Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wanneer - (vragend en betrekkelijk (op welke tijd; onder welke omstandigheden); (als, indien))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wanneer vragend en betrekkelijk bw. ‘op welke tijd; onder welke omstandigheden’; vgw. ‘als, indien’
Mnl. wan eer, wanneer ‘op welke tijd; als, indien’ in hi dreef wel dicke iamer groet. wan eer so hoge tijt gelach ‘hij weeklaagde dikwijls luid als er een hoogtijdag was’ [1220-40; VMNW], waner men desen brief in diedsch lesen sal ‘wanneer men deze brief in de volkstaal zal voorlezen’ [1236; VMNW], wanneer starf di ‘wanneer bent u gestorven?’ [1276-1300; VMNW].
Gevormd uit mnl. wan eer, letterlijk ‘wanneer vroeger’. Het bijwoord wan, met nevenvorm wanne, is als simplex vooral oostelijk Oud- en Middelnederlands: onl. so wanne so siu slaaphe, thaz sie se newecchan, eer siu selua wolla ‘dat ze haar, wanneer ze ook maar slaapt, niet wekken voor ze zelf wil’ [ca. 1100; Will.], mnl. wanne ‘wanneer’ [1240; Bern.]. Voor mnl. eer ‘vroeger’ zie → eer 2.
Os. hwān ēr (mnd. wannēr); ofri. (h)wannēr, hōnēr (nfri. wannear, hoenear). Bij mnl. wan(ne) ‘wanneer’: os. hwan(na) (mnd. wanne, wenne); ohd. (h)wanne (mhd. wanne, wenne, nhd. (vnw.) wann, (vgw.) wenn, met kunstmatig functieonderscheid sinds de 18e eeuw); ofri. hwanne, hwenne; oe. hwenne, hwænne, hwanne, hwonne (ne. when); got. hwan; < pgm. *hwana, *hwannē. Voor de vergelijkbare vorming *hwan-dē zie → want 3 ‘omdat’.
Pgm. *hwan-nē is (met assimilatie van -m- aan de dentaal -n-) ontwikkeld uit pie. *kwom-nē, afgeleid van de vragende voornaamwoordstam *kwo-, zie → hoe, met hetzelfde achtervoegsel als in het bijwoord → dan 1. Hierbij ook: Latijn quom, cum ‘wanneer’; Oudpruisisch kan, Litouws ka ‘wanneer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wanneer* [op welke tijd, als] {1201-1250} oudsaksisch hwan ēr, oudfries hwanēr; voor het eerste lid vgl. wen2; het tweede is eer [vroeger]; de betekenis is dus: op welk ogenblik vroeger.

wen2* [wanneer] {wan, wen 1420} oudsaksisch, oudhoogduits (h)wanne, oudfries hwenne, oudengels hwonne, hwanne (engels when); het eerste lid van wanneer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wanneer bijw. voegw., mnl. wanneer vgl. os. hwan ēr, ofri. hwanēr ‘wanneer’ (eig. wanneer vroeger). Het 1ste lid is mnl. wan, os. hwan, got. hwan en oostmnl. wanne, os. hwanna, hwanne (mnd. wanne, wenne), ohd. (h)wanne, (h)wenne (nhd. wann, wenn), ofri. hwenne, oe. hwonne (ne. when) ‘wanneer’ en zie verder: want 3. — De vorm germ. *hwan is een vorm van de idg. st. *ku̯o evenals dan van de stam *to, vgl. lat. quom ‘wanneer, toen, aangezien’ (de verbinding met iers can, kymr. pan is wegens de bet. ‘vanwaar?’ niet zeker).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wanneer bijw. voegw., mnl. wanneer. = os. hwan êr, ofri. hwanêr “wanneer”, letterlijk “wanneer vroeger”. ’t Eerste lid = os. hwan, got. hwan “wanneer”; door verlenging zijn ontstaan mnl. wanne (: nnl. dial. (Zaansch) en dichterlijk wen), ohd. (h)wanne, (h)wenne (nhd. wann, wenn), os. hwanna, -ne, mnd. wanne, wenne, ofri. hwenne, ags. hwonne (eng. when) “wanneer” (en verwante bett.) en mnl. want “want, omdat, daardoor, zoodat, wanneer, als” (nnl. want, zuidbrab. hagelandsch nog = “indien”), oostmnl. want, went “tot, totdat”, ohd. hwanta “waarom, omdat, want”, os. hwanda “want, omdat”, ofri. hwande (hwende) “id.”, een formatie als got. þande “als, omdat, zoolang als”. Got. hwan enz. is een bijw. van den stam van wie; ’t is gevormd als got. þan (dan), ouder *þana, nog in þana-mais, þana-seiþs “verder, nog”; buiten ’t Germ. vgl. kymr. pan “toen, als, omdat, dat”; lat. quom “wanneer, toen, aangezien” is een andere formatie; lat. quan-do “wanneer” zal wel van quam (een accus.-vorm) “dan, als” gevormd zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

wanneer. Os. hwan = mnl. wan’wanneer’, een gewonere vorm dan (oost)-mnl. wanne. — Naast ags. hwonne ook hwænne (eng. when). — Over ier. can, kymr. pan zie dan Suppl. In mnl. (en nnl. dial.) hoeneer ‘wanneer’ zal men eerder een jongere contaminatie met hoe moeten zien dan een *hwôn-êr (zie eer II): vgl. W.de Vries Tschr. 43, 140.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wen 2 voegw. (wanneer), dial. bijvorm van wan in wanneer.

wanneer voegw., Mnl. id., Onfra., Os. hwanér: het eerste lid is Os. hwan, Ohd. wanne (Mhd. id., Nhd. wann), Ags. hwonne (Eng. when), Ofri. hwenne, Go. hwan = op welk oogenblik, en staat tot wie als dan tot die; — het tweede is eer 1; dus = op welk oogenblik vroeger.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wienie (bijw.) wanneer; Vreugmiddelnederlands wan eer <1220-1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wanneer bw.
Op watter tyd.
Uit Ndl. wanneer (1552), 'n samestelling van wan 'wanneer, as, indien' en eer 'vroeër'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm wánner.

2wanneer voegw.
As, op die tyd.
Uit Ndl. wanneer (1515), 'n samestelling van wan 'wanneer, as, indien' en eer 'vroeër'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm wánner.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wanneer: bw. en voegw., op die/watter tyd(stip); by Trig wanner (lRo T DLT 268); Ndl. wanneer (Mnl. wanneer), vgl. Os. hwan ēr, eint. “wanneer vroeër”, eerste lid Mnl. wanne, dial. wen, Hd. wann, Eng. when, tweede lid eer (Mnl. eer/ere), Hd. eher, Eng. ere, Got. airis, “eerder, vroeër”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wanneer ‘op welk moment; als, toen’ -> Negerhollands waneer, wanneer, wanǝ, wenǝ, weni, wini, wen ‘op welk moment; als, toen’; Berbice-Nederlands wanere ‘op welk moment; als, toen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wanneer* onderschikkend voegwoord 1300 [MNW]

wanneer* bijwoord van tijd 1321 [MNW]

wen* verouderd onderschikkend voegwoord 1420 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut