Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wede - (plantengeslacht)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wede* [plantengeslacht] {we(e)de, wee(d)t 1201-1250} middelnederduits we(i)t, oudhoogduits weit, oudfries wēd, oudengels wād (engels woad); buiten het germ. latijn vitrum [wede, glas (gekleurd, namelijk met de verfstof uit de wede)], grieks isatis, (< ∗wisatis) [wede].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wede znw. v., dial. ook weet ‘plant, waaruit verfstof gewonnen wordt’, mnl. wēde, weet, Kiliaen weed, weedte, weet, weete ‘ook de blauwe verfstof zelf’, mnd. wēt, weit m.?, ohd. weit (nhd. waid) m., oe. wād o. (ne. woad). Daarnaast abl. got. verkl.w. *wizdila overgeleverd uuisdil(e), ouisdelem, guisdil, vgl. E. Schwentner IF 67, 1957, 57). Uit het germ. overgenomen is mlat. waisdus, waisdum, waisdo (> ofra. guesde, nfra. guède, ital. guado) en verder tsjech. vejt, russ. vajda. — Verwant zijn lat. vitrum ‘wede, blauwe kleur, (blauwig) glas’, gr. isátis (< *u̯itsátis) ‘wede’.

De plant is in grote delen van Europa inheems en kan dus reeds vroeg voor het bereiden van verfstof gebruikt zijn. Hoops, Waldb. 1905, 743 neemt daarom aan, dat het woord reeds voor de germ. klankverschuiving bekend is geweest. Intussen is de verhouding tussen de vormen met en zonder z niet duidelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

weede znw., dial. ook weet, Kil. weed, weedte, weet, weete, mnl. wêde, weet (ook = “blauwe verfstof, door de plant opgeleverd”). De oudste vorm moet weed zijn = ohd. weit (nhd. waid) m., mnd. wêt, weit (m.?), ofri. wêd (?), ags. wâd o. (eng. woad) “weede”. Ablautend met lat. vitrum, gr. isátis (*witsatid-s) “id.”. De verhouding tot got. wizdila v. “id.”, ags. weard “sandix” en germ. *waizda- (-ô-?), waaruit mlat. vaizda, ofr. guesde (fr. guède) “weede”, is niet klaar. Van ohd. weit, ndl. weed komt ofr. gaide “id.”; uit ’t Langob. wordt it. guado afgeleid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

we[e]de. Mnl. wêde, weet (m.?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

weede v., Mnl. wede + Ohd. weit (Mhd. id., Nhd. waid), Ags. wád (Eng. woad), Ofri. wéd (uit Hgd., Zw. veide, De. veid) + Gr. isátis, Lat. vitrum. Uit het Germ. komt Fr. guède.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut