Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wauwelen - (kletsen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

wauwelen ww. ‘kletsen’
Vroegnieuwnederlands wauwelen (1612), wauwlen (1614), waulen (1614), waauwelen (1623) ‘kauwen, knabbelen’; wauwelen(1701–1750), waawelen (1782) ‘zwetsen’, wauwelpinte ‘kletskous’ (Gent, 1672); zy verwaauwelen hun geld ‘verdoen’ (1789); waeuweling ‘schommeling, fluctuatie’ (1733). In moderne dialecten Noordhollands wauwelen ook ‘treuzelen, dralen’, Zeeuws wauwauwen ‘kletsen’. Die laatste variant, met verdubbeling van wau-, bestaat al in de 18e eeuw in een kleyn waauwaauwertje ‘een klein kindje’ (1731). Als variant op wauwauwen mag het Vlaams-Zeeuwse kawauwen mogen worden beschouwd, dat zijn k- van kauwen zal hebben.
Verwante vormen: Vroegmodernengels wawill (16e e.), wawle (1558), MoE waul ‘huilen van katten of babies’, Nieuwhoogduits waueln ‘blaffen’.
De volgorde van de attestaties (‘kauwen’ in de 17e eeuw, ‘zwetsen’ pas vanaf de 18e eeuw) lijkt op hogere ouderdom van ‘knabbelen’ te wijzen. Het is echter waarschijnlijker dat het ww. vanaf het begin zowel ‘doelloos kauwen’, ’stamelen, bazelen’ als ‘babbelen, kletsen’ kon betekenen, zoals ook bij babbelen duidelijk het geval is. Dat wauwelen in de schrijftaal pas vanaf 1700 in de betekenis ‘zwetsen’ opduikt kan aan de geografisch beperkte horizon van het corpus uit de 17e eeuw liggen.
Wauwelen is een frequentatief ww. met suffix -elen bij een slechts zelden aangetroffen simplex waeuwen ‘brabbelen’ of ‘huilen’ (1657), of bij de uitroep wauw.
Het werkwoord *wauwen zelf is waarschijnlijk klanknabootsend, bij de uitroep wauw (ter bedreiging): Vreesje noch geen Bijte-baeuw? Waeuwe! waeuwe! Platters, waeuw! (1641). Voor het geblaf van de hond, huidig woef, treffen we deze klankvorm, al dan niet verdubbeld, aan in het Nederlands (wau-wau vanaf de 19e eeuw), in het Duits als wau (vanaf de 18e eeuw; de spookverschijning der Wauwau vanaf de 17e eeuw), in het Engels als wow (vanaf 1811), en uiteraard in vele andere talen in vergelijkbare vormen (zie bijv. Wikipedia onder ‘Bark (sound)’).
[Gepubliceerd op 14-04-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wauwelen* [kletsen] {1612 in de betekenis ‘kauwen, knabbelen’; de huidige betekenis 1701-1750} hoogduits waueln, engels dial. to wawl; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wauwelen ww. ‘kletsen’ (zuidnl.) ‘kauwen, knabbelen’ (wormers) ‘treuzelen’; oudernnl. (Breero) ‘knabbelen’, wfri. ‘langzaam gaan, zich onnodig bezighouden’ (W. de Vries Ts. 43, 1924, 141-2). Men kan uitgaan van de bet. ‘knabbelen’, want vandaar uit laten zich de andere bet. ongezocht afleiden. Maar de herkomst is daarmee niet opgehelderd; onzeker of men alleen aan een klankwoord mag denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wauwelen ww., nog niet bij Kil., dial. ook = “treuzelen” (Wormer). Evenals vla. wauwelen “mummelen” onomatopoëtisch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wauwelen. Uit de 17e-eeuwse bet. ‘kauwen, knabbelen’ kunnen de tegenwoordige worden verklaard: vgl. kauwen in soortgelijke bett. en verschillende onder mummelen genoemde woorden. Vgl. W.de Vries Tschr. 43, 141 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wauwelen, wawelen ono.w., + dial. Hgd. waueln, Eng. to wawl: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wawwele (ww.) wauwelen; Nuinederlands wauwelen <1701-1750>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wauwelen ‘kletsen’ -> Duits waueln ‘blaffen; met ongenoegen spreken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wauwelen* kletsen 1701-1750 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut