Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

warm - (met vrij hoge temperatuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

warm bn. ‘met vrij hoge temperatuur’
Onl. warm, werm wrsch. al in het toponiem Wermarda ‘Waarmaarde (West-Vlaanderen)’, letterlijk ‘warme (beschutte?) grond’ [1072, kopie eind 11e eeuw; Gysseling 1960]; mnl. warm [1240; Bern.].
Os. warm (mnd. warm); ohd. warm (nhd. warm); ofri. warm (nfri. waarm); oe. wearm (ne. warm); on. varmr (nzw. varm); got. warm- in warmjan ‘verwarmen’; < pgm. *warma- ‘warm’.
Verwant met: Litouws vìrti ‘koken’; Oudkerkslavisch vĭrěti ‘id.’ (Tsjechisch vřít); Hittitisch urāni ‘brandt’; < pie. *uerH-, urH- ‘heet zijn’ (LIV 689). Latijn formus ‘warm’ < pie. *gwhormos bij de wortel *gwher- ‘warm worden’ (LIV 219) is niet verwant (zie verder → thermo-), maar heeft mogelijk wel model gestaan voor de Germaanse adjectiefvorming.
warmte zn. ‘hoge temperatuur; hartelijkheid’. Mnl. wermde [1290-1310; MNW-P], warmede [1332; MNW-P], warmte [1479; MNW-P]. Afleiding van warm met hetzelfde achtervoegsel als in → lengte en → diepte, zie → -te. Dit had aanvankelijk de vorm -ede < Proto-Germaans *-iþō-, dat umlaut veroorzaakte. Later werd de stamklinker hersteld onder invloed van warm en kreeg het achtervoegsel net als in de meeste andere afleidingen de vorm -te.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

warm* [met hoge temperatuur] {1201-1250} middelnederduits, oudhoogduits, oudfries warm, oudengels wearm, oudnoors varmr, gotisch warmjan [warmen]; buiten het germ. hettitisch war- [branden], oudkerkslavisch variti [koken] (vgl. samowaar).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

warm bnw., mnl. warm, os. ohd. ofri. warm, oe. wearm (ne. warm), on. varmr (got. alleen het ww. warmjan).

Vroeger verklaard door vergelijking met oi. gharma- ‘gloed, hitte’, gr. thermós ‘warm’, dus uit idg. *gu̯hormo-. Hiertegen is echter aan te voeren, dat wij voor een germ. gw- in deze positie geen w- kunnen verwachten. Men heeft daarom andere verklaringen gegeven. Reeds A. Fick BB 2, 1878, 203 heeft vergeleken osl. variti ‘koken’ en dit is door O. Szereményi, Kratylos 2, 1957, 122 nog versterkt door aan te voeren hett. u̯ar-’branden’, warant ‘brandend’ bij een idg. wt. *u̯er ‘branden’, vgl. nog het bnw. *u̯orno ‘zwart’: osl. vranŭ ‘zwart’, russ. vóron, lit. varnas ‘raaf’; hij verbindt hiermee zelfs ook zwart (twijfelend sluit zich IEW 1166 hierbij aan).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

warm bnw., mnl. warm. = ohd. (nhd.) os. ofri. warm, ags. wearm (eng. warm), on. varmr, got. *warms (warmjan “warmen”, een ook n,- en wgerm. ww.). Wsch. met w uit gh (vgl. wam) = (bezwaarlijk kymr. gwrm “donker”, ier. gorm “blauw”), (ligur. aquae Bormiae?), lat. formus, (opr. de afl. gorme “hitte”), av. garǝma- “heet”, oi. gharmá- “gloed, hitte”, ablautend met gr. thermós, phryg.-thrac. germo-, arm. ǰerm “warm”, alb. zjarm “hitte”. Met formans -mo- van de basis gher-, waarvan o.a. ook ier. gorim “ik warm”, gr. théromai “ik word warm”, théros “zomer, oogst” (= oi. háras- “vlammengloed”), obg. gorją, gorěti “branden” (intr.), lit. gãras “damp”, alb. zjar̄ “vuur, hitte”, arm. ǰer “warmte”, oi. ghṛṇóti “hij gloeit, glanst”. Onwsch. is de combinatie van warm met obg. vĭrją, vĭrěti “koken” (intr.), lit. vérdu, vírti “id.” (trans. en intr.), arm. varem “ik steek aan”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

warm bijv., Mnl. id., Os. id. + Ohd. (Mhd., Nhd. id.), Ags. wearm (Eng. warm), Ofri. warm, On. varmr (Zw. en De. varm), Go. werkw. warmjan: Ug. *gwarmaz + Skr. gharmas = hitte, Av. garəma = heet, Arm. jerm, Gr. thermós (Idg. gh wordt Gr. ph voor a of o, en th voor e of i), Lat. formus (d.i. *ghormus) = warm, Opr. gorme = hitte: Idg. wrt. ɡher.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

werm (bn.) warm; Vreugmiddelnederlands warm <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

warm: heet, nie-koud; Ndl. warm (Mnl. warm), Hd. en Eng. warm, hou ondanks besware wsk. verb. m. Lat. formus, Gr. thermos, “warm”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Warm, van den Idg. wt. war = heet zijn. Warmoes is eig. warmmoes = warme spijs; later: groente.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

warm ‘met hoge temperatuur’ -> Negerhollands warm, werm, werǝm ‘met hoge temperatuur’; Berbice-Nederlands warum ‘met hoge temperatuur’; Sranantongo waran ‘met hoge temperatuur; warmte; (op)warmen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Hoe warm het was, en hoe ver [tekstregel] (1839). Nicolaas Beets (1814-1903) publiceerde in 1839 onder het pseudoniem Hildebrand een bundel humoristische novellen, de Camera Obscura. Volgens de overlevering leerde koningin Emma Nederlands uit dit boek, dat onder meer de gevleugelde uitdrukking ‘Hoe warm het was, en hoe ver’ opleverde. Een van de titels van de verhalen die in de Camera obscura zijn opgenomen, ‘Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout’ (namelijk Robertus Nurks), is eveneens algemeen bekend. Het werk is vele malen herdrukt en aangevuld, en in 1887 publiceert Beets Na vijftig jaar, een verzameling taalkundige en cultuurhistorische ophelderingen bij zijn eigen tekst.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

warm* met hoge temperatuur 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

131. De baan warm houden.

Reeds door Winschooten vermeld en verklaard als ‘zonder ophouden, en met iever, den een voor den ander naa langs de baan glijden: het welk ook tot andere saaken door gelijkenis oovergebragt werd’. Halma, 37 verklaart, met Tuinman I, 263, de uitdr. op dezelfde wijze door ‘onophoudelijk op de sullebaan glijden’, en vervolgens bij overdracht: ‘zonder ophouden in dezelfde bezigheid volharden’, terwijl Van Dale denkt aan de ijsbaan, blijkens zijn verklaring: ‘gestadig op de schaatsen zijn’. Het liefst zou ik baan opvatten in den zin van sullebaan, glijbaan en wel omdat men in Amsterdam nog bij het sullen roept hou warm! hou warm! Zie nog Pasquil, 6; Bank. II, 33; Gew. Weuw. III, 40; Langendijk, Don Quichot, vs. 1680 en Ndl. Wdb. II, 813.

2519. Er warm (of warmpjes) in (of bij) zitten,

d.w.z. gefortuneerd zijn, bemiddeld zijn; eig. gezegd van een schaap, dat goed in de wol zit, of van een vogel, die goed in de veeren zit (vgl. eng. to be in feathers naast to have feathered one's nestVan Ginneken, Leuv. Bijdr. X, 94: Matige warmte heeft een vleugje van koozende zachtheid en aantrekkelijke teederheid en vandaar ook: er goed aan toe zijn.); Schuerm. 870 b: goed in zijnen wol komen, zitten, tot welstand komen of gekomen zijn, het wel hebben; Antw. Idiot. 365; 1418: goed of warm in zijnen dons zitten. In de 17de eeuw zeide men: warm zitten of gezeten zijn; vgl. o.a. Poirters, Mask. 171: Mits hy doen ter tijt wermkens gheseten was, ende dickwils gasterijen hiel; Coster, 502, vs. 138: Ick heb den aep in den arm. Luy: Als ghy doet Meester, ghy sit wel te deghe warm; Winschooten, 255; Van Effen, Spect. IV, 96: Zit' er iemant warmpjes, zo is 't Mijnheer; Tuinman I, 84; Harreb. III, 92 b. In den tegenwoordigen vorm komt de uitdr. in de 18de eeuw voor in W. Leevend I, 1: Ik meende, dat zy er warmpjes inzat; Sewel, 939: Die man zit'er warm in, that man is rich; op bl. 991: er wel in zitten; Nkr. VIII, 19 Dec. p. 2: Ik zit even warmpjes in mijn kontanten als een kikker in zijn veeren; Nw. Amsterdammer, 20 Maart, 1915 p. 2 k. 3: De Struyf was een boer die er warmpjes ingeduffeld zat. Ook dik in de wol zittenNdl. Wdb. III, 2617. of goed in de wol zitten (Harreb. II, 476). In Zuid-Nederland: er goed (warm of dik) inzitten; in het Haspengouwsch: geenen kou hebben (Rutten, 122 a; Claes, 122); in Friesland rûch yn 't bird sitte; afrik. hy sit daar warmpjes in; eng. to be warm; to be a warm man; in duitsche dial. he sitt warm un wêk (ook bij Hooft: week en warm); hei sitt der (da) warm in (Wander IV, 1785); oostfri. hê is dâr warm te sitten kamen, hij heeft een goed huwelijk gedaan; Reuter, 130: in de Wull sitten; fri. der waerm yn sitte. Vgl. ook 't zit er aan, er is geld; daar zit wel wat, er is wel geld (vgl. Hooft, Warenar, 235: Daer en sit niet ten besten). Vgl. fr. avoir du foin dans ses bottes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut