Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

was - (vettige stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

was 1 zn. ‘vettige stof’
Onl. was ‘was, door bijen geproduceerde grondstof voor kaarsen’ in also uuahs that flutit ‘zoals was die vloeit’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. was in .i. pont was ende en vierendeel ponds wasses ‘één en een kwart pond was’ [1265; VMNW].
Os. wahs (mnd. was); ohd. wahs (nhd. Wachs); ofri. wax (nfri. waaks, waachs); oe. weax (ne. wax); on. vax (nzw. vax); < pgm. *wahsa-. Zie ook → gewiekst.
Verwant met: Litouws vãškas ‘was’, Lets vaska, vaska ‘id.’; Kerkslavisch voskŭ (Russisch vosk); < pie. *uokso- of *uos-ko- (IEW 1180). Verdere aanknopingspunten zijn zeer onzeker, bijv. verband met de wortel pie. *ueg- van Latijn vēlum ‘doek; zeil’ (vergelijk Duits Wabe ‘honingraat’ bij → weven) of met de wortel van → wiek. Mogelijk is er sprake van ontlening aan een voor-Indo-Europese taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

was* [bijenwas] {oudnederlands wahs 901-1000, middelnederlands was} oudsaksisch, oudhoogduits wahs, oudfries wax, oudengels weax, oudnoors vax; buiten het germ. litouws vaškas, oudkerkslavisch voskŭ; vermoedelijk verwant met weven, mogelijk echter met wassen [groeien]. De uitdrukking hij zit goed in de slappe was [hij heeft veel geld] komt eig. van soldaten. Slappe was werd gebruikt voor het glimmend maken van leer. Overdrachtelijk werd de betekenis ‘er warm bij zitten’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

was 2 znw. m. o. ‘stofnaam’, mnl. was, onfrank. os. ohd. wahs (nhd. wachs), ofri. wax, oe. weax (ne. wax), on. vax o. Lidén SVS Uppsala 6, 1897, Nr. 1, 28 wil voor germ. *wahsa- uitgaan van idg. *u̯eg ‘weven’, waarop hij ook wiek terugvoert, vgl. nog oiers figim ‘weven’, lat. vēlum ‘doek, zeil’. Men kan dan uitgaan van een idg. wt. *u̯ē ‘weven, vlechten’ met afl. behalve deze met gutturaal, ook met dentaal (zie: gewaad) en met labiaal (zie: weven). — Verwant met *wahsa maar met sk voor ks zijn lit. vãškas, lett. vasks, osl. voskŭ, russ. wosk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

was znw. (het, de), mnl. was (ss) o. Met ss uit χs. = onfr. ohd. wahs (nhd. wachs), os. wahs, ofri. wax, ags. weax (eng. wax), on. vax o. “was”. Wellicht bij wassen; voor de bet. vgl. lat. cêra “was”: crêsco “ik groei”, procêrus “lang en slank” (zeer onzekere etymologie voor cêra). Anderen gaan van idg. *wog-so- uit en combineeren ier. figim “ik weef”, lat. vêlum (*vêxlum) “gordijn, zeil”, oi. vâgurấ- “net, strik”. Voor de bet. vgl. dan ohd. waba v. “honingraat” bij weven. Zie nog wikkelen. Slav. (o.a. russ.) voskŭ, lit. vãszkas “was” worden door sommigen voor ontleend uit ’t Germ. (daarna overgang van ks in sk), door anderen voor oerverwant resp. identisch met germ. *waχsa- gehouden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

was o. (bijenwas), Mnl. id., Onfra.,Os. wahs + Ohd. wahs (Mhd. id., Nhd. wachs), Ags. weahs (Eng. wax), Ofri. wax, On. vax (Zw. id., De. voks) + Osl. voskŭ, Lit. vaszkas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3was s.nw.
Vetterige stof van dierlike of plantaardige oorsprong.
Uit Ndl. was (al Mnl.). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling wasplant en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Wachs, Eng. wax (805 - 1375).

4was ww.
Met was (3was) bestryk.
Uit Ndl. wassen (al Mnl.).
D. wachsen, Eng. wax (1380).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

was I: s.nw., bep. stof in heuningkoeke (byewas); stof in oor (oorwas) en kunsmatige was(se); Ndl. was (Mnl. was), Hd. wachs (v. waks), Eng. wax, herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Was (Goed in zijn slappe) zitten, er warmpjes in zitten, ’t ruim hebben, eig. soldatenuitdrukking; in dienst wordt het leergoed met slappe was gepoetst. Goed in iets zitten, komt meer voor, en is waarschijnl. navolging van de uitdr. goed in de kleeren zitten. Het voorz. in komt op die wijze ook in vele uitdr. voor als: in zijn goud zijn, in zijn bloote hoofd loopen en derg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

was ‘bijenwas’ -> Fries was ‘bijenwas’; Papiaments was ‘bijenwas’; Sranantongo wasi ‘bijenwas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

was* bijenwas 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1630. Het is een wassen neus.

Dat wil zeggen het is iets, dat men kan vervormen, waarvan men kan maken wat men wil; vooral gezegd van bepalingen en verordeningen, die men kan uitleggen zoo men wil; vandaar verstaat men onder ‘een wassen neus’ ook een doode letter, iets zonder beteekenis. Vgl. Marnix, Byenc. 52 r: De H. Schrift is een stomme Leeraer, een twist-boeck, doncker, onseecker, twijffelachtich, een doode Letter, een Wassen neuse ende een loode Richtsnoer, dat is te segghen: dat mense trecken, buyghen ende wenden mach, daermense hebben wil; 55 v: Hiermede maeckt sy van de Schrift een Weerhaen, die met alle winden omwaeyt, ende een Wassen neuse die sy aen alle kanten buygen kan. Vergelijk hiermede het mnd. aangehaald bij Schiller und Lübben, III, 177 a: Deyt deme rechten eynen hoeyken um, unde boeget dat vaken scheeff und krum, gherade efft yd sy eine wassene nese; De Brune, 138 en 432:

 De wet, die eer zoo heyligh was,
 Heeft nu ghelijck een neus van was.
 Men buyght de wetten naer de gunst;
 Dat houd men nu de beste kunst.

Zie nog Tuinman I, 224; Br. v. Abr. Bl. I, 275: Gods lieve heilige woord wordt een wasschen neus, en past op alles, wat men wil; Halma, 379: Een wasschen neus, die men draait als men wil, nez de cire, que l'on tourne comme l'on veut; Handelsblad, 24 Oct. 1914, p. 8 k. 2: Hooger beroep bij Gedeputeerde Staten in zake aanslag in de directe belasting naar het inkomen is een wassen neus; Nierstrasz, 74; fri. in waeksen noas; eng. a nose of wax, van personen gezegd, die men draait als men wil (Prick). De oorspronkelijke beteekenis is derhalve geweest: een neus, dien men kan vervormen, zoo men wil; waaraan men elken willekeurigen vorm kan geven, zooals een tooneelspeler dat vroeger deedVgl. Endepols, 89; Wijbrands, Het Amsterd. Tooneel, 79: 15 Julii 1639 aen Herman de Keyser voor een Wasse neus f 1:5.; bij overdracht werd deze benaming toegepast op artikelen en voorschriften, waarvan men kan maken wat men wil, die alleen als het ware voor de leus bestaan. De Russen zeggen: De wet is evenals een dissel, men wendt haar waarheen men wilZeitschrift des Vereins für Volkskunde XIV, 189..

Verouderd is de spreekwijze iemand een neus aandraaien of iemand een wassen neus maken (Weiland), hem iets wijs maken, bedriegen; mnd. einem eine wassene nese ansetten; hd. einem eine (wächserne) Nase (an)drehen, dat te vergelijken is met het vroegere mnl. Gode enen vlassenen baert maken, thans nog Zuidndl. God of onzen Heer een vlassen baard maken of aandoen (Mnl. Wdb. IX, 584; Volkskunde XIV, 147; XVI, 87; Waasch Idiot. 282 a; De Bo, 70 a), hd. Gott einen flächsenen Bart flechten; fr. faire barbe de paille à Dieu (eig. God bespottelijk voorstellen, voor den gek houden, bedriegen?) en iemand ooren (d.i. ezelsooren) aannaaien (Volkskunde XIV, 107; fri. immen ringen yn 'e earen of earen oan 'e kop naije), dat in denzelfden zin gebruikt werd; fr. faire la queue à qqn. Zie Ndl. Wdb. I, 251; II, 826; IX, 1892; XI, 38; Wander III, 955 en Grimm VII, 407-408.

2520. Goed in zijn (slappe) was zitten,

d.w.z. in eigenlijken zin veel slappe was hebben, eene soldatenuitdrukking. Slappe, zwarte was wordt gebruikt voor het glimmend maken van het ledergoedTaal en Letteren IX, 126; XV, 61; Noord en Zuid, XXVIII, 181; Woordenschat, 358; Van Ginneken II, 463: In de was zetten, iets zwart maken: ook in de slappe was zetten. De uitdrukking werd (1860-1885) vooral gebezigd van knevels door kunstmiddelen zwart maken.. Bij overdracht gebruikt men deze uitdr. in den zin van er warm bij zitten, bemiddeld zijn, 't goed kunnen stellen, wat achter 't linnen hebben (Bergsma, 6). Vgl. Nkr. II, 29 Maart p. 4:

 Geen stroozak zal mankeeren,
 Geen krib is ongeverfd,
 De slappe was in voorraad,
 Opdat geen leer bederft.

Lvl. 240: 't Was beter voor jou als jij afscheid nam van die slappewaskennissen (uit de kazerne) van je; Het Volk, 31 Oct. 1913 p. 5 k. 1:

 Amsterdam heeft duiten noodig,
 Amsterdam is slecht bij kas,
 Amsterdam zit al sinds jaren
 Mager in zijn slappe was.

Nederland, Aug. 1914, p. 441: Dan zat hij meteen goed in zijn slappe was! Zoo gek zal hij toch niet wezen, om een weduwe met vijf kinderen te trouwen!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut