Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wedden - (gokken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wedden ww. ‘gokken’
Mnl. scult die ghewed es ... ‘schuld waarvoor een waarborg is gegeven’ [1237; VMNW], Jc wedde ic mi wel soude wreken ‘ik wed dat ik me wel zou wreken’ [1265-70; VMNW]; vnnl. wedden ‘iets beweren met iets van waarde als inzet’ in Ick en wil met dy niet wedden [1515; iWNT].
Afleiding van → wedde in de oorspr. betekenis ‘pand, borg’. De oorspr. betekenis was ‘een pand, borg geven bij een overeenkomst’, later gold dat ook voor een overeenkomst om te wedden.
Ohd. wettōn ‘verpanden, wedden’; ofri. weddia ‘beloven, garanderen’ (nfri. wedzje); ozw. væþia (nzw. vädja ‘een beroep doen’; nde. vædde ‘wedden’) < pgm. *wadjōn- ‘pand geven’, bij de wortel van → wedde.
weddenschap zn. ‘overeenkomst om te wedden’. Vnnl. weddeschap ‘id.’ in Dat een Huys, welcke van een grooten Schuldenaer by manier van weddeschap, sonder bedroch, is veralieneert ‘... in onderpand is gegeven’ [1638; iWNT], weddenschap ‘id.’ in soo moet men speelen ... met een weddenschap [1666; iWNT], weddingschap ‘id.’ in en nogtans draayen ... door deze verzinningen de weddingschappen t'Amsterdam [1693; Temple]. Afleiding met het achtervoegsel → -schap van wedde ‘waarborgsom’, wedding ‘weddenschap’ of wedden, maar in elk geval uiteindelijk aangepast aan de infinitiefvorm wedden, naar analogie van woorden als wetenschap en zeggenschap.
Lit.: W. Temple (anonieme vertaling, 1693), De historische gedenkschriften van den ridder W. Temple in twee delen, Amsterdam, 651

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wedden* [gokken] {1237 in de betekenis ‘een onderpand geven, op het spel zetten, wedden’} middelnederduits wedden, middelhoogduits wetten, oudfries weddia [beloven], oudengels weddian [een overeenkomst sluiten, verloven] (engels to wed), oudnoors veðja [verpanden], gotisch gawadjon [verloven]; bij wedde.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

wedden

De oorspronkelijke betekenis van het zelfstandig naamwoord wedde is: pand. Vandaar de betekenis: door het geven van een pand bekrachtigde overeenkomst, verbintenis, die wij nog kennen in: jaarwedde. Wedden is dus: een pand geven, door een pand te geven iets waarborgen, boete betalen bij verlies. Deze betekenis ligt al dichtbij de huidige: een bewering stellen tegenover die van een ander met een bepaald bedrag als inzet. Het zelfstandige naamwoord hierbij is weddenschap. De oude betekenis: een overeenkomst sluiten vindt men terug in het Engelse werkwoord to wed: trouwen, in het huwelijk treden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wedden ww., mnl. wedden ‘een pand geven, verwedden’, mnd. wedden ‘boete moeten betalen, in pand krijgen, wedden’, mhd. wetten ‘pand geven, door pand waarborgen, boete betalen, wedden’ (nhd. wetten), ofri. weddia ‘beloven; waarborg geven, boete betalen’, oe. weddian ‘overeenkomst sluiten, verloven, uithuwelijken’ (ne. wed), on. veðja ‘als pand inzetten’, got. gawadjōn ‘verloven’. — Zie: wedde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wedden ww., mnl. wedden “een pand geven, (ver)wedden”. = mhd. wetten “een pand geven, door een pand waarborgen, boete betalen, wedden” (nhd. wetten), mnd. wedden “boete (moeten) betalen, in pandbezit krijgen, wedden”, ofri. weddia “beloven, waarborg geven, boete betalen”, ags. weddian “een overeenkomst sluiten, verloven, uithuwelijken” (eng. to wed), on. veðja “als pand zetten”, got. ga-wadjon “verloven”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wedden. Een eigenaardige bijvorm is dial. (Holl. Zeel. Antw. Vla.) wetten, die wel secundair naar verbale vormen op dentaal, als -t gesproken, zal zijn opgekomen, en gescheiden moet worden van Kil. wetten ‘een boete opleggen of betalen’ (Sax. Sicamb.) en wette ‘boete’ (Sax.), dat wsch. hd. vormen zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wèdde (ww.) wedden; Vreugmiddelnederlands wedden <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wed ww.
1. Geld of iets waardevols waag op die waarheid van 'n bewering of voorspelling, soos die uitkoms van 'n perdewedren of dobbelspel. 2. As 'n sekerheid stel.
Uit Ndl. wedden (al Mnl. in bet. 1, 1513 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. wetten, Eng. wed (1362 in bet. 1).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wedden* gokken 1237 [CG I Gent]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut