Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

was - (het wassen; wasgoed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wassen 1 ww. ‘met water reinigen’
Onl. waskan ‘wassen’ in hendi sina uuascon sal an bluodi sundigis ‘(hij) zal zijn handen wassen in het bloed van de zondaar’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. wasschen ‘wassen’ in der siecker cleder waschen ‘de kleding van de zieken wassen’ [1236; VMNW], Doen men den lichame wiesch ‘toen men het lichaam waste’ [1276-1300; VMNW], soude gaen. Te watre sine voete duaen. Ende dar hise wasscen soude. Quam een grod visch ‘wilde in het water zijn voeten gaan wassen; en net toen hij ze ging wassen, kwam er een grote vis’ [1285; VMNW].
Os. wascan (mnd. waschen); ohd. waskan (nhd. waschen); nfri. waskje; oe. wascan, wæscan (ne. wash); < pgm. *waskan- ‘wassen’. Het zwakke werkwoord on. vaska ‘wassen’ (nde. vaske), gaat of terug op pgm. *waskōn- (Hellquist, Bjorvand/Lindeman), of het is ontleend aan het Middelnederduits (De Vries 1962, ODS).
Daarnaast bestond een algemeen Germaans synoniem *þwahan- (mnl. dwaen, on. þvá enz., zie verder het daarvan afgeleide → dweil). In het Oudengels, en in mindere mate in het Oudhoogduits, lijkt er een betekenisverschil te bestaan tussen beide woorden: *waskan- voor het wassen van kleding, *þwahan- voor het wassen van het lichaam, vaatwerk en andere zaken. Het is onzeker of dit op een oorspronkelijk onderscheid wijst. In elk geval is *þwahan- in alle West-Germaanse talen en in het Noord-Germaans en het Deens verouderd, terwijl het in het IJslands in de vorm þvo juist het gewone werkwoord voor ‘wassen’ is geworden. Het Zweedse woord is tvätta, dat is afgeleid van een abstractum *þwah-tu-.
Herkomst onduidelijk. Er zijn geen zekere verwante woorden buiten het Germaans. Men verklaart het woord meestal met vereenvoudiging van de medeklinkercluster uit *wat-sk-an- < pie. *uod-sḱo-, bij de wortel van → water (FvWS, NEW, Toll., EDale, Kluge21, BDE, OED, Hellquist). Dat lijkt onwaarschijnlijk, omdat men bij een nominale wortel geen sterk werkwoord zou verwachten en er bovendien geen aanwijzingen zijn dat water zelf ook teruggaat op een verbale wortel (Kluge, Bjorvand/Lindeman), waarvan dan ook *uod-sḱo- afgeleid zou zijn. Volgens een andere theorie is het woord verwant met Oudiers fáisc- ‘drukken, wringen’, Welsh gwascu ‘id.’, uit Proto-Keltisch *wā(d)-sko- (FvW, Seebold 1970), bij de wortel pie. *uedhh1- (LIV 660). Een derde mogelijkheid (Bjorvand/Lindeman) is afleiding met het reeds genoemde *-sḱo- van de wortel van → waden, met vereenvoudiging *-dhsḱ- > pgm. *-sk-, en waarbij pgm. *waskan- de sterke vervoeging van wadan- (pret. wōd-) heeft overgenomen.
Oorspr. was dit een sterk werkwoord van de zesde klasse: mnl. wasschen, woesch(en), ghewasschen; al vroeg in het Middelnederlands heeft de verleden tijd woesch plaatsgemaakt voor wiesch. De zwakke verleden tijd waschte begon in de 17e eeuw voor te komen en heeft de sterke vorm in de standaardtaal uiteindelijk volledig verdrongen.
was 2 zn. ‘wasgoed’. Vnnl. wasch ‘het wassen’ [1574; Kil.]; nnl. ‘wasgoed’ in Bleeckeryen van Linnen, Garens, Wasch [1706; iWNT], ‘hoeveelheid wasgoed die in één keer gewassen wordt’ in Deze vrouw heeft elke week vijf wasschen [1905; iWNT]. Afleiding van wassen. ♦ washand zn. ‘waslap die om de hand past’. Nnl. washandschoen, ... ook washandje “wantvormige wasdoek” [1946; Kramers III], washandje “badhandje” [1950; Van Dale] (badhandje is niet als trefwoord opgenomen, wel badhandschoen “want van badstof om zich mee te wassen”), washand [1991; Van Dale HN]. Verkorting van washandschoen [1939; Wolters EN washing-glove], een samenstelling van wassen en → handschoen. Daarnaast bestonden ook badhandschoen [1884; Leeuwarder Courant] en badhandje, maar deze woorden zijn verouderd. Lange tijd is alleen de vorm washandje gebruikelijk geweest. Door terugvorming komt tegenwoordig ook de vorm washand zonder verkleiningsachtervoegsel voor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

was 3 znw. m. ‘het wassen, wasgoed’, Kiliaen wasch, vgl. nog ohd. waska en weska v. (nhd. wäsche). Afl. van wassen 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wasch znw. Kil. wasch. Van wasschen; evenzoo ohd. waska v. (nog opperdu. wasch(e)) naast weska (nhd. wäsche) v.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

was[ch]. Reeds mnl. wassche, wasse v. ‘het wassen’. Het Ags. heeft wæsc v. ‘id.’ (eng. wash).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2was s.nw.
1. Handeling van te was (1was). 2. Wasgoed.
Uit Ndl. was (1574 in bet. 1, 1657 in bet. 2).
D. Wachs, Wäsche, Eng. wash (1663 in bet. 1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

was ‘dingen die gewassen moeten worden’ -> Menadonees was ‘dingen die gewassen moeten worden’; Negerhollands wasch, was ‘dingen die gewassen moeten worden’; Papiaments was ‘dingen die gewassen moeten worden’; Sranantongo wasi ‘dingen die gewassen moeten worden’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Een kind kan de was doen [uitdrukking] (1892). In een advertentie voor de ‘Waschmachine Simplex’ verschijnt voor het eerst de leus “Een kind kan de wasch doen”, die spreekwoordelijk is geworden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut