Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wandelen - (rustig lopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wandelen ww. ‘rustig lopen’
Mnl. wandelen ‘zich veranderen’ in sic wandilot [dise] brunne. die was clar alsame die sunne. ende [wirt] [d]an uil droue ‘dan verandert deze bron (zich), die helder als de zon was en dan zeer troebel wordt’ [1201-25; VMNW], ‘zich veranderen; heen en weer gaan, ronddwalen’ [1240; Bern.], want ic ben een die uele plege Beide achter stade ende achter wege Te wandelne. ende vele weet ‘want ik ben iemand die veel door stad en land zwerft en (daardoor) veel weet’ [1265-70; VMNW], dat si ginc wandelen daer tuschen di moere jn den kelder ‘dat ze daar in de kelder tussen de muren heen en weer ging lopen’ [1276-1300; VMNW], also langhe als .i. man wandelen mach ene mile ‘zo lang als (de tijd waarin) een man een mijl kan afleggen’ [1287; VMNW].
Frequentatief bij Proto-Germaans *wandōn- ‘zich wenden, zich veranderen’, dat in het Nederlands zelf nauwelijks overgeleverd is: Soe moet die liefte in vreuchden wanden ‘dan zal de liefde overgaan in vreugde’ [1470-90; MNW-R]. Dit is een afleiding van de wortel van → winden. Voor de betekenisovergang van ‘zich wenden, zich een andere richting geven’ tot ‘zich voortbewegen’, zie → wenden.
Os. wandlon ‘zich veranderen, zich wenden’ (mnd. wandelen); ohd. wantalōn ‘id.’ (nhd. wandeln, ook ‘wandelen’); nfri. wandelje ‘wandelen’; oe. alleen eenmaal in de afleiding wandlung ‘verandering’.
Uit pgm. *wandōn-: ohd. wantōn ‘zich veranderen, zich wenden’ (mhd. wanden); oe. wandian ‘id.’.
Met ander frequentatiefachtervoegsel zijn gevormd: mnl. wanderen; mnd. wanderen; mhd. wandern (nhd. wandern); ofri. wandria, wondria; oe. wandrian (ne. wander); alle ‘lopen, ronddwalen, rondreizen e.d.’, < pgm. *wandrōn-.
De distributie van de vormen met -l- en -r- en de twee hoofdbetekenissen ‘ronddwalen’ en ‘zich veranderen’ is in de loop van de tijd veranderd, wat in de afzonderlijke West-Germaanse talen tot verschillende resultaten heeft geleid. Zo heeft het Nederlands alleen de vorm wandelen behouden, het Engels alleen de vorm wander, terwijl in het Duits beide vormen wandeln en wandern met betekenisonderscheid bewaard zijn gebleven. De betekenis ‘ronddwalen’ is in het Nederlands uitgebreid tot ‘rustig stappen’, meestal met een bijbetekenis ‘voor het genot’.
wandel zn. ‘gedrag, levenswijze; het wandelen’. Mnl. wandel ‘ruil, verwisseling’ [1290; MNW], ‘verandering’ [ca. 1400; MNW]; vnnl. wandel ‘gedrag, levenswijze’ in onse onghelovighe, onghehoersame, ontuchtighe, schendighe, ia afgriselycke duvelsche wandel [1539; iWNT], wandeltje ‘wandeling’ [1639; iWNT]; nnl. op wandel te gaen ‘te gaan wandelen’ [1849; iWNT], aan den wandel ‘aan het wandelen’ [1908; iWNT]. Afleiding van wandelen in diverse betekenissen; wat de beide huidige betekenissen van wandel betreft, zijn dat wandelen ‘door het leven gaan’ en ‘rustig lopen’. Voor de uitdrukking handel en wandel zie → handelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wandelen* [lopen] {wand(e)len [heen en weer gaan, rondlopen, gaan, zich wenden, veranderen, verruilen] 1201-1250} ook wanden [reizen], vgl. wenden [draaien, zich omdraaien, gaan, zich begeven, heen en weer gaan, veranderen]; wandelen is te zien als een iteratiefvorm naast wenden, oudsaksisch wandlōn, oudhoogduits wantalōn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wandelen ww. mnl. wandelen, mnd. wandelen, mhd. wandeln met de bet. ‘gaan, rondgaan’ is hetzelfde als mnl. wandelen ‘veranderen’, os. wandlon, ohd. wantalōn ‘wentelen, veranderen’ (nhd. wandeln), ofri. wandelia ‘veranderen, ruilen’, vgl. oe. wandlung ‘verandering’. — Dezelfde overgang van de bet. ‘veranderen’ > ‘gaan’ vinden wij in het ww. mnl. wanderen, mnd. wanderen, mhd. wandern (nhd. wandern), ofri. wondria, oe. wandrian (ne. wander) ‘gaan, zwerven’. — Iteratieven bij ohd. wantōn, oe. wandian, waarvoor zie verder wenden en winden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wandelen ono.w., Mnl. id., Os. wandlon + Ohd. wantalôn (Mhd. wandeln, Nhd. id.), met Hgd. wandern en Eng. to wander, frequent. van wenden. De bet. zijn wentelen, veranderen, ruilen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wandele (ww.) wandelen; Vreugmiddelnederlands wandelen <1201-1225>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

wandel ww. (verhewe)
1. Loop. 2. Jou lewe deurbring.
Uit Ndl. wandelen (al Mnl. in bet. 1, 1526 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in bet. 2 in Patriotwoordeboek (1902).
D. wandeln (8ste eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wan’delen (wandelde, heeft gewandeld), 1. uitgaan. En als je geen man hebt, dan kun je de hele dag wandelen, want je hebt geen man, niemand kan je iets doen (Doelwijt 1971: 15). - 2. een uitstapje maken (ook fig.). Ze probeerden hun dochter [die twee weken onvindbaar was geweest] uit de situatie te redden en suggereerden na veel bochten en kronkelingen het idee te hebben dat Nirupa met die ene creoolse* jongen van de Mahonylaan was gaan wandelen (Doelwijt 1972: 65). Dan* wou meneertje met een hond gaan wandelen in die bus (Cairo 1980a: 97). Erik kuste Oema gretig en liet zijn handen over haar body wandelen, terwijl hij hier en daar de gevoelige plekken een kneepje gaf of streelde (Dobru 1968c: 41); hier: dwalen. - 3. op reis gaan, reizen. Dan* had ik gedroomd om naar andere landen te gaan wandelen, bijvoorbeeld Nederland, India, Pakistan en Brazilië (Doelwijt 1971: 84). - Etym.: AN w. bet. tegenwoordig SN kuieren* (1); vroeger (ook ’wanderen’) bet. het ’lopen’ i.h.a., ’heengaan’ en ’reizen’ (zie Van Sterkenburg). E ’to walk’ en S ’waka’ hebben alle bet. van SN w. - Syn. van 2 kuieren* (2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wandel: s.nw. en ww., gedrag; gedra; loop, stap; Ndl. wandel en wandelen (Mnl. wandel en wandelen/wanderen), Hd. wandel en wandeln/wandern, Eng. wander, hou verb. m. Ndl./Afr. wend(en) en wind(en) in bet. “beweeg” en “verander”, v. wen III, wend.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wandelen met God, leven naar Gods voorschriften; een intieme relatie met God hebben.

'Dit is de geschiedenis van Noach', zo luidt Genesis 6:9, 'Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God' (NBG-vertaling). Wandelen met God is zoveel als: 'zich voorbeeldig gedragen, leven naar Gods voorschriften', maar ook wel, meer in overeenstemming met de letterlijke betekenis: 'dicht bij God zijn, een intieme relatie met God hebben'. De uitdrukking komt vooral in literair gebruik voor. De archaïsche frase uit Genesis 6:9 is niet terug te vinden in de NBV. Daar staat: 'Noach was een rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig leven leidde, in nauwe verbondenheid met God'. Zie ook Henoch.

Leuvense bijbel (1548), Genesis 6:9. Noe was een rechtueerdich ende een volmaeckt man in sijn gheslachten, met Gode heeft hy ghewandelt.
De Admiraal kwam niet meer in de kapel, hij was van het nieuwe geloof. Hij wandelde met God. Het nieuwe geloof glansde niet, het was dof en zwart en gelaten als een begrafenisstoet. Zo, met het hoofd gebogen, wandelde hij met God door de gruwelijkheid van het leven. (P.F. Thomése, Zuidland, 1990, p. 11)
Hierom is niet veranderd / het paradijs; Adam wandelt met God. (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Zestien V, 1946), p. 582)

Sta op en wandel; neem uw bed of matras op en wandel; opwekking tot iemand die genezen is verklaard en weer op kan staan; schertsend ook als opwekking om 's morgens op te staan of, nog algemener, als opwekking om iets op te pakken en ermee te vertrekken of naar een andere plaats te gaan.

In de vier evangeliën wordt het verhaal verteld van Jezus, die een verlamde geneest met de woorden: 'Sta op, neem uw matras op en wandel'(Johannes 5:8, NBG-vertaling). De patiënt kon inderdaad weer lopen na deze wonderbaarlijke genezing. Doordat wandelen in het huidige Nederlands betekent 'voor je plezier gaan lopen', komt ironisch gebruik veelvuldig voor, zoals, met een woordspeling, in de volgende dichtregels: 'Sta op en wankel -- uche uche -- / naar de gootsteen. Wat een nacht. / Nog steeds alleen. Te veel gedronken. / Met de taxi thuisgebracht' (I. Heytze, Sta op en wankel, 1999, p.19).
De NBG-vertaling (1951) heeft beddeken uit de Statenvertaling (1637) vervangen door matras maar het archaïsche wandelen in de betekenis '(weg)gaan', '(weg)lopen' behouden. De NBV (2004) heeft de taal gemoderniseerd: 'Sta op, pak uw mat op en loop.'

Leuvense bijbel (1548), Johannes 5:8. Jesus seyt hem, Staet op, neemt v bedde, ende wandelt.
Het effect [van zekere medische behandeling] heeft iets weg van het bijbelse: sta op en wandel. (NRC, maart 1994)
Het is onderhand bijna twaalf uur, dus neem je matras op en wandel. (Gehoord, jaren '90.)
[Twee mensen elk op een grote kei gezeten zien hoe de schaduw dichterbij komt:] 'De zon gaat weg. Kom op, neem je steen op en wandel.' (Gehoord, jaren '90)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wandelen, frequ. van winden = keeren, draaien, heen en weer gaan. ’t Bet. vroeger ook verkeeren, veranderen: „Ghij hebt, Here, in die bruloft twater in den wyn ghewandelt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wandelen ‘lopen’ -> Creools-Portugees (Ceylon) vandel ‘dolen’; Negerhollands wandel, wandǝ, wandu ‘(het) lopen’; Skepi-Nederlands wangal, wandu ‘lopen’; Papiaments wandel ‘de hort op gaan’; Sranantongo wandel ‘lopen, goed gaan; bewandelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wandelen* lopen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1768. Men wandelt niet straffeloos onder de palmen,

d.w.z. men verkeert niet in Oost-Indië zonder er verbruind of ziekelijk te worden. Zie Daum, Raad v. I. 143: De blanke menschen, die insinueerden, dat men niet ongestraft kon loopen in der palmen schaduw, terwijl zij in de tropen een leven leiden, dat hen ziek moest makenAangehaald in het Ndl. Wdb. XII, 230.. De zegswijze luidt in het hd. es wandelt niemand ungestraft unter Palmen, d.h. in der Region der Ideale; ze wordt dus aldaar in geheel anderen zin gebezigd dan in dit citaatHet eerst gebezigd door Goethe, Wahlverwandtschaften, 2, 7 (zie Büchmann, 152): Manchmal wenn mich ein neugieriges Verlangen nach solchen abenteuerlichen Dingen anwandelte, habe ich den Reisenden beneidet, der solches Wunder mit andern Wundern in lebendiger alltäglicher Verbinding seiht. Aber auch er wird ein anderer Mensch. Es wandelt niemand ungestraft unter Palmen, und die Gesinnungen ändern sich gewiss in einem Lande wo Elephanten und Tiger zu Hause sind.. In het fr. personne ne se hasarde impunément sous les palmiers, personne n'est toujours heureux dans ce monde. Zie Noord en Zuid XXV, 405. (Aanv.) noot. l: Verbindung steht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut