Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

want - (scheepswant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

want 2 zn. ‘touwwerk’
Mnl. want ‘soort grove lakenstof’ in tolne gheven van ghesneden wande ‘tol betalen voor versneden want’ [1322; MNW], Een gast die want snijt binnen der stat [1340-79; MNW]; vnnl. want ‘touwwerk op een schip’ in dat alle schepen ... horen taklen ende upstaende wandt ofnemen ‘dat (men van) alle schepen de uitrusting en het vaste touwwerk afhaalt’ [1494-1512; via MNHWS], in Cabelen ofte geslagen wants thondert 15 gr. ‘15 groten per 100 kabels of geslagen want’ [1516; iWNT].
Noordzee-Germaanse nevenvorm zonder voorvoegsel van mnl. ghewant in de betekenis ‘touwwerk van een schip’, zoals in Alrehande touwe ende opstaende ghewant ‘allerlei touwen en staand want (het vaste touwwerk van een schip)’ [1343-46; MNW]. Deze betekenis is ontstaan uit algemener ‘uitrusting van een schip’, zoals misschien al in van sinen ghewande in spiscip ‘voor de uitrusting van zijn spijsschip’ (of: ‘lading, koopwaar’, een betekenis die zeker in de 14e eeuw gekend werd) [1286; VMNW], maar in elk geval in een scip met al sinen ghewande ‘een schip met zijn hele uitrusting’ [1318-20; via MNW], Hi gereide sijn gewant, dat seil ende sijn getouwe ‘hij maakte zijn uitrusting, het zeil en het touwwerk in orde’ [14e eeuw; MNW]. Nog algemener betekende ghewant ‘uitrusting, tuig, gerei’, bijv. in die mer dan met .iiij. oude ywande dade weuen ‘wie met meer dan vier oude weefgetouwen zou weven’ [1277; VMNW] en sijn ... ridders gewant ‘zijn wapenuitrusting’ [14e eeuw; MNW]. Zie ook → ingewanden.
Ghewant is een afleiding van de wortel van het werkwoord → winden met het voorvoegsel → ge- (sub d) en betekende dus letterlijk ‘dat wat om iets heen gewonden wordt’.
Mhd. gewant (Nhd. Gewand) ‘kleding, uitrusting’; nfri. want ‘touwwerk’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

want2* [scheepswant] {1494-1512} behoort bij winden. De uitdrukking van wanten weten [volkomen op de hoogte zijn] betekent waarschijnlijk ‘van het want weten’, een zeemansuitdrukking dus, vgl. engels to know the ropes.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

want 2 znw. o. ‘grof laken; vistuig; touwwerk van een schip’, mnl. want ‘lakense of wollen stof’, Kiliaen wand, want (Sax. Fris. Sicamb.) ‘laken, kleed; net’ mnd. want bijvorm van mnl. ghewant ‘stof, kleding, scheepswant; ingewand’ waarvoor zie ingewand en met verscherping van d > t, zoals in kruit, vaalt, zat. — > russ. vánda, vánta ‘viswant’ (vgl. R. v. d. Meulen Ts 28, 1909, 214). en vánty ‘touwen van een schip’ (vgl. Verh., AW Amsterdam 66, 2, 1959, 105).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

want II znw. o. Kil. “wand, want. Sax. Fris. Sicamb. j. laecken. Pannus: et Vestis, et Rete, cassis, plaga”. Een reeds mnl. (noordndl.) mnd. bijvorm van ’t bij ingewand vermelde mnl. ghewant (d). Voor de nnl. t vgl. vaalt, voor de bet.-ontwikkeling vgl. tuig. Als scheepsterm ging ndl. ndd. want ook in ’t Skandin. over: de. zw. vant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

want 2 o. (grof laken), verkort uit gewand + Hgd. id.: van denz. stam als ʼt oude enk. imp. van winden, dus = stof om mede te omwinden (z. ook ingewand).

want 3 o. (touwwerk), is hetz. w. als want 2.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Want, tuig; moest eigenlijk d hebben als afleiding van winden, zooals ook in ingewand’t geval is. Ook in verwant, dat eerst in het mnl. voorkomt, vindt men de t, waarschijnl. doordat het eerst praedicatief zal gebruikt zijn, verwant zijn aan iemand. Bij want tuig kwam de t door ’t veelvuldig, of bijna uitsluitend gebruik als collectief, zooals ook bij lint voor lind ’t geval was. Het mv. wanten werd dan gebruikt evenals linten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

want ‘touwwerk’ -> Duits Want ‘touwwerk’; Deens vant ‘touwwerk’; Noors vant ‘touwwerk’; Zweeds vant ‘touwwerk’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vantti ‘touwwerk aan de mast van een schip’ ; Ests vant ‘touwwerk’; Pools wanta, stewanta ‘touwwerk’; Russisch vánta, vánda ‘mastwant; de gezamenlijke hoofdtouwen die een mast zijdelings steunen’; Bulgaars vanta ‘mastwand’ ; Oekraïens vánta ‘de gezamenlijke hoofdtouwen’ ; Lets vantis ‘touwwerk’ ; Litouws vantas ‘touwwerk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

want* touwwerk 1494-1512 [HWS]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2517. Van wanten weten,

d.w.z. de zaak verstaan, volkomen op de hoogte zijn, ‘van vinken weten’ (Harrebomée II, 383 a); ook: op de hoogte zijn van iets, ingewijd zijn in de geheimen. De uitdr. wordt aangetroffen bij Harreb. I, 444: Hij weet van wanten, hij doet een kousen-winkel, dat nog zoo te Amsterdam gezegd wordt. Vgl. voor Zuid-Nederland Antw. Idiot. 1417: Van wanten weten, geld hebben, rijk zijn (evenzoo Waasch Idiot. 731); in het Land v. Aalst beteekent hij zal van wanten weten, hij zal een pak slaag of eene strenge berisping krijgen; te Antwerpen kent men volgens Schuerm. Bijv. 384: Weten wat een paar wanten kost, al heeft men in geen kousenwinkel gewoond, van eene zaak ook verstand hebben. Hieruit zou men kunnen opmaken, dat de uitdr. elliptisch is, indien het niet allen schijn had, dat dit laatste gedeelte er ter verklaring aan is toegevoegd. In het Oostfri. kent men haar ook, doch zonder dit laatste stuk; vgl. Ten Doornk. Koolm. III, 510; Hê wêt wat fan wanten, von Jemandem der weit hergekommen ist u. viel erlebt u. erfahren hat, bz. überall Bescheid weiss wie ein alter erfahrener Schiffer. Hier wordt dus gedacht aan want touwwerk, en het is niet onmogelijk, dat we met dit woord te doen hebben, vooral met het oog op het 17de-eeuwsche zijn want wel kennen, gezegd van den zeeman, met het want goed kunnen omgaan (zie Com. Vet. 48), zijn vak verstaan (vgl. eng. to know the ropes, zijn vak verstaan) en de uitdr. de wanten stellen, den baas spelen, de beest spelen; eig. de zeilen hun plaats geven; bevelen hoe men de zeilen moet zetten (?Hooft, Uitlegk. Wdb.; Ged. II, 424: vgl. het synonieme de pijpen stellen, welke uitdr. aan een orgel ontleend is (Huydecoper, Proeve, I, 373; Winschooten, 188; Korenbl. II, 252) en de noten stellen, schreeuwen, geraas maken (Sewel, 526).). Indien dit vermoeden juist is, dan moet de eig. beteekenis van de uitdr. van wanten weten zijn: goed met het want kunnen omgaan, en bij uitbreiding in het algemeen: van iets goed op de hoogte zijn, weten wat men doetZie Van Lennep, 257; andere verklaringen in Taal en Letteren II, 227; VI, 230vlgg., waar want als zelfst. voegw. wordt opgevat. Iemand die van ‘wanten’ weet is dan eig. iemand die overal de reden, de oorzaak van opgeven kan. Vgl. fr. comprendre pourquoi et comment en N. Taalgids XII, 167: De firma Oudegeest en Co zijn niet dood. Ze roept: Fout! fout! Dit mag niet en dat mag niet en dat mag niet, want... want... want! Ja, ze weet van wanten.. Zie verder Zandstr. 40: En 't moet al raar loopen, wanneer zoo'n jongen daar den eersten keer al geen kornuiten onder treft, die reeds van wanten weten; Nkr. III, 14 Febr. p. 6: Eens per maand dan krijgt de man (een politieagent) belooning in contanten; krijg je veel, dan denkt de chef, nou die weet van wanten; G.W. Lovendaal, Licht Geluid, Jan Holland: Jan bezoekt weer de oude klanten van zijn huis in West en Oost; hoe men loenscht van alle kanten: de ouwe jongen weet van wanten: kijk, hoe knap hij binnenloodst; Nw. Rotterd. Courant, 19 April 1914 (ochtendbl. c) p. 1 k. 4: En dan is Den Haag toch nog wat anders (wat publieke vermakelijkheden betreft). Zelfs de Parijsche raadsleden waren gekomen en die weten toch ook wel van wanten; De Amsterdammer, 10 Aug. 1913 p. 3 k. 3: Ze waren kostelijk gebraden, goud-bruin op 'n dito croûton; de juffrouw die vroeger kokkin was geweest, wist van wanten; De Padvinder, IV, p. 717 k. 3: Ik had in Christiania een tante; niet een ‘oude tante, die weet van wante’, zooals het liedje zegt, maar een heele lieve tante; Propria Cures, XXVI, 4 bl. 39: En dan vertel ik in haar oor van 't liefje dat ik uitverkoos, dan lacht ze stil, ze weet van wanten, m'n ouwe tante; S. en S. 51: Toevallig raakt ie in die dagen verzeild an de Vetkaars, 'n bovenste beste - die wist van wante: verdikkeme nog toe! Hiernaast van wanten zijn, bijdehand zijn; vgl. Handelsblad, 8 Oct. 1916 (O), p. 6, k. 4: Eerst aan het einde hooren we dat majoor Jerolimo dik in de beren zit bij Byateris nog wel, die van wanten is.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut