Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waggelen - (wankelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waggelen ww. ‘wankelen’
Mnl. wa(g)ghelen ‘doen wankelen, doen heen en weer bewegen’ in Ende dat suldi setten op dat been daer men dat gat hebben wille Ende dat wagghelt tusschen uwen handen ‘en dat (instrument) moet u op het bot plaatsen waar men het gat wil hebben en draai dat (instrument) tussen uw handen heen en weer’ [1351; MNW-P], menschen, die nu sommels plaghen te wagghelen ‘mensen die nu af en toe plachten te wankelen’ [ca. 1440; MNW sommaels], waglen, wagelen ‘wankelen’ [1477; Teuth.], die comen daer dicke weder uut al waghelende, stronckelende, strompelende ‘die komen daar (nl. uit de kroeg) dikwijls al waggelend, struikelend, strompelend weer uit’ [15e eeuw; MNW].
Frequentatief, met expressieve geminatie, van waghen ‘schudden, trillen, wankelen’ zoals in Dat die tur begonde waghen ‘dat de toren begon te wankelen (door het gebeuk met een stormram)’ [1285; VMNW], tande die waghen ‘wiebeltanden’ [1287; VMNW].
Bij mnl. waghelen: mnd. wag(g)elen (vanwaar door ontlening nhd. wackeln); nfri. w(r)aggelje; ne. waggle; nzw. dial. vagla.
Bij mnl. waghen: os. wagian (mnd. wagen); ohd. wagōn; oe. wagian (ne. wag); on. vaga (nno. vaga, met geminaat: nzw. vagga); alle met vergelijkbare betekenissen ‘wankelen, wiebelen, heen en weer bewegen e.d.’, < pgm. *wagōn-.
Ablautend zwak werkwoord bij de wortel van → wegen, dat oorspr. ‘bewegen’ betekende. Zie ook → wieg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waggelen* [wankelen] {ca. 1430} middelnederduits waggelen, middelhoogduits wackeln, engels to waggle; iteratief van wagen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waggelen ww., mnl. waggelen, mnl. waggelen, mhd. wackeln, ne. vaggle, nnoorw. nzw. dial. vagla is een iteratief van nijsl. nnoorw. vagga ‘wiegen, heen en weer schudden’, nzw. vagga ‘wiegen’ (vgl. on. vagga v. ‘wieg’). — Een vorm met affectief geminatie -gg- naast wagen 3, ‘heen en weer bewegen, schommelen’, deverbatieve formatie bij bewegen. — Zie ook: wieg. — Mogelijk > ne. waggle, dat eerst 1586 optreedt (vgl. Bense 559).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waggelen ww. Kil. wagghelen, waeghelen, beide al mnl. = laat-mhd. (nhd.) wackeln, mnd. waggelen, wāgelen, eng. to waggle, noorw. en zw. dial. vagla “waggelen, schommelen, zich onvast bewegen”; ’t hd. (md.) woord is wellicht een afl. van laat-mhd. wacken “waggelen”. Bij mnl. wāghen “zich bewegen, wiegelen”, ohd. wagôn “zich bewegen, los zitten”, os. wagon, ags. wagian (eng. to wag), on. vaga “id.”. Evenals ohd. os. waga v. “wieg”, ohd. waga, mnd. wāge v. “beweging”, on. vǫg v. “hefboom” ablautend met wegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waggelen ono.w., frequent. van wagen 3. Hierbij ook het intens. wakkelen, Mhd. wacken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

waggel ww.
1. Heen en weer wankel. 2. Steier.
Uit Ndl. waggelen (al Mnl. in bet. 1, 1556 in bet. 2), 'n frekwentatief van wagen 'beweeg, wieg'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm wakkel.
D. wackeln (14de eeu), Eng. waggle (1440).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

waggel: wankelend beweeg; Ndl. waggelen (Mnl. en by Kil wagghelen/waeghelen, blb. ’n frekw. by Mnl. wāghen, “beweeg”), Hd. wackeln, Eng. wag en waggle, hoofs. Germ., v. ook wikkel, wieg.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waggelen, frequ. van ’t Mnl. wagen = in beweging zijn, verwant met ons (be)wegen, van den wt. weg, zie Weg. Bij Hooft is waggeling ook weifeling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waggelen ‘wankelen’ -> Duits wacklen ‘wankelen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waggelen* wankelen 1430 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut