeiers het kunnen uithouden’. — Een grondbet. ‘regelmatig terugkerende periode’ is niet geheel bevredigend; dat kan men ook van maand of jaar zeggen. Daarom wil J. Trier Lehm 1951, 54 de bet. ‘week’ afleiden uit ‘periode waarna in de dienstverdeling ener gemeenschap een wisseling intreedt’, zoals got. wiko ‘volgorde in een bepaalde dienst’ en oe. wice ‘amtsplicht’. Dit stemt dan geheel overeen met lat. vices ‘afwisseling, officium, minus’.

week 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie ook M. Gysseling, TTv 14, 145-149 [1962].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

week I znw., mnl. wēke v. = ohd. wëhha, wohha (nhd. woche), os. wika (in krûce-wika “lijdensweek”), ofri. wike, ags. wicu, wucu (zwak; eng. week), on. vika v. “week”, got. wiko v. “week, beurt voor den tempeldienst”. On. vika, mnd. wēke v. beteekenen ook “zeemijl”; die bet. gaat op “wisseling der roeiers” terug evenals de bet. “week” op “tijdswisseling”; germ. *wikôn- is evenals ags. wîce v. “taak, functie” met wijken verwant (zie ook wissel). De afl. uit lat. vicês mv. “wisseling” is een overbodige en, aangezien dit lat. woord niet voor “week” gebruikt wordt, onaannemelijke hypothese. Men neemt wel aan, dat germ. *wikôn- zich in de bet. “week” van uit ’t Got. heeft verbreid (vgl. kerk). Uit ’t Noorsch finsch wiika “week”. Vreemde vormen zijn mnl. woeke, mhd. wuoche v. “week”: eer als een vervorming dan als een niet-verwant woord te beschouwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

week 1 v. (zeven dagen), Mnl. weke, Os. wika + Ohd. wehha en met o uit e na w wohha (Mhd. woche, Nhd. id.), Ags. wicu (Eng. week), Ofri. wike, On. vika (Zw. vecka, De. uge), Go. wiko: het bet. tijdwisseling; van denz. stam als ʼt meerv. imp. van wijken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

week (zn.) week; Vreugmiddelnederlands weke <1236>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1week s.nw.
Tydperk van sewe dae.
Uit Ndl. week (1515). Ndl. week is ver-
want aan wijken 'wyk' en Latyn vices of vicis, oorspr. 'plek deur iemand ingeneem, beurt', in verwysing na die afwisseling van die maanfases en die stand van die planete, waarop die klassieke volke hulle weeksindeling gebaseer het. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling weeksdag en in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. week (900).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

week I: s.nw., tydsduur (sewe dae); Ndl. week (Mnl. weke), Hd. woche, Eng. week, herk. hoërop omstrede.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

week (vorige --) (vert. van Duits vorige Woche)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Week (7 dagen), van den Idg. wt. wik = plaats maken (ons „wijken”). Het woord bet. dus: plaatsmaking, wisseling, afwisseling (n.1. van 7 dagen). – Het bijv.nw. week (zacht) is eveneens familie van wijken: immers uit de bet. van voor iemand plaats maken, op zij gaan, ontstond die van: niet-standhouden, zich niet verzetten, dus: toegeven; week is alzoo: wat wijkt of op zij gaat; wat zich niet tegen een indruk verzet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

week ‘zeven dagen’ -> Noord-Sotho beke ‘zeven dagen’ ; Tswana beke ‘zeven dagen’ ; Xhosa veki ‘zeven dagen’ ; Zuid-Sotho beke ‘zeven dagen’ ; Negerhollands week, wēk ‘zeven dagen’; Berbice-Nederlands weki ‘zeven dagen’; Sranantongo wiki ‘zeven dagen’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans wiki ‘zeven dagen’; Saramakkaans wíki ‘zeven dagen’ ; Arowaks wiki ‘zeven dagen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

week* zeven dagen 1236 [CG I1, 22]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut