Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wankel - (niet vast)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

wankel bn. ‘niet vast, zwenkend’
wankelen ww. ‘onvast gaan’
Oudnederlands uuankilheide ‘onstandvastigheid’ (901–1000); Middelnederlands wankel ‘onstandvastig’ (1285), ‘zwak, onbetrouwbaar, onzeker’ (1373), wankelen ww. ‘wankelen; onvast staan, twijfelen’ en ‘doen wankelen’ (1240), wankelheit zn. (1401–1410), wankelmoet ‘onstandvastigheid’ (ca. 1400); Nnl. wanckel (1551) ‘onvast staand of gaand; veranderlijk, onzeker’ (1551); wanckelen ww. (1516), wanckelmoedig (1564), wankelmoedigheit (1642), wankelmoed (1649).
Verwante vormen: Oudsaksisch wankul, Mnd. wankel bn., wankelen ww.; Oudhoogduits wankal bn., wankalōn ww.; Oudengels wancol ‘wankel’.
Uit Proto-Germaans bn. *wankula- ‘onvast, zwenkend’. Afgeleid van het ww. *wankōn ‘rondzwerven’ dat we nog in Middelnederlands wanken ‘wankelen, doen wankelen’ vinden, met verwante vormen in Oudsaksisch wankon, Mnd. wanken ‘zwerven, rondgaan’, Ohd. wankōn, Nhd. wanken ‘wankelen, besluiteloos zijn’, OIJs. vakka ‘rondzwerven’. Van PGm. *wank- is ook afgeleid Ned. wenken (zie daar voor mogelijke verwanten buiten het Germaans); met PGm. *wink- zijn daarnaast werkwoorden verwant als Oudnl. wincon ‘wankelen, uitwijken’, Nnl. winken ‘een teken geven, wenken’ en Duits winken ‘wenken’.
Er bestond ook een variant van deze wortel met een intiële s-. Daarvan getuigen het bn. PGm. *swanka- ‘buigzaam’ > Mnl. en Vroegnnl. swanc ‘buigzaam, krachtig’, Nhd. schwank ‘buigzaam, beweeglijk, slap; slank’; en het ww. Mnl. swanken ‘heen en weer gaan, wankelen’, Vnnl. swancken ‘wankelen’, Nhd. schwanken ‘aarzelen’, Nnl. zwankelen ‘waggelen, zwalken’; zie voor verdere verwantschap onder zwenken.
[Gepubliceerd op 22-06-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wankel* [niet vast] {wan(c)kel 1285, vgl. wankilheide [weifeling] 901-1000} oudsaksisch wankol, oudhoogduits wanchal, naast middelnederlands, oudhoogduits wanc, middelnederduits wank [onstandvastigheid] en middelnederlands wan(c)ken [wankelen, doen wankelen], oudsaksisch, oudhoogduits wankon, oudnoors vakka [omzwermen]; buiten het germ. latijn vagari [zwerven], albaans vank [velg], litouws vingis [bocht]; waarschijnlijk komen deze woorden van een i.-e. stam met de betekenis ‘bewegen, buigen’. Voor verdere verwanten vgl. wenken, zwenken, winkel en wang1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wankel bnw., mnl. wankel, (onfrank. wankilheide v. ‘fluctuationem’), os. wankol, ohd. wanchal ‘wankel, onbestendig’, afl. van mnl. wanc bnw. en znw., ohd. wanc (vgl. nhd. ohne wank), mnd. wank m. ‘het wankelen, onvastheid’, zie nog: wankelen. — Van idg. wt. *u̯eng ‘gebogen zijn’, vgl. oi. vañgati ‘gaan, hinken’, alb. vank, vangu ‘velg’, lit. vìngis ‘boog, kromming’, lett. vingrs ‘snel, handig’, opr. wingriskan (4de nv.) ‘list’ (IEW 1148-9), verder ook wel olit. wanga ‘akker’. — Voor een formatie met andere gutturaal zie: wang 1. — Zie ook: winkel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wankel bnw., mnl. wankel. = (onfr. wankil-heide v. “fluctuationem”), ohd. wanchal, os. wankol “wankel, onbestendig”. Hiernaast mnl. wanc “id.”, ’t znw. mnl. wanc, ohd. wanc (nog in nhd. ohne wank), mnd. wank m. “’t wankelen, onvastheid” en ’t ww. mnl. wanken, ohd. wancôn (nhd. wanken), os. wankon “wankelen, onvast zijn”, on. vakka “omzwerven”. Hiervan, mede onder invloed van wankel, ndl. wankelen, mnl. wankelen “wankelen, zwak zijn, aan ’t wankelen brengen”, mhd. wankeln, mnd. wankelen “wankelen, onvast zijn”. Met ablaut mnl. winken “wenken” (of dial. voor wenken?), mnd. winken, ags. wincian “de oogen sluiten, wenken” (eng. to wink) en het sterke mnl. winken “wankelen”, mhd. winken “waggelen, knikken, wenken” (van ohd. winchan “knikken, wenken” komt alleen de praesensstam voor). Zie nog wenken. Blijkbaar duidde de idg. basis weŋg- een schuddende beweging aan. Lit. véngiu, véngti “iets ongaarne doen” kan direct verwant zijn en een dgl. bet.-ontwikkeling hebben gehad als wankelen “weifelen, aarzelen”. Van de verdere combinaties moet die met oi. váŋgati “hij gaat, hinkt”, vañjula- (NB. j < ĝ?) “calamus rotang” (*“de wiegelende”) in de eerste plaats vermeld worden. Men houdt de basis weŋg- “schudden, waggelen” voor identisch met weŋg- “buigen” (vgl. lat. vacillo “ik waggel”: convexus “gewelfd”; zie bij wang), waarvan lit. víngis “bocht”, alb. vank, vangu “velg”. Ook lat. vagor “ik zwerf rond” brengt men hierbij, een nasaallooze basis wag- aannemend, ook verwant met waq- (zie wang). Zie winkel en zwenken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1wankel b.nw.
1. Onvas, wat heen en weer wikkel. 2. Weifelend, onseker.
Uit Ndl. wankel (Mnl. ook wanc), in bet. 1 'deur die wind heen en weer beweeg'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wankel, afl. van wanken (als schamel van schamen) = oorspr.: zijwaarts gaan of buigen, vgl.: „Ik wankte niet, maar ging recht door”, en hieruit: onvast staan, b.v.: „Zijn liefde kan niet wanken. Het denom. is: wankelen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wankel* niet vast 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut