Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

water - (vloeistof (H2O))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

water zn. ‘vloeistof (H2O)’
Onl. watar ‘water’, als telbaar begrip ook ‘bepaalde watermassa, rivier, zee e.d.’, in de samenstelling watarskap ‘waterbron, drenkplaats voor vee’: watrischafo [709; ONW], watriscapo [717-18; ONW], als simplex in visc flot aftar themo uuatare ‘een vis dreef over het water’ [891-900; CG II-1, 39], Te nieuuete cumun sulun also uuatar rinnende ‘zij zullen verdwijnen als stromend water’, fan diopithon uuatiro ‘van de diepten der wateren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. water [1236; VMNW].
Os. watar (mnd. water); ohd. wazzar (nhd. Wasser); ofri. weter (nfri. wetter); oe. wæter (ne. water); on. vatn (nzw. vatten, nno. vann); got. watō (genitief watins); < pgm. *wat-r-, *wat-n- (r/n-stam) ‘water’. Op basis van deze wortel is ook het bn. pgm. *wēta- ‘vochtig, nat’ gevormd, waaruit: ofri. wēt (nfri. wiet); oe. wǣt (ne. wet); on. vátr (nzw. våt).
Verwant met: Umbrisch utur (ablatief une) ‘water’, Latijn unda ‘golf’ (zie ook → inundatie); Grieks húdōr ‘water’ (zie ook → hydraulisch); Sanskrit udán- ‘water’; Litouws vanduõ ‘water’; Oudkerkslavisch voda ‘id.’; Oudiers uisce ‘water’ (zie ook → whisky); Armeens get ‘rivier’; Albanees ujë ‘water’; Hittitisch wātar (genitief wetenas) ‘water’; Tochaars A/B wär/war; < pie. *uód-r, genitief *uéd-n-s. Het is een van de weinige zelfstandige naamwoorden die in alle grote Indo-Europese taaltakken zijn gerepresenteerd. Zie ook → otter. Opmerkelijk is dat eenzelfde stam in het Fins-Oegrisch voorkomt, bijv. Fins vesi < *veti ‘water’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

water* [vloeistof] {oudnederlands watar 901-1000, middelnederlands water} oudsaksisch watar, oudhoogduits wazzar, oudfries weter, oudengels wæter, oudnoors vatn, gotisch wato (2e nv. watins); evenals ‘vuur’ vertoont ‘water’ vormen met r en met n; buiten het germ. grieks hudōr, oudkerkslavisch voda (vgl. wodka) en genasaleerd latijn unda, oudiers uisce, litouws vanduo, oudindisch udan-. In de uitdrukking een diamant van het zuiverste water [van de beste soort] wordt de glans water genoemd naar de glinstering van golvend water, vgl. gewaterde stoffenhandwater.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

water znw. o., mnl. wāter, onfrank. watar, watir, os. watar, ohd. waʒʒar (nhd. wasser), ofri. weter, water, oe. wæster, (ne. water). — Daarnaast staan on. vatn, got. wato o. — Beide gaan terug op een idg. r/n-stam: *u̯édōr, u̯odōr, 2. nv. *udnés, vgl. gr. húdōr: húdatos (< *udṇ-tos), umbr. utur n. abl. une (< *udni), oi. udán loc. enk., hett. wa-a-tar: gen. ue-te-na-as. Voor n-vormen nog van *u̯od: osl. voda en van *ud: lit. vanduõ, opr. unds, lat. unda ‘golf’ (IEW 79). — Zie verder: otter en winter.

Opmerkelijk is de overeenstemming van deze groep met fins vete- (n. sg. vesi), mordw. ved, hong. víz; voorbeeld van samenhang indogerm. en oeralisch? (Collinder UUÅ 1934, 70), maar zie ook Kronasser, Frühgeschichte und Sprachwissenschaft 1948, 169.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

water znw. o., mnl. wāter o. = onfr. watar, -ir, ohd. waʒʒar (nhd. wasser), os watar, ofri. weter, water, agx. wæter (eng. water) o. “water”. Gaat met on. vatu, got. wato o. “id.” op een idg. r-n-stam *woder-, *woden-, met ablaut *uder-, *uden- terug, die ook in umbr. utur, abl. une, gr. húdōr, údatos, oi. udán- “water” nog voortleeft en die in andere talen in andere flexieklassen is overgegaan; vgl. o.a. nog obg. voda “water”, lit. vandů̃, żemaïtisch undů̃, opr. unds “id.” — n-stam, ook n-infix: vgl. lat. unda “golf”; en ier. fand “traan”? —, verder alb. ujɛ “water”, phryg. bédu “id.” (onzekere vorm), arm. get “rivier”, ier. usce, uisce “water” (vgl. eventueel wassen I), os “id.” = oi. útsa- “bron”. In ’t Oi. ook een ww. unátti, undáti “hij borrelt op, bevochtigt”, waarbij ódatî- “vochtig” e.a. Uit ’t Germ. vgl. nog de met water ablautende woorden otter en ofri. wêt, ags. wæ̂t (eng. wet), on. vâtr “nat”. Voor eventueele verwanten hoogerop zie waard III en waas.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

water. Schrap: ier. os ‘water’. Een ander idg., althans lat. en germ. woord voor ‘water’ is bij eiland (slot) besproken. Gewaagde beschouwingen over het ospr. verschil in waardering tussen deze twee woorden — het onzijdige profaan, het vrouwelijke lat. aqua enz. meer religieus, het water in zijn magische kracht aanduidend — bij Meillet MSL. 21, 249 vlgg.; zie nog bij vuur Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

water o., Mnl. id., Onfra., Os. watar + Ohd. waʒʒer (Mhd. waʒʒer, Nhd. wasser), Ags. wæter (Eng. water), Ofri. wettr, On. vatn (Zw. vatten, De. vand), Go. wato: Germ. wrt. wet + Skr. udan-, Gr. húdōr, Osl. voda: Idg. wrt. u̯ed = nat zijn, waarnevens een genasaleerde bijvorm: Skr. wrt. und = nat maken. Lat. unda, Oier. fand, Lit. vandů = water, Germ. winter (z.d.w.): Idg.wrt. u̯end.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

water (zn.) water; Aajdnederlands watar <709>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1water s.nw.
1. Vloeistof bestaande uit twee dele waterstof en een deel suurstof. 2. Vloeistof min of meer soos water (1water 1). 3. Water (1water 1) as 'n uitgestrekte massa, bv. as 'n see, rivier of meer. 4. Opeenhoping van vog in die liggaam. 5. Helderheid.
Uit Ndl. water (al Mnl. in bet. 1 - 4, 1596 in bet. 5). Eerste optekening in vroeë Afr. op 26 April 1770 in die samestelling waterbalie (Scholtz 1972: 178), waarna in Afr. by Changuion (1844) in die samestelling waterlemoen 'waatlemoen' en by Mansvelt (1884).
D. Wasser (8ste eeu), Eng. water (ongeveer 897 in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wa’ter (het, -s), (ook:) 1. getij (als verschijnsel i.h.a.). De plantagepont* met meublement en wat meer is was vertrokken en daags daarna toen ’t water goed was verliet Mevrouw L. met hare familie en Rosalie de plaats* () (van Schaick 1866: 186). - 2. vloed. () hier bedoelt die heer een getij of een water, zoo als men hier zegt; een spring* van 8 à 9 dagen heeft 16 à 18 waters () (Teenstra 1835 I: 222). - 3. duur van een getij, d.i. 6 uur. Gaat de reis verder dan binnen den tijd van 6 uren (een water) geschieden kan, dan moet men aanleggen, om naaste ebbe of vloed, naardat deze of gene in ons plan ligt, af te wachten () (Beijer 1823: 95). - Etym.: S watra = o.m. bet. 3. Alle cit. zijn de oudste. - Syn. van 3 tij*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

water: vloeistof bestaande uit waterstof en suurstof; Ndl., Mnl. en Eng. water, Hd. wasser, hou verb. m. Ndl./Afr. otter en m. Eng. wet, “nat”, asook m. Lat. unda, “golf”, en Gr. (h)udōr, “water”, v. Kloe HGA 56-63; v. ook sug II, sugsloot en watersug, asook ywer en was II.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Water snw. Segsw.: Gooi geen vuil water weg voor jy skone het nie (Ndl.: Men moet geen oude schoenen wergwerpen voordat men nieuwe heeft. Ook Afrikaans). – Ten Doornk. Koolm. I, 568: Man mut ’t fûl water nich êr weggiten, biför man schôn wër hed. Eckart 555: Kên ful Wâter ûtget ’n, ehr manr rein wêr het.
Segsw.: Water kan wees so skoon soos dit wil, maar dit word ook vuil. ’n ieder het sy swak oomblikke. – Oorgeërf. By Harreb. II, 439: Er is geen water zoo helder, of het troebelt wel eens. Eckart 555: Et is kein Wâter so klar, et fläumet (trübt) sik. W(estfalen).
Segsw.: Dit soos water op ’n eend se rug. Sien eend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

water (in troebel -- vissen)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Levend water, stromend water; (fig.) God.

Levend water is water dat niet stilstaat maar stroomt; deze betekenis is in het moderne Nederlands verloren gegaan, zodat het gebruik ervan gewoonlijk op de bijbel terug te voeren is. Daar zijn de woorden een enkele maal gebruikt voor God of voor dat wat God in een mens teweeg kan brengen; Jezus zei tot een vrouw: 'Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven' (Johannes 4:10, NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 4:10. Waert dat ghi die gaue gods bekendet, ende wye dye is, die tot v seit, geeft mi drincken, ghi sout hem bidden, ende hi soude v levende water geuen.
[Begin van een geboorte:] Plotseling / Kijkt zij op. 'Het begint.' Als levend water / Staat de blauwe ochtend in de kamer. (H. Mulisch, De gedichten 1974-1983, 1987 (De geboorte, 1983), p. 209)
[Kop:] Weer 'levend water' in de Biesbosch-delta (NRC, maart 1994)

Water in wijn veranderen, het eerste wonder dat Jezus verrichtte; (fig.) een wonder verrichten, iets dat men voor onmogelijk hield realiseren.

Het eerste wonder dat Jezus verrichtte was het veranderen van water in wijn op een bruiloft (de 'bruiloft te Kana'). Jezus liet zes vaten met water vullen, gaf de dienaren opdracht er wat uit te scheppen en aan de gastheer te brengen. 'Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven' (Johannes 4:10, NBV). Water in wijn veranderen is in figuurlijke zin dan ook: 'een wonder verrichten, iets dat men voor onmogelijk hield realiseren'. In de volgende aanhaling is de bijbeltekst en uitdrukking bewust omgekeerd -- het betreft een advies voor een 'goed voornemen' voor 1999: 'Dominee Nico ter Linden [auteur van een zeer vrije bewerking van de bijbel]: ophouden met wijn in water te veranderen' (NRC, 2-2-1999, p.7).

Rijmbijbel (1271), v. 22358-64. Nv waren ghinder .vii. stenine cannen. / Jhesus seide ten dienst mannen. / Vullet die cannen met watre saen. / Ende doe si dat hadden ghedaen. / Hiet ons here draghen dat. / Ter vorbarsten die ter feesten sat. / Die sere prijsden ghenen wijn. (Nu stonden daar zeven stenen vaten. Jezus sprak tot de dienaren: Vul die kannen snel met water. En toen zij dat hadden gedaan, beval Jezus dat water te brengen naar de belangrijkste man die op het feest aanwezig was. Hij prees de wijn uitbundig.)
Maar zoals in de bijbel water wijn werd, en in het gewone leven wijn urine, zo veranderde bij Leo en mij heldere vodka in pikzwarte inkt, (A.F.Th. van der Heijden, Asbestemming. Een requiem, 1994 (1995), p. 146)
Wel zijn er nog tientallen publicaties verkrijgbaar waarin Castro voortdurend water in wijn verandert en over zeeën loopt. (De Volkskrant, 17-2-1996)
Een vriend waarschuwde me laatst voor deze klus. 'Kijk uit Joop, je bent een gezond hoofd in een ziek bed.' Alleen een wonder zou Volendam [de voetbalclub van die naam] kunnen helpen. Maar ik kan geen water in wijn veranderen. (De Volkskrant 24-8-1999)

Waterdrager, waterputter, iemand die beroepshalve water put; (fig.) iemand die eenvoudig, laag betaald werk doet dat echter noodzakelijk is voor het functioneren van anderen.

Toen de bewoners van de stad Gibeon de Israëlieten op listige wijze tot een verbond hadden overgehaald en hun bedrog uitkwam, werden zij zwaar gestraft; 'de hoofden zeiden tot hen: Laat hen in leven blijven. En zij werden houthakkers en waterputters voor de gehele vergadering, zoals de hoofden te hunnen opzichte bepaald hadden' (Jozua 9:21, NBG-vertaling). De geringe waardering die hieruit spreekt voor dit beroep heeft de benamingen waterdrager en waterputter hun specifieke betekenis gegeven. De NBV heeft hier: 'we kunnen ze voortaan voor heel Israël hout laten hakken en water laten putten' en spreekt in Jozua 9:23 over 'houthakkers en waterputters voor het heiligdom van mijn God'.

Liesveldtbijbel (1526), Jozua 9:21. Laetse leuen dat si houthouders ende waterd raghers zijn der gheheelder ghemeenten zoo hem dye ouerste ghezeit hebben. (Statenvertaling (1637): water-putters.)
Sommige staatssekretarissen maakten er geen geheim van dat zij de waterdragers waren van industriële lobby's. Anderen beschouwden het departement als een vagevuur dat ze hoopten spoedig te verlaten. (De Standaard, nov. 1995)
Vijfmaal verscheen hij aan de start in de Ronde van Frankrijk, vier keer haalde hij Parijs. Een waterdrager, eentje die zijn markante kop in de wind stak om de echte toppers te ontlasten. (NRC, maart 1994)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Water, van den Idg. wt. wed, ud = nat zijn. Aan den bijvorm ud herinnert ons otter, het Gr. hudros = waterslang, van hudoor = water; vgl. hydrographie (Gr. u = Lat. y). Zie ook Wed en Waden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

water ‘vloeistof’ -> Deens vater ‘waterpas, horizontaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † wati ‘nat, vochtig’; Javindo water ‘vloeistof’; Negerhollands watǝr, watu, watǝ, water, waeter, wolter ‘vloeistof’; Skepi-Nederlands water ‘vloeistof’; Sranantongo watra ‘vloeistof’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans wataa ‘vloeistof’; Saramakkaans wáta ‘vloeistof’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

water* vloeistof 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

641. Geld als water verdienen ( of hebben),

d.w.z. zeer veel geld verdienen of hebben, eene in ons waterland zich zelf verklarende uitdrukking; zie C. Wildsch. I, 285. Bij Harrebomée I, 221 staat ook opgeteekend: hij heeft geld als slijk en hij wint geld als salade. Misschien mag ook vergeleken worden: zoo rijk als 't water van de zee (Brederoo, III, 231, 21) en hij is zoo rijk als 't water diep is (Tuinman II, 137). Volgens Joos zegt men in Vlaanderen geld hebben gelijk zaad, zand; geld winnen gelijk hooi, water, slijk; vgl. Teirl. 465: geld winne gelijk more (modder), gelijk slijk; Schuermans, Bijv. 92: ik heb geld zoo lang als hooi in de omstr. van Gent); Borchardt no. 560: er hat gelt wie heu, wie mist, wie schlamm, en Sewel 192: hy heeft geld als drek (nog in Twente en Limburg); eng. to have money like dirt naast to spend money like water (Prick, 31); hd. Geld als Dreck haben; oostfri. geld as schite, geld as hei, man nêt fulup so lank (Dirksen I, 33).

643. Geld in 't water werpen (of smijten),

d.w.z. het geld onnut uitgeven, het verspillen aan eene roekelooze of dwaze onderneming. Zie Sart. I, 5, 11: in aqua sementem facis, ghy werpt het Gelt in 't Waeter. Ook Hooft gebruikt deze zegswijze in zijne Brieven, 107: Doch 't komt nu op 't verwerven van 't privilegie aan (voor de uitgave van Het leven van Hendrik den Groote). Daar ik nochtans ducht dat de drukker zijn gelt in 't waater werpt. Zie verder Breughel no. 33; Vierl. 15; Huygens, Hofwijck, vs. 75: k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by gevall; vs. 1729: Het goud en was in 't water niet geworpen; Van Effen, Spect. X, 28; C. Wildsch, I, 331; Waasch Idiot, 243 b; Antw. Idiot. 1705: geld in 't water smijten, gooien, roeien, wörpen; Wander I, 1520: das Geld zum Fenster hinaus werfen (vgl. Nkr. VII, 18 Jan. p. 6: de centen uit het raam gooien); fr. jeter l'argent par les fenêtres; eng. to make ducks and drakes of one's money; hd. sein Geld ins Wasser werfen.

2191. Een storm in een glas water,

d.i. een twist, die weinig beteekent, van geen belang is; ontleend aan het lat. fluctus in simpulo excitare, dat voorkomt bij Cic. de leg. 3, 16, 36: Excitabat enim fluctus in simpulo, ut diciturOtto, 323; Büchmann, 276.. Vgl. eng. a storm in a teacup or in a puddle; a tea-cup tempest; hd. ein Sturm im Glase Wasser; fr. une tempête dans un verre d'eau.

2523. Loop niet in 't water!

wordt gezegd als waarschuwing tegen iemand die ingebeeld mooi en daarvan zoo vervuld is, dat hij in 't water zou kunnen loopen. Het gezegde dagteekent uit de 17de eeuw, blijkens Brederoo I, 28, 419:

 Jy bint te vervaarlijck frey, ick word' op jouw verlieft.
 Nu moetje een nieuwe duyt hebben om appelen te koopen.
 Bylo! siet wel voorje datje niet gaat in 't Water loopen.

Harrebomée I, 139: Je dochters loopen nog in het water.

1290. De kruik gaat zoo lang te water tot zij breekt (of berst),

d.w.z. in eig. zin: men kan zoo dikwijls met eene broze kruik naar den put of den bak gaan om deze te vullen, totdat ze eindelijk tegen den kant breekt; in overdr. zin: men kan zoo dikwijls iets gevaarlijks of verkeerds doen, totdat het misloopt en men de slechte gevolgen er van ondervindt. In de middeleeuwen vinden we deze spreekwijze in den Esopet, 36, 10-20: So langhe stuuct men ende steect den stoep (kruik) te watre, dat hi breect; Reinaert II, 4356: So langhe gaet te water die cruuc, dat si breect ende valt an sticken; Pelgrim, 43 b: So lange gaet die pot om water dat si int laetste breect bij ongeval, datter in den wech op coemt; vgl. ook Limb. XI, 347; Lorr. I, 2045. Zie verder mlat. ollula tam fertur ad aquam, quod fracta refertur; donec fracta cadit, ad fontes amphora vadit (Bebel no. 27; Werner, 22); vgl. Goedthals, 18: de canne gaet so langhe te water, datse breckt, tant va le pot a l'eau qu'il brise; den roukeloose magh seven reysen wel slaen, maer eens qualick; Spieghel, 297; Brederoo I, 211: Een kruyck gaat soe langh te water tot datse barst; Six v. Chand. 454: De kruik die werd zoo langh vervarscht met waater haalen, tot se barst; Gew. Weeuw. I, 49: De kruyk zoo lang te water gaat dat ze van den Hengel valt; Spaan, 128; Harreb. I, 305 a; III, 222; Ndl. Wdb. VIII, 403; Waasch Idiot. 323; Ons Volksleven V, 162; fri. de krûk giet sa lang to wetter ont er de hals brekt. Ook in andere talen is het spreekwoord bekend; vgl. fr. tant va la cruche à l'eau qu'elle se casse; hd. der Krug geht so lange zu Wasser, bis er bricht; eng. the pitcher goes so often (or so long) to the well till it comes home broken at last. Voor het nd. vergelijke men Taalgids IV, 259; Eckart, 293.

1832. Op een gloeiende plaat vallen,

eig. als een druppel water op een gloeiende plaat vallen (Harreb. I, 158), ook dat valt op een gloeienden of heeten steenVgl. Harreb. I, 360: Het valt op een' heeten steen (of op gloeiend ijzer); Brederoo II, 97 vs. 2390: Ick salder ten minsten een kinnetje of ses vaantjes inschieten. Ick heb brangt in myn keel, en een gloeyende steen in myn borst.... ik heb so onnatuurlycken dorst!, d.w.z. er is groot gebrek of behoefte aan; eig. gebezigd van een verkwikkenden dronk, doch meestal van geld, hetwelk men ontvangt op een oogenblik, dat men er juist zeer om verlegen is, en dat spoedig weer op is. Vgl. Tuinman I, 116: Haast ziet men den bodem van eene haalkan, byzonderlyk, wanneer de drinker een vonk, of exteroog, in de keel, en grooten dorst heeft, zo dat het valt als op een heeten steen; zie ook bl. 122; Nkr. IX, 6 Maart p. 6: We hadden het zoo bitter, bitter noodig. Wat een mooie mantelpakken stuurde je niet! Wat een flinken regenmantel! Och, 't viel altijd op een gloeiende plaat.

2125. Spijkers op laag water zoeken,

d.w.z. vitten, onbeduidende gronden aanvoeren; ook: uitvluchten zoeken, zwarigheden of bezwaren zoeken, waar er geen kunnen zijn, de egge op den tas gaan zoeken (Waasch Idiot 644 a). In werkelijken zin worden bij laag water aan de scheepstimmerwerven de spijkertjes, die bij het timmeren gevallen zijn, opgezocht (zie M.z.A. 17); vandaar bij overdracht: naar kleinigheden zoeken, die bijna niet te vinden zijn, vitten; en ook: nietige uitvluchten zoeken, bedenken om iets te verbergen of te ontkomen, of zooals men vroeger zeide mnl. musselen in die gootkijns soken of dat haer int oge soken (zie Coninx Somme, blz. 627); het futselboek zoeken (De Bo, 316 a); het bijltje (met den langen steel) zoeken (Ndl. Wdb. II, 2619); knorven in de biezen zoeken (lat. in scirpo nodum quaerere; Hooft, Brieven, 445; Ndl. Wdb. II, 2554); een speld in een hooitas (of een voer hooi) zoeken (Schuerm., Bijv. 127 a); een haartje in de boter zoeken, redenen vinden om te vitten of om twist te maken; Ndl. Wdb. V, 1400Eene andere verklaring vindt men in het Tijdschrift XVIII, 136.. In Zuid-Nederland onbekend. In 't fri. in splinter-siker.

2159. Iemand een steek (onder water) geven,

d.w.z. iemand zijdelings eene onaangenaamheid zeggen; een bedekte toespeling, die voor iem. onaangenaam is; met vuilte gooien (op Goerée en OverflakkeeN. Taalgids XIV, 253.); iemand een bokking geven (Winschooten, 286), een zinknoot (Boekenoogen, 1263), hem iets zeggen, dat hem pijnlijk aandoet. Vgl. Plantijn: Yemanden met schampige woorden steken, piquer aucun de parolles. In de 17de eeuw reeds vrij gewoon; zie o.a. Poirters, Mask. 184: een steeckje geven; verder Van Effen, Spect. IV, 208; C. Wildsch. I, 14; Halma, 607: Hy gaf hem eenen steek van ter zijden, hij gaf hem eene drooge neep, il lui donna un coup fourré; en V. Janus, 3, 15. Synoniem was de uitdr. iemand een scheut (schootje) geven, een - krijgen, dat o.a. voorkomt bij Hooft, Ged. I, 137; De Brune, Wetst. I, 6; 344; Ndl. Wdb. XIV, 541. Bij Winschooten, 235: ‘Een schoot onder water krijgenBij Witsen, 492 wordt dit een gront schoot genoemd; vgl. ook Spaan, 157. word eigendlijk gebruikt omtrent de schepen, die in het rijsen van de baaren, en als het onderste der schepen booven water komt, van een koogel aldaar getroffen werden; het welk seer gevaarlijk is; oneigendlijk werd het op iemand gepast, die van een ander een drooge bokking krijgt, dat juist van de bijstanders soo niet gemerkt kan werden: dog die het raakt, die steektse bij sig’ (zie ook bl. 126). Vgl. verder Halma, 565: Scheut, schimp, steek, un coup de peigne, un brocard; een scheut onder water, een heimelijke streek, un lardon, un brocard. Uit eene dooreenmenging van deze twee uitdrukkingen iemand een schot onder water geven en iemand een steek geven (hd. jem. einen Stich geben) ontstond nu een steek onder water geven. Ook kende men in de 17de eeuw een duw (in 't wammes) of een dwarsstreek krijgen; vgl. in het hd. Seitenhieb; eng. a side-thrust; Winschooten, 299; Van Effen, Spect. IX, 177; Tuinman I, 199; V. Schothorst, 205. Zie verder Schuermans, 674 b en 683 b: een sneê, een onrechtstreeksch verwijt, schaard; De Bo, 840: iemand eenen pek geven (in het Antw. Idiot. 950: pek, slaag); Waasch Idiot. 574 b: scheuten onder 't water geven; bl. 732: dat zijn slagen onder 't water, bedekte verwijten; Molema, 241: lempers geven; bl. 394: spiekers geven; Zoek. 24: Zoo'n smerige knauw onder water. In het fri. immen in stek under wetter troch jaen; in skoat onder wetter, een eenigszins bedekte schimpscheut.

2521. Water in zee dragen,

d.w.z. iets brengen, waar er overvloed van is; veelal gebruikt wanneer men rijke menschen nog meer geld bezorgt, vertaling van lat. aquas in mare fundere; hetzelfde als nml. die den riken gevet sijn goet, hi ghietet water in de vloet (Sp. Hist. I6, 52, 61); water in den Rijn draghen (Servilius, 4); sperren in Noorwegen senden (Servilius, 4); turf in 't veen brengenDe Brune, 212: 't Is turven stieren naer de venen; fri. turf yn 't fean bringe.; uilen naar Athene zendenDit uit het Grieksch vertaalde gezegde behoeft zijn oorsprong niet te danken aan de omstandigheid, dat er te Athene vele tempels stonden gewijd aan Pallas Athene, die tot attribuut een uil had, maar kan evengoed ontleend zijn aan het in grooten getale voorkomen van dit dier in de rotsspleten van den Acropolis; Büchmann, 346., lat. ululas Athenas mittere, dat hetzelfde beteekent als in littus harenas fundere; in silvam ligna ferre; poma dare Alcinoo; sidera coelo addere; mlat. Danubio quasi mittat aquam, dat ovi capra lanam; ovis ad capram lanam petitum venit, enz. De uitdr. komt o.a. voor bij Servilius, 7; Sart. I, 2, 54: Ululas Athenas, water in zee dragen, sparren in Noorwegen senden; Spieghel, 295; Hooft, Brieven, 323; Brederoo, II, 13: Soo souwde ick Water in Zee, of Zant in Duyn willen brenghen; Idinau, 304:

 De sulcke water in de zee draghen,
 Die iet toe-bieden, daer 't over-loopt.
 Raedt, rijck-dom, of wijsheydt iemandt toe-iaghen
 Daer 't al af krielt, ghespijst en ghehoopt.
 Wee hem, die den duyvel sijn siele verkoopt.

Zie verder Van Effen, Spect. X, 97; Tuinman I, 229; Adagia, 33: Houdt in den bosch draegen, en water inde Zee, ululas Athenas mittere; Halma, 768: Water in de zee dragen, verlooren arbeid doen, porter de l'eau à la mer, battre l'eau; Harreb. I, 158 a; afrik. water in die see dra; Schuermans, 845 b; Waasch Idiot. 732; Antw. Idiot. 1420: het water naar de zee dragen; Taalgids IV, 259; vgl. het hd. Wasser ins Meer, in die Elbe, Werra, Reuss, Limmat, Donau, in den Rhein, in den Brunnen tragen; Ablasz nach Rom tragen; Adler nach Berlin tragen; fr. porter l'eau à la rivière, à la mer; eng. to cast water into the Thames.

2522. Water in den (of zijn) wijn doen (of mengen),

d.w.z. zijne eischen matigen, inbinden ‘omdat de omstandigheden, het welbegrepen eigenbelang, de macht of wil van derden daartoe dwingen’. Iemand, die wijn vermengt met water, verdunt hem, maakt hem minder krachtig; bij overdracht op eischen, voorwaarden toegepast, deze verminderen, minder streng maken. De uitdrukking is in dezen zin bekend sedert de 16de eeuw. Vgl. Despars, II, 176: Dat die coninck.... intijts zijn advijs verandert ende watere in zijn wijn ghedaen hadde, grootelix verzoetende ende verlichtende die poincten ende articlen van den paeyse; Anna Bijns, Refr. 60:

 Omdat daer so menich rijc, groot cadet
 Mede (met Luthers Doctryne) is besmet,
 Vreesen de predicanten schade en pijn.
 Sij sorgen om die waerheit vervolcht te sijne;
 Voor 't geloove en wilt niemant laten sijn crage.
 De wijnroeyers mingen dwater metten wijne.

Voor lateren tijd vergelijke men Winschooten, 348; 361; Huygens, Korenbl. II, 203; Hooft, Brieven, 161; Pamfl. Muller no. 630 (anno 1608), bl. 21 v; Spaan, 244; Tuinman I, 115; Halma, 768: Water in zijnen wijn doen, zijne gramschap of driften matigen; Sewel, 941: Water in zynen wyn doen, to temper one's wine with water; to moderate one's eagerness; to cool one's heat or spirits; Harreb. II, 440; afrik. water in mens se wijn gooi. In Zuid-Nederland: water bij zijne(n) wijn doen. Ook in 't Fransen: mettre de l'eau dans son vin.

2524. Water door den Rijn.

Er moet nog heel wat water door den Rijn loopen (of stroomen) voordat iets geschieden zal’ beteekent: het zal nog lang duren, er zal nog heel wat moeten plaats vinden, voordat iets gebeurt, er zullen eerst nog veel vogelkens kakken, die nu nog geen gat hebben ('t Daghet XII, 112). In de 16de eeuw zeide men daer sal noch veel waters ten dael loopen (Sart. III, 10, 26; ook Tuinman I, 331) of daar zal nog menig rad omgaan (ook in 't Grieksch, Erasmus, CXXII); Bebel, 574: interea multum aquae in Neccaro vel Rheno praeterfluit. Hiernaast volgens Harreb. II, 430 b: er zal nog veel water ten dale loopen; er zal nog wel wat water over de bergen loopen (vgl. hd. bis dahin läuft noch viel Wasser den Berg hinunter oder ins Meer); in het hd. es wird noch viel Wasser aus dem Main in den Rhein laufen; fr. il passera bien de l'eau sous les pontsLat. multa prius vasto labentur flumina ponto (Prop. I, 15, 29).; eng. a great deal of water has flowed under the Bridge since those days; in het Hagelandsch en in Kl.-Brab.: ter zal nog veul waiter deur de zië (zee) loeëpe (Tuerlinckx, 719); in het Haspengouwsch: er zal nog veel water onder den molen doorloopen of naar (of door) de zee loopen (Rutten, 272 a; Antw. Idiot. 1420); in Vlaanderen: er zal nog veel water door de Schelde (of de Leie) loopen (Joos, 82); afrik. daar sal nog baie water in die see loop voor dat, enz; De Arbeid, 22 Aug. 1914 p. 4 k. 2: Er zal nog heel wat water door de Rijn moeten stroomen, voor en aleer men zich een denkbeeld kan vormen van de taak welke de mensch in een gezonde samenleving heeft te vervullen; Handelsblad, 20 Maart 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 2: Er is veel water door de Vrijstaatse rivieren gespoeld sinds dien tijd en 't is de oude strijder (gen. De Wet) aan te zien.

2525. Boven water zijn,

d.w.z. uit den nood, uit de moeilijkheid zijn; eig. gezegd van iemand, die in het water is gevallen en het hoofd weer boven weet te krijgen; vgl. ook het hoofd boven (water) houdenVgl. Poirters, Hof v. Theod. 34: Op dat de verdruckte Christenen eens mochten verquicken, en het hooft boven krygen; Pers, 535 a; 911 a: het hoofd boven houden; De Brune, Bank. I, 395; II, 52: de kin boven water houden; Ndl. Wdb. III, 813; Harreb. I, 327; De Telegraaf, 2 Dec. 1914 (avondbl.) p. 9 k. 2: Cor Ruys, die zijn kop boven water weet te houden, tegen al de beroerdigheid in; Handelsblad 2 Maart 1915 (avondbl.) p. 9 k. 3: Steeds had zij, zeide ze, gesloofd en geploeterd om het hoofd boven water te houden; De Arbeid, 27 Maart 1915 p. 1 k. 3: Hebben in normale tijden de arbeiders moeite om het hoofd boven water te houden, in dezen tijd is het met den stoffelijken nood der arbeiders meer dan treurig gesteld; Het Volk, 9 Aug. 1915 p. 6. k. 2; hd. sich überm Wasser halten; eng. to keep (or hold) one's head above water., zich weten staande te houden; het fr. revenir sur l'eau, échapper à la ruine; hd. wieder über Wasser kommen; eng. to be above water. Zie Winschooten, 348: Booven Water syn, geen vrees hebben voor schaade; Halma, 768: Boven water zijn, behouden zijn, niet te vreezen hebben, être en sureté, n'avoir rien à craindre; Sewel, 138: Boven water zyn, to be save, out of the scrape; Ten Doornk. Koolm. III, 521 a: wër bafen water kamen od. wesen, wieder über Wasser kommen, nicht mehr in Gefahr sein. De uitdr. (weer) boven water zijn (of komen) wordt ook gebezigd van iemand, die een tijd onder water (weg, ziek of aan het zwieren) is geweest en weer te voorschijn komt; zie no. 2526; vgl. Sjof. 217: Die knul was altijd ziek of onderweg en als ze dan om vijf uur 's morgens beginnen mosten, lag die jongen op z'n nest. En as-t-ie eindelijk boven water kwam, was-t-ie nog te lam om een poot uit te steken; bl. 219: Na twee dagen kwam-d-ie boven water, met één gulden en tien cente in zijn zak; Persl. 97: 't Is ook 'n manier van die zwabber in drie dagen niet boven water te komen zonder 'n woord te zeggen of te schrijven; fri. boppe wetter wêze.

2526. Onder water zijn,

d.w.z. weg zijn; aan het zwieren zijn; eig. van een duiker, die eenigen tijd onzichtbaar is. Hier toegepast op een dronkaard, die te veel van het nat houdt; vgl. Belg. Mus. 6, 191: Die te sere dronken sijn ende die eens rijcs mans kindekijn dicke leert te water gaen, daer leidt seldentijt coren (?) aen; Trou m. Bl. 10: Ghy sijt gaeren bijden watere (tegen een drinkebroer); Winschooten, 348: Wel te Waater willen, wel onder Waater willen; gaarn met sijn neus in het nat sijn: natgierig sijn; W.D. Hooft, Verl. Soon, 7; 37; Spaan, 150; Huygens, VII, 215:

 Dat Heer-Oom in 't gelagh wel onder water will,
 En maeckt in Roomertjens noch Roomers geen verschill,
 Sal, meent hij, sijn lang leven sijn.
 Mijn' Heeren, lett eens, seght de Pater,
 Slecht Hout vergaet niet onder water,
 Ben ick vergancklick onder wijn?

Halma, 768; Hij gaat gaarne te water, hij houd veel van 't nat, il aime le piot; Harreb. II, 440 a; III, CXXXIII; S.M. 37: Ze maken samen 'n reissie - och grut, mens! je begrijpt 'k had in 't geheel geen erg, maar nou - zoo'n veertien dagen onder water; Jord. II, 466: Toch hoorde hij van allen kant dat ze in de sloep meegedronken had. Bovendien bleef ze onder water; Nw. Amsterdammer, 2 Jan. 1915 p. 3 k. 2: Nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde 'k weer in Artis Pictura; Van Lennep, 258: onder water zijn, dronken zijn; fri. under wetter wèze, niet bij zijn zaken zijn. Vgl. gron. doen, dronken, eig. ondergedompeld (Tijdschr. 34, 5).

2528. In het water vallen,

d.w.z. mislukken, vooral van feesten en ondernemingen gezegd. Zie Harrebomée II, 438: Dat valt in het water. Men zegt dit van een' zoo genoemd geestigen zet, die niet opgaat; afrik. die plan het in die water geval; Schuermans, 845 a; Antw. Idiot. 306; 1420 en Joos, 95: van de brug in 't water vallen, mislukken; Land van Aalst: hij is met zijn gat in 't waterken gevallen, hij heeft fiasco gemaakt; in de Neder-Betuwe: in de geut valle (V.d. Water, 79; Onze Volkstaal II, 86); fr. tomber dans l'eau; hd. ins Wasser, in den Brunnen fallen; eng. to fall to the ground; to go to water; fri. yn 't wetter falle.

2527. Gods water over Gods akker laten loopen,

d.w.z. de zaken haren wereldschen gang laten gaan, zich niet om 's werelds loop bekommeren. Op de oudste plaats, Campen, 107, waar de uitdr. voorkomt, luidt deze zegswijze: hy laet Godts water over Godts land gaen, in welken vorm wij ze ook aantreffen bij Brederoo, Symen s. Soeticheit, vs. 211: Mijn leyter gants niet aen, ick laet Gods water over Godts acker gaen; Winschooten, 348: Gods waater laaten gaan oover Gods akker; fioolen laaten sorgen: sig nergens meede bekommeren; vgl. verder Sewel, 940; Halma 768; Waasch Idiot. 260. In Limb. Gods water over Gods leem laten loopen (Welters, 89). Ook in den vorm eener vermaning bij Spieghel, 299: laat Goods water over Goods akker gaan, dat wellicht beteekent: maak u niet noodeloos bezorgd, laat het aan God overVgl. eene plaats uit Huygens, Hofwijck vs. 827: Ick sien het sorgeloos en op sijn Hofwycks aen, // En laet Gods weer en wind Gods acker over gaen; dat te vergelijken is met het fri. hy lit Gods wyn oer Gods lân waeije, en waar de beteekenis zijn kan: ik laat alles aan God over, in welken zin de zegswijze ook in het Duitsch voorkomt..Dat deze gunstige bet. de oudste is, is niet waarschijnlijk; tenminste bij Campen komt ze voor in den hedendaagschen ongunstigen zin, zooals uit de plaatsing aldaar blijkt. Reeds vroeg komt naast het wkw. ‘gaan’ ook ‘loopen’ voor; zie Sart. III, 9, 41: Godts water over Godts acker laten loopen, violen laten sorgen, hoc est, animo otioso, securo, vacuoque esse; V. Beverwyck, Schat d. Ges. 23 a; Brederoo I, 250; C. Wildsch. III, 72; Adagia, 27: Godts water over godts bodem laeten vaeren, in utramvis aurem dormireDeze zegswijze op beide ooren slapen is ook in het Ndl. bekend; vgl. Huygens, Hofwijck, 2575 en Handelsblad, 5 Maart 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 3: Schiller heeft het reeds gezegd, dat in die dagen de Duitschers op beide ooren sliepen; De Telegraaf, 15 Jan. 1915 (avondbl.) p. 2 k. 6: Daarentegen kunnen de ambtenaars, die met afzetting zijn bedreigd of reeds hun ontslag gekregen hebben, omdat zij niet willen komen werken voor de Duitschers, gerust op hun beide ooren slapen; Antw. Idiot. 889: op allebei zijn ooren slapen, ergens gerust in zijn; fr. dormir sur les deux oreilles; hd. auf beiden Ohren schlafen.; Br. v. Abr. Bl. I, 86; Ndl. Wdb. V. 216-217; Archief IV, 339-341; Harreb. I, 12 b; Heyermans, Ghetto, 89: Jij laat God's water over God's akker loopen - en, en as 't te laat is maakje lawaai; Handelsblad, 1 Maart 1914 p. 1 k. 4: Hij (de Albaniër) zit voor zijn huis en rookt zijn tsjiboek. En laat verder Gods water over Gods land loopen; afrik. hij laat maar Gods water oor Gods akker loop. De oorspr. bet. is volgens Tuinman I, 172 en het Ndl. Wdb. II1, 18: het water over het land laten loopen, zonder moeite te doen om het ‘bij overstrooming door dijken of dammen te keeren’, eene meening, die steun vindt in de door Schuerm. Bijv. 102 b, 't Daghet XII, 112 en Antw. Idiot. 1420 vermelde uitdr. Gods water over Gods dijk laten loopen. Voor het Nederduitsch zie Taalgids IV, 270; Woeste, 317 a; Eckart, 167; vgl. fr. laisser couler l'eau; hd. Gottes Wasser über Gottes Land laufen lassen.

2529. In troebel water is 't goed visschen.

In troebel waater is het goed vissen, de reeden is, om dat de vis dan minder uitkijk heeft, om sig te wagten: oneigendlijk werd daar door te verstaan gegeeven, dat men in verwarde tijden, en saaken, de beste geleegendheid heeft, om winst te doen’ (Winschooten, 332Men moert het water, waardoor de visch boven komt, die men dan zoo maar kan uitscheppen.); mlat. flumen confusum reddit piscantibus usum (Werner, 33). Het spreekwoord wordt aangetroffen bij Despars I, 12: Dat in troubel water goet visschen was; Goedthals, 53: Het is goet visschen, daert water ghestoirt is, il faict bon pescher en eaue trouble; Idinau, 272:

 In trouble water, ist goet visschen.
Alst water beroert is, dan ist goedt visschen.
 So werden som rijck in trouble tijden:
 Dan siet-men die roer-makers hen eerst uyt-visschen
 En in ander-liens schade hen ver-blijden.
 T'quaedt werdt wel vergolden met d'eeuwigh lijden.

Ook in Interest v. Holland, 128; 209; Huygens VI, 125: Het oude woort en kan niet missen, in onklaer water is goet vissen; Hooft, Ned. Hist. 583; Pers, 223 a; 846 b: in droef water visschen; Vondel, Leeuwendalers, vs. 934:

 Het spreeckwoort zeit: in troebel water is 't goet visschen:
 Want geen krackeel zoo klein, men haelt 'er voordeel uit.
 Waer slagen vallen, valt gemeenelijck goê buit.

Zie verder Cats I, 458; Tuinman I, 239; Halma, 423; V. Janus, 12; III, 153; Harreb. II, 441 a; III, 359; afrik. in troebel water vis vang; Waasch Idiot. 715: in troebel water visschen, profijt trachten te trekken uit anderer geschil; Antw. Idiot. 2136; en vgl. Joos, 83: vischt terwijl het water blond is; fri. yn tsjok (dik) of troebel wetter is 't goed fiskjen; fr. il fait bon pecher en eau trouble; hd. in trüben Wassern ist gut fischen; im Trüben fischen; eng. it is good fishing in troubled waters (Wander IV, 1808); to fish in troubled (or foul) waters.

2530. In (of op) zulke waters vangt men zulke visschen.

Men bezigt deze uitdrukking als iemand de nadeelige gevolgen ondervindt van eene slechte daad, loon naar werk krijgt; mlat. in tali tales capiuntur flumine pisces; in magno grandes capiuntur flumine pisces (Werner, 40). In de Prov. Comm. 437: in sulcken riviere vangtmen sulcke vissche, in tali tales capiuntur flumine pisces; Bebel, no. 182: in tali flumine tales capiunter pisces; dicitur in illos, qui sua temeritate et voluntate periculum inciderunt; vel etiam in bonum dici potest; Winschooten, 348: In sulke waaters vangt men sulke vissen: dat is, men krijgt loon naa werken. Zie verder in de 17de eeuw Hooft, Brieven, 270, waar de bet. evenwel is: van zulke menschen verwacht men zulke daden, in welken zin het spreekwoord ook voorkomt bij Coster, 537 vs. 1293; Brederoo, Klucht v.d. Koe, vs. 671; Huygens V, 96; De Brune, 240; 476; V. Moerk. 94:

 Dat de pry my bedrieghen wou, hoord ick wel te gissen:
 Somma op sucke waters vangtme sucke vissen.

Tuinman I, 296 en II, 197 kent het spreekwoord alleen in den zin van: ‘dit zijn de vruchten van zulk een bedrijf’; zoo ook Sewel, 941: Op zulke waters vangt men zulke visch, that's the reward due to such doings; door Van Dale worden beide beteekenissen vermeld. Zie verder Harreb. I, 291 a; Schuerm. 845 b; Antw. Idiot. 1420; in Waasch Idiot. 714: op zulke vijvers vangt men zulke visschen, zulke werken hebben zulk gevolg; vgl. Jahrb. 38, 164: in söcken Water fänkt man söcke Fiske; Woeste, 317 a; hd. in solchem Wasser fängt man solche Fische; fr. telle eau, tels poissons; Harreb. I, 83 a: in zulke bosschen vindt men zulke vogels; in het fri.: op sokke wetters fangt men sokke fisk, zoo oorzaak zoo gevolg; ook: soort zoekt soortMag ook vergeleken worden Spieghel, 297: In zullich water, zullighe visschen?.

2531. Stille waters hebben diepe gronden,

d.w.z. ‘in (of achter) lieden, die zich weinig uitlaten, zit (steekt) dikwijls meer dan men naar den uiterlijken schijn vermoeden zou. Vaak gebezigd met betrekking tot of in toepassing op min gunstige eigenschappen (arglistigheid, dubbelhartigheid, valschheid en derg.)’; Ndl. Wdb. V. 934. Dit spreekwoord komt, zooals Wander IV, 1813-1814 aantoont, in zeer vele Europeesche talen voor. Voor het Latijn vgl. Cato, Dist. 4, 31: quod flumen placidum est, forsan latet altius unda of altissima quaeque flumina minimo sono labuntur; non credas undam placidam non esse profundam (Werner, 56); gri. σιγηρου ποταμου τα Βαθη γυρευε (Krumbacher, 71); sigma;ιγηρος ποταμος κατα γην Βαθυς. Voor onze taal zie Dist. Cat. bl. 49:

 Die ghene die zwighen ende lettel spreken,
 Si conen vele quader treken;
 Men seit: die vloet, die stille staet,
 Soe es dieper dan die harde gaet.

Campen, 107: Stille wateren hebben diepe gronden; Spieghel, 279; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1260; Cats I, 458; 459:

 Ick heb het met 'er daet bevonden,
 In stille waters diepe gronden.

Van Moerk. 80; Winschooten, 347: Stille waaters hebben diepe gronden, het welk oneigendlijk beteekend, luiden die stilzwijgen, die weeten meer, als die geen die veel praats hebben: en in quaader sin: sij sien of sij geen vijf tellen konden, en sij hebbender wel tien in de mouw: sij hebbense (seggen sommige) agter haar ooren; De Brune, Bank. I, 108; 152; Starter, 420; Mergh 55; Paffenr. 95; Plaiz. Kyv. 26. Zie verder Tuinman I, 150; C. Wildsch. III, 39; Adagia, 2: alle stille waterkens hebben diepe gronden, simplex appatet, simplicitate caret; Halma, 768; Adagia, 59: stille waterkens hebben diepe grondekens; Sewel 940: Stille waters hebben diepe gronden, standing waters have muddy bottoms or are dangerous; silent men are thinking men, and not easily sonded or pumped; Harrebomée I, 261; Nederland, Aug. 1914, p. 462: En thuis zei hij geen woord meer dan noodig was: Stille wateren hebben diepe gronden; afrik. stille waters diepe grond, onder draai die duiwel rond; Eckart, 555; De Bo, 1372; Joos 147: stille waters hebben diepe gronden; hoe stiller water hoe dieper boôm; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 630 b; 732 a: stille waterkens hebben diepe gronden; Ten Doornk. Koolm. III, 521; fri. stille wetters habbe djippe grounen; fr. il n'y a pire eau que celle qui dort; hd. stille Wasser sind tief; stille Wasser tiefe gründe; eng. still waters run deep.

2532. In de eene hand water en in de andere vuur dragen,

d.w.z. zich nu op de eene wijze, dan weder op eene andere wijze voordoen; dubbelhartig zijn; uit twee monden spreken. De zegswijze wordt aangetroffen in het Grieksch bij Plutarchus: τη μεν υδωρ εφορει δολοφρονεουσα χειρι, τη δε ετερη το πυρ. Vgl. voor onze taal Rose, 989:

 Daer es menich verradere fel,
 Die vor die liede can smeken (vleien) wel
 Ende vore blusschen ende achter bernen,
 Daer si goede liede mede ernen (boos maken).

Vad. Mus. I, 326, 73: 't Fier draghen si in die ene hant ende dander hant es selden sonder water; Scaecspel, 75; Goedthals, 62: in deene hant watere, in dandere vier draghen, porter le feu et eaue; Campen, 36: hy draecht het water in deene hant, ende tvuyr in dander; Sart. I, 8, 97: altera manu fert lapidem, panem ostentat altera: hy dracht het vier in de een handt, ende water in dander handt, qui coram blandiuntur clam obtrectantes, palam amicos agunt, clanculum nocent cet.; III, 10, 48; Erasmus, VIII; Idinau, 24; Winschooten, 122: Vuur in de eene hand draagen, en het waater in de andere hand: schoon voor het oog: maar vals agter de rug; Tuinman I, 186; II, 216; Adagia, 42: In d'een handt heeft hy waeter, in d'ander handt heeft hy vier, altera manu fert lapidem, panem ostentat altera; Harreb. I, 279 a; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 711 b; Rutten, 272; Ten Doornk. Koolm. III, 521. Syn. was heet (of warm) en koud uit één mond blazen (vgl. Ndl. Wdb. VI, 399; II, 2807); eng. to blow hot and cold. Op Goeree en Overflakkee beteekent hij blaast hitte en kou uit één gat, hij spreekt zich zelf tegen. Vgl. fr. souffler le chaud et le froid.

2533. Veel water vuil maken om iets,

d.w.z. veel omslag, onnoodige drukte om iets maken. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Vgl. Witsen, 514: Vuyl water maken; dit wert gezeght als een schip door de modder sleept, zonder echter gront te rakenVgl. ook het eng. the ship makes foul water. Bij 't roeien spreekt men van iemand vuil water geven, vóór hem gaan roeien, zoodat hij in de golven van de boot roeit.; bl. 512: Veel water vuyl maken; oneigentl. veel moeiten om eenige zaek doen, eigentl. met schepen door ondiepten varen, waer in men zeer moet arbeiden om voort te komen; vgl. verder Winschooten, 348: Veel Waaters vuilmaken: groot boohaa maaken; Gew. Weuw. III, 70; Hooft, Brieven, 187: Wanneer men ook niet terecht geraakte, zoude 't luttel vals hebben, zoo veel waaters te vergeefs vuil te maaken; Huygens, Korenbl. II, 178; Brederoo, Moortje, 2314; Lichte Wigger, 13 r; Van Effen, Spect. VI, 205: Dat gy het de pyne niet waerdig agt om over so gering een onderwerp veel water vuyl te maken: Brieven v. Abr. Bl. II, 209; C. Wildsch. III, 72; 316; Tuinman I, 15; Halma, 768: Veel waters vuil maaken, faire plus de bruit que de besogne; Sewel, 926: Veel waters om iets vuil maken, veel gerucht over iets maaken; Harreb. II, 442 aBij Westerbaen II, 765: Hoe minder waeter dat ghy daerom onklaer maeckt hoe eerder dat de min uyt uw gedachten raeckt..

2534. Het water van de zee kan dat niet afwasschen,

gezegd van eene onafwischbare schandvlek; eene schuld die niet weg te nemen is, een smaad, waarvan men zich niet zuiveren kan, een schuld of eene verplichting, waaraan men zich niet kan onttrekken. Vgl. Sart. III, 4, 87: de Zee kan veel afwasschenLaurillard, 77 zoekt den oorsprong dezer zegswijze in den Doop, zoodat de gedachtegang dan deze zou zijn: de Doop neemt vlekken en smetten weg; maar dit is een vlek en een smet, die niet weg te wasschen zou wezen, al doopte men met al het water der zee (vgl. hiermede Ndl. Wdb. I, 1497 en vooral 1808-1809). Oorspronkelijk schijnt zeewater ook gebruikt te zijn bij de symbolieke reiniging der handen (no. 802) en thans bevat het doopwater en wijwater in de Katholieke kerk ook nog zout. Vgl. het gri. θαλαsigma;σα κλυζει παντα τ' ανθρωπων κακα; Sp. Hist., III7, 42, 53: Henen gaet hi ende baet oft water conde afdwaen (afwasschen) sine dorperlike zonde; Sp. der Sond. 14725; Erasmus CCLX; Borchardt, 519.. Eene sedert de 16de eeuw gebruikelijke zegswijze, blijkens Van Lummel, 176:

 Ghy meucht u niet schoon wassen,
 Al hadt ghy al 't water uit der zee.

Verder vindt men ze bij Brederoo III, 28: Betichting, quade lof, die 't water van de zee niemant kan spoelen of; Rodenburgh, 67: Want all' de Zuyder-zee en wascht de vleck niet af; Winschooten, 247: Dat sal hem al het seewaater niet afwassen: dat is, met die huik sal hij al sijn leeven moeten te kerken gaan; Pers, 236 a: Dese schandvlecke soude hun oock al het water van de zee niet konnen afwasschen; Plaiz. Kyv. 52: Eene eerlijke Juffer haar zuiverheid zo bevlekken, dat het water van de zee haar niet heeft konnen reinigen; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1254; Al 't water van den Nijl kan deze gruwelvlecken niet wasschen uit zijn faem; Tuinman I, 14; Sewel 981: Dit zal hem al het zeewater niet afwasschen, all the water of the sea will not cleanse him of that; Harreb. II, 438 a; III, 358 a; Amst. 79: Als je nog langer wacht, moet je dubbel geven; dat wascht 't water van de zee niet af; Nest, 98; Slop, 165: Al 't water van de zee kon hem daarvan niet schoonwasschen; Nkr. III, 14 Nov. p. 5; De Arbeid, 5 Dec. 1914 p. 4 k. 4: Er blijft dus niet anders over dan te bewijzen dat Jensch liegt of anders wascht het water der zee niet af dat zij met de bezittende klasse onder één hoedje heeft gespeeld; afrik. die water van die see kan hom nie skoon was nie. Ook in het Friesch: dat wasket de sé dy net of, daar kom je niet vrij van, nl. iets te doen, vooral te betalen, waarvan men afkeerig is; nd. dat kann uns de Rhin nitt afwasken (Eckart, 431; Jahrb. 38, 161); hd. er kann es mit Seewasser nicht abwaschen (Wander IV, 497).

2535. Verdrinken, eer men water heeft gezien.

Deze sedert de 17de eeuw voorkomende zegswijze luidde toen eenigszins anders; vgl. Winschooten, 348: Hij is verdronken eer hij Waater kende: dat is oneigendlijk, hij is geknapt, hij heeft seer los te werk gegaan: hij heeft sig vergreepen. Vooral gebruikt in toepassing op jonge lieden, die zich te vroeg ‘verslingerd’ hebben, zooals Tuinman I, 87 het verklaart en ook blijkt uit Van Effen, Spect. V, 181: Het is baarblykelyk, dat zonder zo eene nutte teugel, duizenden van jonge luiden, vervoert door de nauwlyks weerstaanbare drift der eerste kalverliefde, zig verdrinken zouden eer ze water kenden, en een korte voldoening met een eeuwig berouw betalen; Middelb. Avant. 77: Dus wierd ik verstrikt en verzoop aleer ik water kende; C. Wildsch. I, 24; Br. v. Abr. Bl. I, 41; Sewel, 941: Hy is verdronken eer hy 't water kende, he perished before he knew the danger of the business; Harreb. II, 440 b; Antw. Idiot. 1330; 1362; Rutten, 272 (in den zin van te jong getrouwd zijn); Waasch Idiot. 703: U versmooren veur dat ge 't water kent, zeer jong trouwen; Van Lennep, 239 met de verklaring ‘zich zedelijk of lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad’; in fri. fordrinke ear 't min wetter sjoen het; Twente: verzoepen eer men water veult.

2536. Bang zijn zich aan koud water te branden,

d.w.z. uit vrees voor een (denkbeeldig) gevaar alle mogelijke voorzorgen nemen alvorens iets te ondernemen; meestal gebruikt ‘om eene ongerijmde voorzichtigheid bespottelijk te maken’; Ndl. Wdb. II1, 971; Harreb. I, 31 a; De Telegraaf, 7 Jan. 1915 (avondbl.) p. 5 k. 1: Een onbegrijpelijke angst zich aan koud water te branden; Handelsblad, 10 Sept. 1913 (avondbl.) p. 1 k. 2: Hoe gereserveerd en deftig en fatsoenlijk bleven duizenden (in 1813) de kat uit den boom kijken. Hoe waren er velen bevreesd zich aan koud water te branden; 25 Maart, 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 5: Mits wij geen vrees koesteren om ons aan koud water te branden en op kleine wijze in onze principiëele schulp gaan kruipen; Het Volk, 24 Febr. 1914 p. 6 k. 2: Het is een stumperige manier van doen en teekent den geest van de leiding der voerliedenvereeniging, die bang is zich aan koud water te branden; in het Friesch: hy is bang dat er him oan kâld wetter barne scil; afrik. hy brand hom aan kou water. De zegswijze is ontleend aan de vrees der honden en katten, die wanneer ze zich eens aan heet water gebrand hebben, ook bang zijn voor koud water. Vgl. lat. tranquillas etiam naufragus horret aquas; mlat. igne semel tactus timet ignem postmodo cattus; De Brune, Bank. I, 99: Een gheschoude kat heeft oock vreeze van koud water; fr. chat échaudé craint l'eau froide; hd. eine gebrühte Katze (oder ein verbrühter Hund) scheut auch das kalte Wasser; eng. a scalded cat (or dog) fears cold water (Wander II, 1175).

2537. Hij is met dat water al eens meer voor den dokter geweest,

eig. die ziekte heeft hij al meer gehad, dat zelfde geval heeft hij al meer ondervonden; hij heeft daar ervaring van; eene herinnering aan den tijd, toen de dokter veelal de ziekte opmaakte uit de urine; Huygens, Korenbl. II, 412Vgl. in de middeleeuwen de benaming kijcpisse, later piskijker; zie Taal en Letteren III, 169.. Zie W. Leevend, II, 126: Ik heb ook elfmaal met den Prins over de Maas, en met dat water by den Docter geweest; Br. v.B. Wolff, 114: Je weet ik bin en vrouw van veul ondervinding en ik heb zo dikkels met de Prins over de Maas geweest, ik heb zo dikwyls met dat water voor den dokter geweest; Harreb. I, 141 a; Oude Tijd, 1871, bl. 308; Molema, 579: al voaker mit dat woater veur dokter west hebben, al vaker in hetzelfde onaangename geval verkeerd hebben; in het Friesch: hy het faker mei dat wetter foar 'e dokter wêst, hij heeft in dat werk ervaring opgedaan. Op Goeree en Overflakkee: Hij zal met het water voor den dokter moeten komen, hij zal opening van zaken moeten geven, syn. van nu moet hij met zijn billen bloot komenN. Taalgids XIII, 138 en vgl. de uitdr. zien wie de blankste billen heeft, wie 't wint, wie het 't best kan (Ndl. Wdb. II, 2690)..

2538. Van het zuiverste water,

d.w.z. van de eerste, beste soort; van de fijnste kwaliteit. Een term ontleend aan een edelgesteente, welks glans water genoemd wordt naar de glinstering en kleurschakeering van golvend waterVgl. hiermede het adj. gewaterd, gezegd van stoffen, die golvende, glinsterende kleurschakeeringen vertoonen, fr. moiré; Ndl. Wdb. IV, 2016-2017.. Vgl. V. Linschoten, Itiner. 107 a: Dat sy (de diamant) niet droevigh (troebel) van water is dan (maar) claer ende suyver; Halma, 768, die water verklaart als luister of glans van de paerlen, diamanten en andere gesteentens; 't water van dien steen is niet zuiver, l'eau de ce diamant n'est pas claire ou nette; Sewel, 941: Water, glans of luister op de paerlen, water; Van Effen, Spect. X, 4: Een juweel, verheerlykt door de helderste glans, en het zuiverste water; Nest, 46: Het is een lol-maker van het zuiverste water; Dievenp. 115: Hij was een dieven-koopman van 't zuiverste water; Handelsblad, 17 Mei 1914 p. 5 k. 3: De waterval van Niagara is een beroemdheid van het eerste water; Nw. School, VI, 357: Dan treedt er een gedegenereerd individu op, een schurk van het zuiverste water. Ook in het Fransch wordt eau gebezigd in den zin van ‘limpidité des diamants, des pierres précieuses, des perles’, en kan men spreken van un avare de la plus belle eau = d'une avarice rare (Hatzfeld, 806 b); evenzoo in het afrik. hy is 'n vagebond van die eerste water; hd. vom reinsten (oder vom ersten) Wasser; eng. (a diamond or a poet) of the first (or the purest) water. Een syn. uitdr. is ‘18 karaats’ zijn, een beeld ontleend aan het gehalte van 't goud. Zie Ndl. Wdb. VII, 1569 en vgl. De Vrijheid, 12 Maart 1924, bl. 1 p. 4 k. 1: De heer D.v.T. die kort te voren voor een leerstoel in de homoeopathie gepleit had en wiens bezuinigingsliefde dus niet achttien karaats was.

2659. Niet kunnen zien (of lijden), dat de zon in het water schijnt,

d.w.z. afgunstig zijn op het geluk, de gunst, die een ander te beurt valt; ontevreden of boos zijn, omdat een ander iets geniet, ‘als of de zon voor hem alleen moest schynen’, zegt Tuinman I, 171. Deze spreekwijze is sedert de middeleeuwen bekend blijkens Mnl. Ged. en fr. I, 651: Het es den meneghen zeere ghepijnt, dat de sonne int water schijnt; vgl. Campen, 41: Hy mach niet lyden dat de Sonne int water schynt; zie Ons Volksleven V, 145: Dese is ghepynt om dat de son int water schynt; het Aemstelredams Amoreus Lietboek, anno 1589, bl. 93 a:

 Nummermeer en sal ick laten
 Te zijn met haer verhuecht,
 Hoewel dat nijders haten
 En benyen onsen vruecht.
 Ghy valsche Junos kinderen,
 Van binnen heel venijnt,
 Seght my, wat macht u hinderen

 Dat die sonne int water schynt?Everaert, 65, vs. 430: Hu deert dat de zunne jnt water es scynelic; Idinau, 97:

 De sommige konnen niet ghelijden
 Dat de sonne erghens in t'water schijnt;
 Als men yemandt deught doet, sy dat be-nijden.
 Eens anders wel-vaert hen quelt en pijnt.
 Sulck bijt van binnen die van buyten grijnt.

Zie nog Coster, 513, vs. 531; Smetius, 39; V.d. Venne, 201: De son mach wel in 't water schijnen, al sou het ooge daer van pijnen als kantteekening bij:

 Snappers, die een aer benyen,
 Hoe ken yemant die noch lyen?
 Kyvers, die het harte pijnt
 Als de Son in 't Water schijnt.

Snorp. II, 13; W.D. Hooft, Verloren Soon, 2 v; Sewel 994: Hy mag niet lyden dat de zon in 't water schynt, he understands no joke, he can 't suffer the sport of young people; Adagia, 7: Benijden dat de Son in t' waeter schijnt, invidere solem undis; bl. 33: Hij benyt dat de Son in 't waeter schijnt, figulus figulum odit; Harrebomée II, 440 b; B.B. 52; P.K. 188; Nkr. VII, 6 Dec. p. 2; Nw. Amsterdammer, 30 Januari 1915, p. 11 k. 1; Antw. Idiot. 1420; 2177: ik kan lijden dat de zon in 't water schijnt, als ik de grootste straal maar heb; De Bo, 1372; Schuermans, 813 b, waar naast deze spreekwijze nog wordt opgegeven: hij kan niet verdragen dat de zon in iemands vijver schijnt (vgl. ook 't Daghet XIII, 47). In het Friesch: ik mei de sinne wol yn 't wetter skinen sjên, ik zie wel gaarne de zon in 't water schijnen; dat anderen gelukkig zijn.Op een bas-relief in het Stadhuis te Brussel is dit gezegde in beeld gebracht als een mansfiguur het hoofd afwendende, terwijl vóór hem de zon op 't water schijnt; zie P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Nederlandsche Kunst der Middeleeuwen, blz. 202.. Zie no. 1690.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut