Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

walnoot - (okkernoot (Juglans regia))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

walnoot zn. ‘okkernoot (Juglans regia)’
Mnl. wallnot ‘okkernoot’ [1477; Teuth.]; vnnl. waltnot [1515; iWNT], een wallnoete [1517; iWNT].
Het woord betekent letterlijk ‘Keltische noot’. Voor het tweede lid zie → noot 2. Het eerste lid is een oude volksnaam, Proto-Germaans *walha-, waarmee de Germanen hun niet-Germaanse buren aanduidden. Oorspr. waren dat de Kelten. De naam is dan ook hetzelfde als die van de door Caesar vermelde Keltische stam der Volcae. De betekenis ‘Romaans’ ontstond toen Gallië geromaniseerd werd.
Nfri. wâlnút; oe. walhhnutu [ca. 1050; OED] (ne. walnut); on. valhnot (nzw. valnöt).
Bij pgm. *wálha-: onl. walo ‘Romaan, Fransman’ [12e eeuw; ONW] (mnl. wale ‘id.’, nnl. Waal ‘Franstalige Belg’); ohd. walh ‘id.’; oe. wealh ‘Kelt’. De Germaanse toponiemen Wallonië, Wales en Cornwall voor niet-Germaanse gebieden gaan eveneens op deze woordstam terug. Voor het bn. pgm. *wálhiska- ‘Keltisch; Romaans’, zie → koeterwaals.
De walnootboom is inheems in het gebied rond de Middellandse Zee en werd in de vroege middeleeuwen ook veel aangeplant in Gallië (het huidige Frankrijk), vanwaar de noot werd verhandeld naar noordelijker streken. Walnoot is oorspr. een Oost-Nederlands woord, maar het wordt al door Kiliaan (1599) behalve als Duits, Saksisch en Rijnlands ook als Hollands bestempeld. Een oudere en nog steeds overwegend Zuid-Nederlandse benaming voor dezelfde noot is → okkernoot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

walnoot [okkernoot] {wallnot 1477} hoogduits Walnuss, naast welsche Nuss, engels walnut; het woord is een vertaling van latijn nux Gallica [Gallische noot]. Ook vindt men in me. lat. de mengvorm ‘walnux’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

walnoot

Een walnoot is een Waalse noot, als vertaling van het Latijnse nux gallica, gallische noot. De naam Waal kennen wij nog in woorden als Wallonië, Wales, Cornwall, maar ook in de zegswijze: ‘Wat wals is, vals is,’ die door de Vlamingen in de tijd van de Gulden Sporenslag werd gebruikt.

Oorspronkelijk werd de naam Waal gebruikt voor de Keltische bewoners van West-Europa die in het Latijn de Volcae werden genoemd. Toen hun gebieden door de Romeinen werden bezet, werd de naam langzamerhand ook gebruikt voor de bezetters, vooral in Noord- Frankrijk, maar ook in Italië.

Ook in het woord koeterwaals voor: onbegrijpelijke taal schuilt het woord Waal. Het Duits heeft Kauderwelsch.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

walnoot znw. v. m., mnl. walnōte, mnd. walnōt, walnut (> nhd. walnuss, sedert 1716), oe. wealhnutu, on. valhnot. Een oudere naam is mhd. wälhisch nusz een vertaling van lat. nux gallica, waarmee deze in het Middellandse-Zee-gebied inheemse, en in Gallië veel aangeplante boom werd aangeduid (deze naam ook in de romaanse talen vgl. ofra. nois gauge). De overname van het woord zal in de 5/6de eeuw aan de Neder-Rijn hebben plaats gehad (Weisgerber IF 62, 1955, 33-61).Het 1ste lid wal- gaat terug op de germ. volksnaam Walha-, vgl. mnl. mnd. Wāle, ohd. walah, walh ‘Romaan’, oe. wealh ‘Kelt, vreemdeling, slaaf’, on Valir ‘inwoners van Noord-Frankrijk, Romanen, Kelten; slaven (daar de bet. ‘slaaf’ alleen in het Engels voorkomt, zal het noordgerm. wel vandaar overgenomen zijn). Ten grond ligt de naam van de stam der Volcae (vgl. Neckel, Germanen und Kelten 1929, 114 vlgg.); deze naam werd zo vroeg overgenomen, dat hij de Germaanse klankverschuiving nog kon ondergaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

walnoot znw., mnl. walnōte v. = mnd. walnot, walnut (in ’t Hd. ingedrongen: nhd. walnuss) v., ags. wealhnutu (eng. walnut), on. walhnot v. “ walnoot”.Oorspr., evenals ’t synoniem mhd. welhisch nuʒ, on. vǫlsk hnot v., = “Waalsche noot”: vert. van mlat. nux gallica. Voor dgl. namen vgl. nog bij valk en waalwortel. De volksnaam germ. *walxa-, mnl. mnd. Wāle, ohd. Wal(a)h “Romaan”, ags. Wealh “Kelt, slaaf” (vgl. nog de eng. geografische namen Wales, Cornwall), on. Valir “bewoners van Noordfrankrijk” duidde oorspr. den kelt. stam der Volcae aan en het germ. woord is de blijkbaar vóór den tijd der klankverschuiving overgenomen kelt. naam. Uit ’t Germ. slav. vlach(ŭ) “Romaan”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

walnoot v., Mnl. walnote + Ags. wealhnutu, On. valhnot (Zw. volnōt, De. valnød); het eerste lid is de volksnaam Waal, Mnl. Wale, met Ohd. Walah (Mhd. walh), Ags. Wealh vóór de klankverschuiving ontleend aan den Kelt. volksnaam Volcæ. Uit het Ndl. komen Eng. walnut en Hgd. walnusz.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

walnoot (vert. van Latijn nux gallica)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

walnoot (1518) okkernoot; walnoteboom

De walnoot — wetenschappelijke naam Juglans regia — komt oorspronkelijk uit Azië. De Romeinen namen de boom mee naar Italië en vervolgens naar Duitsland en Frankrijk. In Frankrijk werden zeer veel walnootbomen aangeplant; van hieruit veroverde de noot heel Europa.
Toen de Germaanse volkeren de walnoot leerden kennen, was deze voor hen dus van Romaanse oorsprong. Daarom kreeg hij bij ons de naam Waalse noot, ‘noot uit het land van de Walen’ (Gallië en Italië) ter onderscheiding van de hazelnoot, die hier inheems was. Wal- gaat terug op de Germaanse volksnaam Walha ‘Kelt, Romaan, inwoner van Noord-Frankrijk’, die op zijn beurt is afgeleid van de naam van de stam der Volcae (vgl. koeterwaals).
Terug naar de walnoot. Bij de Romeinen was de walnoot een symbool van het huwelijk. Na de bruiloft gooide de bruidegom een handvol walnoten naar zijn jeugdige gasten — zoals nu bij ons de bruid haar boeket wegwerpt. Plinius bracht deze symboliek in verband met de vernuftige structuur van de noot: de deels gescheiden helften van de kern genieten de bescherming van één harde dop. Minder waarschijnlijk achtte hij de verklaring dat gasten de noten tegen de kamer gooiden waar de bruid werd ontmaagd om hiermee haar gekerm te overstemmen. ‘A very absurd notion, to all appearance’, tekenden de Britse tekstbezorgers Bostock en Riley hier in 1855 bij aan.
Volgens Plinius was de walnoot ook een krachtig geneesmiddel. Zo zou de noot, vermengd met onder andere olie en honing, goed zijn tegen onder meer keel- en oorontsteking, verstuikingen, huiduitslag, dysenterie, zweren en blauwe plekken, hondebeten, cariës en kaalhoofdigheid. Bovendien gebruikten Romeinse vrouwen het sap van de walnoot om hun haar een rode gloed te geven (rood haar stond bij de Romeinen hoog aangeschreven).
In Nederland kende men voorheen zeer veel verschillende walnootbomen. Serrurier (1806) onderscheidde maar liefst veertien verschillende soorten, waaronder de kraaknoot, de dunschillige paardenoot, de boternoot, de bloed-walnoot, de St. Jansnoot en de grote en de kleine steen-okkernoot. Ook hier verwierf de noot zich een plaatsje in het volksgeloof: walnoten die op Sint-Jan (24 juni) of op Sint-Jakob (25 juli) werden geoogst, zouden helpen tegen kolieken; kinderen die walnoten aten zonder brood, kregen luizen; een walnotetak boven de huisdeur zou bescherming bieden tegen blikseminslag.
Kortom, de walnoot is een noot om even bij stil te staan.

Engels walsh-nut, walnut; Duits wälhisch nuš (14de eeuw), Walnuß (±1650).

Plinius (ed. Bostock & Riley, 1855-1857) Nat. Hist. XV, 24, & XXIII, 77; Serrurier Fruitkundig wdb. 2 (1806) 151-161; Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 772; Verdam Middelned. wdb. 9 (1929) 1634, 1636 (walsch); Vries Ned. etym. wdb. (1971) 814; Kluge Etym. Wtb. d. deutschen Spr. (197521) 835; Hiller Atlas bijgeloof (1987) 201; Veen Etym. wdb. (1989) 810; WNT XXIV (1989) 85 (waal III), 776; Vries & Tollenaere Etym. wdb. (199115) 417; OED (19932); Pfeifer Etym. Wtb. d. Deutschen (19932) 1535; Leuvense bijdr. 83.2 (1994) 230.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Walnoot: de noot der Walen of Walsche noot. De Germanen duidden met walh oorspr. de Kelten aan (eig. den volksstam der Volcae); later meer: de Romanen in Italië en Frankrijk. Bij ons is Waalsch meer „Fransch” geworden: Waalsche of Walsche boonen. Eveneens is walnoot: Walsche noot, als vertaling van ’t Lat. nux gallica = Gallische of Keltische noot.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

walnoot ‘okkernoot’ -> Duits Walnuß ‘okkernoot’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

walnoot okkernoot 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut