Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

weduwe - (vrouw van wie de man is overleden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

weduwe zn. ‘vrouw van wie de man is overleden’
Onl. widowa ‘weduwe’ in fadera uueisono in scepenin uuidouuano ‘vader van wezen, beschermer van weduwen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. weduwe, wedewe in wesen ende wedewen ‘wezen en weduwen’ [1236; VMNW], margareta hannins wedue ‘Margareta, weduwe van Hannin’ [1267; VMNW]; vnnl. weduwe [1599; Kil.].
Os. widowa (mnd. weduwe); ohd. wituwa (nhd. Witwe); ofri. widwe (nfri. widdo); oe. widuwe, widewe (ne. widow); got. widuwo; alle ‘weduwe’, < pgm. *widewō-, *widuwō-. Het Noord-Germaanse woord voor ‘weduwe’ is on. ekkja (nzw. änka) < pgm. *ain(a)kjō-, een afleiding van *aina- ‘een, alleen’, zie → een.
Verwant met: Latijn viduus (bn.) ‘ongehuwd; weduwe of weduwnaar geworden’, vidua ‘weduwe’ (Spaans viuda, Portugees viúva, Italiaans vedova, Frans veuve); Grieks ēítheos ‘vrijgezel’; Sanskrit vidhávā ‘weduwe’ (Perzisch bēva); Avestisch viðauuā- ‘id.’; Oudpruisisch widdewū ‘id.’; Oudkerkslavisch vŭdova ‘id.’ (Russisch vdová); Oudiers fedb ‘id.’, Welsh gweddw ‘weduwnaar’; Hittitisch udati- ‘weduwe’; < pie. *h1uidh-(e)u- ‘ongehuwd’ (IEW 1127). Het is onzeker of hierbij ook → wees < pie. *h1uoidh-so- hoort.
Mogelijk gaat *h1uidh- door dissimilatie van de *d- voor de volgende dentale occlusief terug op een werkwoordelijke samenstelling *dui-dhh1- ‘in tweeën delen, scheiden’, uit *dui- ‘twee-’, zie → twee, en de wortel *d(e)h1- ‘plaatsen, zetten, leggen’ (LIV 136) van → doen. Hierbij hoort dan ook Latijn dīvidere ‘scheiden, verdelen’, waarin de d- is heringevoerd o.i.v. het Latijnse voorvoegsel dis- ‘uiteen-’.
weduwnaar zn. ‘man van wie de vrouw is overleden’. Mnl. weduwer ‘id.’ in Want die coninc weduwere was [1315-35; MNW-R], weduwenaer [15e eeuw; MNW]; vnnl. weduwer, weduwenaer [1599; Kil.]. Afleiding van weduwe met het achtervoegsel -(en)aar, zie → -aar.
Lit.: R.S.P. Beekes (1992), ‘Widow’, in: Historische Sprachforschung 105, 171-187

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

weduwe* [vrouw van wie de echtgenoot is overleden] {oudnederlands widowa 901-1000, middelnederlands weduwe} oudsaksisch widuwa, oudhoogduits wituwa, oudfries widwe, oudengels widewe, gotisch widuwo; buiten het germ. latijn vidua, grieks èitheos, oudiers fedb, welsh gweddw, oudkerkslavisch vŭdova, oudpruisisch widdewū, oudindisch vidhavā; de grondbetekenis is wellicht ‘scheiding’, vgl. latijn dividere [splitsen, verdelen] en wees1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

weduwe, weeuw(tje) znw. v., mnl. wēduwe, wēdewe, onfrank. widowa, os, widuwa, ohd. wituwa, witawa (nhd. witwe), ofri. widwe, wide, oe. widewe, wuduwe (ne. widow), got. widuwō (waarnaast de afl. widuwairna m. ‘wees’). — oi. vidháva, av. viðava, lat. vidua, oiers fedb ‘weduwe’ en gr. ē(u)ítheos ‘jonggezel’, van idg. *u̯idheu̯o- ’gescheiden’ van de wt. *u̯eidh ‘scheiden’, vgl. lat. dividō ‘scheidt’ oi. vindhátē ‘wordt leeg, heeft gebrek aan’, vidhú- ‘eenzaam’, vidhurá- ‘gescheiden van, ontbrekend’ (IEW 1127-8).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weduwe (weeuw, vooral weeuwtje o.) znw., mnl. wēduwe (wēdewe) v. = onfr. widowa, ohd. wituwa, witawa (nhd. witwe), os. widuwa, ofri. widwe, wide, ags. widewe, wuduwe (eng. widow), got. widuwo v. “weduwe”, germ. *wiðuwôn- (waarbij got. widuwaírna m. “wees”). Een reeds idg. woord (in ’t Germ. een n-stam geworden) = ier. fedb, lat. vidua, obg. vĭdova, opr. widdewū, oi. vidhávâ- “weduwe”.Oorspr. ’t v. van een bnw. *widhewo- “beroofd, zónder iets zijnde, verweduwd”, nog over in lat. viduns “beroofd, verweduwd”, gr. ē-ítheos “ongehuwd, jong-gezel”. Met suffix-ablaut oi. vidhú- “vereenzaamd”. Van de idg. basis widh-; zie verder bij wees.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

weduwe. Buiten het Germ. mag als verwant nog alb. ‘weduwe’ (wsch. niet a/h. Lat. ontleend: Jokl Lingu.-kulturhist. Unters. 51 vlg.) worden genoemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weduwe v., Mnl. wedewe, Onfr. widowa, Os. widuwa + Ohd. wituwa (Mhd. witwe, Nhd. id.), Ags. widewe (Eng. widow), Ofri. widwe, Go. widuwa + Skr. vihhavā, Gr. ēítheos (= ongehuwd), Lat. vidua, Oier. fedb, Osl. vĭdova: Idg. wrt. u̯edh = ledig, vereenzaamd zijn, waarbij Skr. vindhate = hij heeft gebrek aan, Lat. di-videre = verdeelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

weduwee s.nw.
Vrou wie se man oorlede is.
Uit Ndl. weduwee, uit die ou verboë vorm weduwe (al Mnl.) met verswaring van die onbeklemtoonde vokaal aan die woordeinde tot -ee. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm weduwé.
Ndl. weduwe hou via o.a. Mnl. weduwe en Oudnederlands widowa (901 - 1000) en Goties widuwô verband met Latyn vidua met die grondbetekenis 'beroof van'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

weduwee I: uitspr. wedewee, vrou wie se man oorlede is; Ndl. weduwe (Mnl. wēduwe/wēdewe), Hd. witwe, Eng. widow, Got. widuwo, hou verb. m. Lat. vidua (vr. v. viduus, “beroof”), oor slot-ee vgl. senuwee, skaduwee, vgl. Kloe HGA 129-130.

weduwee II [+]: by Elf-Vil weduwe as S.A. volksn. v. “paradysvink” (Vidua serena, fam. Ploceidae) wat veral in Afrika voorkom en vlgs. NED s.v. widow-bird sy naam gekry het “from the prevailingly black plumage of the males, which are also distinguished by an immensely elongated train of tail-feathers”, Web gaan s.v. widow bird, widow finch ged. daarmee saam, maar meen dat daar byg. was aan Whydah/Ouidah, ’n dorp i. d. suide v. Dahomey i. Wes-Afrika, “where such birds are found” (Web s.v. whydah/whidah); v. ook Pet A 553.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

weduwe (zwarte --) ‘spin’ (vert. van Italiaans vedova nera); (zwarte --) ‘zelfmoordterroriste’ (vert. van Russisch čërnaja vdova of Engels black widow)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Weduwe, Os. widowa, van den Idg. wt. widh = ledig worden; dus: iets verliezen. Zie ook Wees.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

weduwe ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’ -> Negerhollands weduwe ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’; Papiaments † wédefrou ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’; Sranantongo weduwe ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’; Sarnami widhwá ‘vrouw van wie de echtgenoot is overleden’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

zwarte weduwe [zelfmoordterroriste] (1994). Vanaf 1994 vindt een oorlog plaats tussen de Russen en de Tsjetsjenen, die zich van Rusland willen afsplitsen. Door deze oorlog zijn verschillende uitdrukkingen bekend geworden, zoals zwarte weduwe voor een Tsjetsjeense zelfmoordterroriste, en filtratiekamp, een kamp dat de Russen opzetten om mannen die mee kunnen vechten uit de mensen te ‘filteren’.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

weduwe* vrouw van wie de echtgenoot is overleden 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1670. Een onbestorven weduwe (-weduwnaar).

D.i. ‘eene vrouw die niet door den dood van haren echtgenoot tot den staat van weduwe gebracht is, maar door zijne langdurige afwezigheid, uitlandigheid, of door scheiding, enz. als 't ware als weduwe is achtergelaten, inzonderheid eene vrouw, wier man van haar verwijderd is zonder hoop op hereeniging, zoodat zij, ofschoon haar man niet gestorven is, aan eene weduwe gelijk is’; Ndl. Wdb. X, 1078; Mnl. Wdb. V, 273; Halma, 398 en Hooft, Brieven, 277: Een onbestorven weduwenaar. Ook sprak men van een onbestorven bruid (- bruidegom); zie Ndl. Wdb. III, 1633; fri. in onbistoarne widdou (weduwe).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut