Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wambuis - (kledingstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wambuis zn. ‘kledingstuk’
Mnl. eerst wambesule ‘wambuis’ [1276-1300; VMNW], dan toot mijns heren wambuese ‘voor het wambuis van mijn heer’ [1317; MNW], met allerlei varianten als Wamboyse [1315-35; MNW-R], wambeys [1340-60; MNW-R], ten slotte an den wambuys ‘aan het wambuis’ [1394; via MNW struus]; vnnl. ook Wammes ‘wambuis’ [1653; iWNT vaan I].
Ontleend aan Oudfrans wambais, ook wambeis [12e eeuw; FEW], een Noord-Franse nevenvorm van gambais ‘gewatteerd wambuis’ [1160-74; TLF], uit middeleeuws Latijn wambasium ‘wambuis’, naast gambesum [1298; Niermeyer], een ontwikkeling van bombicum ‘wambuis’ [1020; Niermeyer] (of een variant als bambacium), eerder al bombax ‘katoenen stof’ [968; Niermeyer], dat ontleend is aan Middelgrieks bámbax ‘katoen’, zie ook → bombazijn. In het Oudfrans en middeleeuws Latijn is de beginklank soms veranderd in w- onder invloed van Germaanse woorden voor ‘buik’, zoals onl. wamba ‘buik’ [10e eeuw; W.Ps.]. De oude vorm wambesule gaat mogelijk terug op een afleiding van middeleeuws Latijn wambasium met de verkleinuitgang -ula, die meer bij kledingstukken voorkomt, zoals bij middeleeuws Latijn casula ‘mantel met capuchon’, zie → kazuifel.
Een wambuis was een kledingstuk dat onder het bovenkleed werd gedragen, maar toch ook zichtbaar was. Het was vaak gewatteerd en doorstikt.
Het woord wambuis werd verkort tot → buis 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wambuis [kledingstuk] {wambeis, wamboys, wammes 1317} < oudfrans wambais < middeleeuws latijn gambeso, wambesio, wambesum, wambasium, wambiso [gewatteerd onderkleed onder pantser] < grieks bambakion [katoen], geassocieerd met middelnederlands wamme (vgl. wam).

wammes [kledingstuk] {1720} verkort uit wambuis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wambuis, wammes znw. o., mnl. wambaes, wambeis, wambois, wambuus, wammes, mnd. wambois, wambōs, wambūs, wambes, wammes, wams, mhd. wambeis, wambīs, wambas, wambes < ofra. wambais ‘bekleding van het lichaam onder het pantser’, als modewoord der ridderschap overgenomen. Het fra. woord gaat terug op mlat. wambasium ‘doorstikt onderkleed onder het pantser’, afl. van gr. bámbax ‘katoen’. — Nnl. wammes > amerik.-eng. wamus (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945, 276).

Een oudere verklaring leidt het mlat. woord van frank. *wamba ‘buik’ af, zo nog Meyer-Lübke Nr. 9497.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wambuis o., Mnl. wambeys, gelijk Mhd. wambeis (Nhd. wams) en Fr. gambais, uit Mlat. wambasium, dat een afleid. is van Germ. wamba: z. wam en vergel. pantser.

wammes o., geass. uit *wambes: z. wambuis

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

wambuis (Oudfrans wambais)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Wambuis, in de volkstaal ook wammes, hetzelfde kleedingstuk als buis (zie o.d.w.); vroeger ook andere vormen: Va1entijn, O.-Indië: wambais; Hooft, N. Hist. 311: “Zijn wambaswrong gevult met paardshair”. Het is ontleend aan ofra. gambais, mlat. wambasium, wambosium, dat zelf weder een afleidsel is van ’t germ, wamba, mnl. wambe = buik, dus buikbekleeding. Vgl. fornuis, vroeger forneis. Iemand op zyn wammes geven of komen = een pak slaag geven, vgl. op zijn baadje, falie, tabbert enz. geven. Iemand naar ’t witte wammes (wambuis) brengen, iemand voor den schout brengen; ontleend aan den naam van een herberg in Amsterdam, waar de schout zat, en o.a. ook componeerde (schikte, koopmaakte, de straf liet afkoopen), misschien ook in gijzeling hield. Asselijn, Melchior Baron Ossekop 32: “Breng ons in ’t witte wammes, myn heer, we meugen zien”; Langendijk 4, 301: “Daar zitten twee dienders in myn slee te wachten naar jou. Die hebben order dat men je in het witte wambus brengen zou”. Zie ook De Roever, Uit onze Amstelstad.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wambuis, Mnl. wambeys, uit het Ofr. waimbeis, van het M.-Lat. wambasium, dat op zijn beurt afgeleid is van ’t Germ. wamba = buik (Mnl. wamme). Het wambuis (= buikskleed) was oorspr. een kleed onder het pantser, ’t Woord wordt vaak verkort tot wammes (vgl. ’t Hgd. Wams = vest, borst- of buikkleed): „Op je wammes geven”, of ook enkel buis: „Wie zijn buisje lapt met leugens”, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wambuis ‘kledingstuk’ -> Amerikaans-Engels wamus, waumus, warmus ‘jasje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wambuis kledingstuk 1317 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut