Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wee - (smart, tussenwerpsel ter uitdrukking van smart)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wee 1 tw. als uitroep van smart, droefheid e.d.
Als tussenwerpsel in mnl. So wee den genen die nv leuen ‘wee degenen die nu leven’ [1265-70; VMNW], wee di onseleghe ‘wee u ellendige’ [1276-1300; VMNW], hi riep hi scree o wi o wach o wee [1291-1300; VMNW], Dat heileghe lant van over zee Riep jammerlike wach ende wee ‘... ach en wee’ [1300-25; MNW-R].
Bijwoordelijk in mnl. gut dere ... di derme so we dot. dat henuet ne mag slapen ‘goed voor degene bij wie de darm zo'n pijn doet dat hij niet kan slapen’ [1250; VMNW], iemene wee te moede sijn ‘iemand droevig stemmen’ [1265-70; zie → weemoedig], placidus die sere wee. Dede den lande van galilee ‘Placidus, die Galilea veel overlast bezorgde’ [1285; VMNW], zeer incidenteel als bn., zoals in van smaken eist prouene wee ‘het (d.w.z. de aloë) is onaangenaam van smaak’ [1287; VMNW], zie verder hieronder.
Mnd. ; ohd. (nhd. weh); nfri. wee; oe. , (ne. woe); on. vei (nzw. ve); got. wai; alle tw. ‘wee, ach’, < pgm. *wai. Ook als zelfstandig naamwoord ‘ellende, rampspoed, smart e.d.’, als in mnl./nnl. wee, weewe (zie onder); os. (mnd. wēwe); ohd. , wēwo, wēwa (nhd. Weh ‘verdriet’, Wehen ‘barenspijn’); nfri. wee, wea; oe. , wēa, wāwa (ne. woe); on. (naast uit het mnd.); < pgm. *waiw-, en vergelijk verder Gotisch wai-dedja ‘boosdoener’ en waja-merjan ‘god lasteren’. Hierbij horen in het Nederlands nog weeklagen, → weemoedig, → weinig, → wenen.
Misschien verwant met: Latijn vae; misschien Grieks oa ‘au’ (anders klanknabootsend); Sanskrit uvé; Avestisch vaiiōi; Litouws en Lets vai, Lets vaijāt ‘pijn doen’; Iers , Welsh gwae; Armeens vay ‘ellende, ongeluk’. Deze vormen kunnen teruggaan op pie. *ueh2i- ‘wee’ (IEW 1111), maar kunnen ook onafhankelijk van elkaar klanknabootsend zijn gevormd.
Wrsch. is het woord in het Germaans oorspr. een tussenwerpsel, zoals nu nog in de vaste verbindingen o wee!, ach en wee roepen, wee je gebeente als e.d. Het werd al vroeg ook als bijwoord en zelfstandig naamwoord gebruikt en later ook als bijvoeglijk naamwoord.
wee 2 zn. ‘smart, barenspijn’. Onl. wēwa ‘pijn’, als glosse ueuuon [9e-10e eeuw; ONW]; mnl. wee ‘pijn’ in Daer si af dogde oc menech wee ‘waardoor ze ook veel pijn leed’ [1265-70; VMNW]; vnnl. i.h.b. ‘pijn bij het baren’ in heift ghebaerst Sonder wee of pyne ‘heeft gebaard zonder barenspijn’ [1529; iWNT], meestal als telbaar begrip in de ween ende de pijne die nae t'baren comen [1582; iWNT]. Zelfstandig gebruik van het tussenwerpsel/bijwoord wee. De oorspr. algemene betekenis ‘pijn, leed, verdriet e.d.’ is tegenwoordig beperkt tot literair of archaïsch taalgebruik. Vanaf de 16e eeuw gebruikt men het woord specifiek voor de met een bevalling samengaande pijnen bij de vrouw. ♦ wee 3 bn. ‘flauw, naar’. Nnl. wee “flaauwhartig”, wat ben ik wee om mijn hart! [beide 1811; Weiland], O de weeë, zoete reuk der gele lupinen [1891; iWNT]. Bijvoeglijk gebruik van het bijwoord wee.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wee* [smart, samentrekking van baarmoeder] {1265-1270 als tussenwerpsel en in de betekenis ‘smart’; de betekenis ‘samentrekking van baarmoeder’ 1552} oorspr. tussenwerpsel, vgl. oudhoogduits (hoogduits weh), oudengels (engels woe), oudnoors vei, gotisch wai; buiten het germ. latijn vae [wee!], grieks oa [au!], oudiers , welsh gwae, litouws, lets vai, avestisch vayōi, oudindisch uve; van een klanknabootsende stam. In diverse talen is het tussenwerpsel gebruikt als zn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wee 1 tussenw., mnl. wee, mnd. , ohd. (nhd. weh), oe. (ne. woe), on. vei, , got. wai. — lat. vae, m. iers fāe, lett. wai, av. vayōi, avōi, avōya ‘wee’. — Zie: wee 2., weeklagen, weemoed, weinig en wenen.

wee 2 znw. o. v., mnl. wee, os. ohd. (nhd. weh), ofri. , oe. (ne. woe), on. , ‘wee, rampspoed, smart’ < germ. *waiwa-, vgl. nog mnd. wēwe, ohd. wēwo m., wēwa v., oe. wēa, wāwa m. en mnl. wêwete, weeute. — lett. vaijāt ‘pijn doen’, waīdêt ‘weeklagen’, vaĩdi mv. ‘weeklacht, jammer, nood’ (IEW 1111). — Afl. van wee 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wee tusschenw., mnl. wee. = ohd. (nhd. weh), mnd. , ags. (eng. woe), wæ̂, on. vei, væ̂, got. wai “wee, ach”. = ier. , lat. vae, lett. wai “id.”, av. in vayôi “id.”. Hierbij ook oi. (Rigveda 10, 86, 7) uvé “id.”. In verschillende talen wordt dit tusschenw. als znw. en compositielid gebruikt en zijn er afll. van gevormd: vgl. bijv. arm. vay “ellende, ongeluk”, lett. wajsch “zwak, ziek”, waidêt “weeklagen”, got. wai-dedja m. “boosdoener”, waja-merjan “God lasteren” en mnl. wee(nnl. wee), ohd. os. (nhd. weh), ags. (eng. woe), on. væ̂ () o. “wee, rampspoed, smart”, dat, voorzoover ’t verbogen wordt, een stam *waiwa- vertoont, waarnaast nog ohd. wêwo m., wêwa v., mnd. wêwe (m.?), ags. wêa, wâwa m. “id.”, mnl. wêwete, weeute v. “id.”. Zie nog weeklagen, weemoed, wenen, weinig. ’t Nnl. bnw. wee is identisch met het tusschenw.: mnl. hem is wee e.dgl. (zulke verbindingen ook elders) deden de functie van bnw. (oorspr. alleen predicatief) opkomen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wee. Ook ofri. znw. o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wee tuss., Mnl. wee, Os. + Ohd. id. (Mhd. id. Nhd. weh), Ags. (Eng. woe), On. vei (Zw. De. ve), Go. wai + Skr. uve, Av. vayói, Gr. , Lat. , Oier. , Lett. wai; onomat. Het zelfst.nw. wee is afgeleid van het tuss. — Uit het Germ. komt Fr. ouais.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wee tw. (verhewe)
Uitroep van smart of as dreigement.
Uit Ndl. wee (al Mnl.), met lg. wat, soos in die geval van diverse ander tale, uit 'n klanknabootsende stam kom wat produktief was in die vorming van heelwat woorde, bv. weeklaag, weemoed, weinig en ween.
Eng. woe (ongeveer 725).

2wee s.nw. (verouderend)
Leed, smart, verdriet, ramp, pyn.
Uit Ndl. wee (al Mnl.), 'n afleiding van die tw. wee (sien 1wee).
Eng. woe (ongeveer 1200).

3wee b.nw. (ongewoon)
Naar, mislik.
Uit Ndl. wee (1839).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wee. Het tussenwerpsel wee doet dienst als een onheil voorspellende, rampspoed of bestraffing aankondigende uitroep; als een uitroep waarmee een vervloeking over iets of iemand uitgesproken wordt; als een uitroep ook die dient ter verwensing, waarschuwing of dreiging. Wij treffen het vanouds vaak aan in de bijbel. “Wee v phariseen dat ... ghi gaet voor by dat oordeele ende dye liefde Gods,” luidt het in de Bijbel van Liesveldt [1526]. In het hedendaags Nederlands kennen wij wee! vooral als dreiging aankondigend woord, bijvoorbeeld in wee je gebeente!, en als uitroep van smart, droefheid of ontsteltenis, bijvoorbeeld in o wee! ‘wat erg’; wee u! ‘moge het onheil u treffen!’

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wee* smart, tussenwerpsel ter uitdrukking van smart 1265-1270 [CG Lut.K]

wee* samentrekking van baarmoeder 1552 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut