Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

walen - (keren, kenteren)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

walen* [keren, kenteren] {ca. 1561 in de betekenis ‘aan de zwier zijn’; de betekenis ‘omslaan (van tij)’ 1642} middelnederduits walen [rollen], oudhoogduits wellan [wentelen, rollen]; buiten het germ. latijn volvere [wentelen], grieks eileō, (< ∗weileō) [idem], oudkerkslavisch valiti [wentelen], vgl. oudindisch valati [hij wendt zich] (vgl. wellen2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

walen ww. ‘keren, draaien (zeeterm), kenteren (van het tij)’, mnd. wālen ‘rollen’, (trans.), woelen (refl.). Daarnaast het sterke ww. ohd. wellan ‘wentelen, rollen’, vgl. Teuth. welboom ‘rol om de akkers gelijk te maken’. Vgl. on. valr ‘rond’ en mnd. wal, ofri. walu ‘stok’, oe. walu v. ‘striem na een slag’, on. vǫlr, got. walus ‘ronde stok’. — osl. valiti ‘wentelen’, oi. valati ‘zich wenden, zich draaien’, lat. volvō ‘wentelen’, gr. eiléō (< *u̯elneō) ‘wentelen, rollen’, oiers fillim ‘buigen’, lit. veliù, vélti ‘walken’, ap-valùs ‘rond’ (IEW 1140-2). — Zie ook: waal. walken, walm 1, walm 2, wellen, woelen en wulk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

walen (zeeterm: draaien, ongestadig zijn; van ’t tij: beginnen te verloopen), bij Kil. naast wallen in de bet. “mutare, vertere”, niet mnl. = mnd. wālen “rollen” (trans.), refl.: “woelen”. Hiernaast het sterke ohd. wëllan “wentelen, rollen” (trans.), mnl. in wel-boom m. “rol om akkers enz. gelijk te maken”, waarbij de samenst. ohd. os. bi-wëllan “bezoedelen”, ofri. bi-ullen verl. deelw. “bezoedeld”. Verder hierbij on. valr “rond”, vǫlr m. “ronde stok”, got. walus m. “stok”, ofri. walu “id.” (in walubëra m. “stokdrager, pelgrim”) benevens de bij walken, walm, wellen, woelen, wulk besproken germ. woorden e.a. Zie ook wilg. Buiten het Germ. o.a. ier. fillim “ik buig”, lat. volvo, gr. eilúō “ik wentel, omhul”, obg. valją, valiti “wentelen”, lit. ap-valùs “rond”, alb. vaľɛ “borreling van kokend water, golf”, arm. gelum “ik draai, wind”, oi. válate “hij draait zich, wendt zich”. De verlengde basis wel-w-, waarvan lat. volvo, gr. eilúō, arm. gelum komen, ook in got. -walwjan, ags. wielwan “wentelen, rollen”, alb. vjeł “ik braak”, misschien ook in oi. vṛṇóti “ hij bedekt, omringt”. Voor andere verlengingen zie walgen, walken, wals.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

walen. Het znw. wel-boom is uit de Teuth. bekend, een ww. wellen (zwak?) ‘(akkers) met een rol gelijk maken’ uit de Voc. Cop. (einde 15e eeuw). Bij deze woordfamilie behoort ook mnl. (nog zuidndl.) walm m. ‘bos stro’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

walen ono.w., Mnl. id. + Ndd. en dial. Hgd. id.: van denz. wortel als wallen en woelen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Walen (Keltisch)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

walen ‘keren, kenteren’ -> Frans dialect waler; wâler ‘aarzelen, steeds van plaats wisselen; hard lopen zonder doel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut