Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

warmoes - (groente]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

moes zn. ‘groente- of vruchtenbrij’
Onl. muos ‘eten, voedsel’ in in gauon an muos min galla ‘en zij deden gal in mijn voedsel’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. moes ‘pap, meelspijs’ [1265-70; VMNW], ‘groente als gewas’ in coil off alreley moiss ‘kool of allerlei groente’ [1477; Teuth.].
Os. mōs ‘eten’ (mnd. mōs ‘id.’); ohd. muos ‘eten, maaltijd, brij, soep’ (nhd. Mus ‘brij’, Gemüse ‘groente’); ofri. mōs ‘brij, eten, maaltijd’ (nfri. moes ‘kool’ in boeremoes ‘boerenkool’; oe. mōs ‘eten, levensmiddelen’ (me. mose ‘brij’); < pgm. *mōsa- ‘brijachtig voedsel’.
Ontwikkeld uit pie. *meh2d-to- of *meh2d-so-, door achtereenvolgens assimilatie (> pgm. *mōssa-) en door verkorting van de medeklinker na lange klinker. De wortel *meh2d- staat in ablautverhouding tot *mh2d- ‘nat worden, druipen (al dan niet van vet)’ (IEW 694-695, LIV 421), waaruit pgm. *mata-, *mati- ‘voedsel’, zie → metworst (waarbij ne. meat), → mes, → maat 2 ‘makker’ en wrsch. ook → mesten 2 ‘vet doen worden’. Buiten het Germaans zijn verwant: Latijn madēre ‘nat zijn, rijpen’; Grieks madarós ‘vochtig’; Sanskrit mádati ‘borrelen’; Avestisch masya ‘vis’; Oudiers maidim ‘breken’ (met dubieuze betekenisontwikkeling: < ‘uit elkaar gaan’ < ‘vervloeien’?); Armeens macun ‘zure, gestremde melk’; Albanees mazë ‘room, vel op de melk’.
Verklaringen die moes terugvoeren op de wortel pie. *med- ‘meten’, waarbij het woord ‘het toegemeten voedsel’ zou betekenen, zijn onwaarschijnlijk: hieraan ontbreekt het aspect ‘vochtigheid’ dat een wezenlijke kant van de betekenissen van moes vormt.
De oorspr. algemene betekenis ‘eten, voedsel’ vernauwde zich in het Nederlands en het Hoogduits tot ‘fijngehakt of fijngekookt voedsel, in het bijzonder van planten of meel bereid’ en ten slotte tot de niet-toebereide planten zelf. Deze laatste betekenis is in het Nederlands verouderd maar is nog herkenbaar in onderstaande samenstellingen.
moestuin zn. ‘groentetuin’. Vnnl. in de samenstellingen moestuinluiden ‘moestuinlieden, groentetelers of -verkopers’ [1642; WNT], dan als simplex in keurigen moestuin ‘voortreffelijke groentetuin’ [1720; WNT keurig]. Samenstelling van moes in de betekenis ‘groente’ en → tuin. Oudere samenstelling met moes zijn bijv. moeshoff ‘groentetuin’ [1380-1420; MNW] en wermoeshoff ‘id.’ [1488; MNW]. ♦ warmoes zn. ‘groene groente’. Mnl. warmus ‘groente’ [1240; Bern.], warmoes. Oude samenstelling van → warm en moes. De oorspr. betekenis is nog herkenbaar in Middelnederduits warmōs ‘groente die warm genuttigd wordt’ en Oud- en Middelhoogduits war(m)muos ‘warme spijs, soep’, maar in het Middelnederlands is de betekenis verbreed tot ‘groente als gewas’. Behalve als benaming voor groene groente in het algemeen werd het woord gebruikt als benaming voor bepaalde soorten groente, zoals prei of boerenkool. Het is in de standaardtaal verouderd, maar komt in dialecten nog voor als benaming voor het als groente gegeten blad van de snijbiet.
Lit.: G. Darms (1978), Schwäher und Schwager, Hahn und Huhn. Die Vrddhi-Ableitung im Germanischen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

warmoes* [groente] {wa(e)rmoes, wermo(e)s [moeskruid] in de persoonsnaam Woutre Warmoes 1270} van warm + moes [warme groente, groente].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

warmoes znw. o., mnl. warmoes, warmmoes, wermoes, mnd. warmōs, ohd. warmmuos, warmuos o. ‘warme spijs, soep’, later ook ‘groente’, samengesteld uit warm + moes.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

warmoes znw. (de, het), mnl. warmoes, warmmoes, wermoes o. = ohd. war(m)muos, mnd. warmôs o. “warme spijs, soep”, dan ook voor “groente (gekookt of niet gekookt)” gebruikt, in overeenstemming met de bet.-verandering van moes. Uit warm + moes.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

warmoes v. en o., Mnl. waermoes, waermmoes + Ohd. war(m)muos: een samenst. met warm (olus coctum).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Warm, van den Idg. wt. war = heet zijn. Warmoes is eig. warmmoes = warme spijs; later: groente.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

warmoes ‘groente; rommeltje’ ->? Ambons-Maleis warmus ‘iets in wanorde brengen’; Papiaments warmus ‘groente’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut