Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

wad (doorwaadbare plaats, buitendijkse zandplaat)

M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands

wad zn. ‘doorwaadbare plaats, buitendijkse zandplaat’
Onl. wada ‘doorwaadbare plaats’ in toponiemen, o.a.: Uadam (gelatiniseerd) ‘Wadenoijen (Gelderland)’ [107, kopie 11e eeuw; Künzel], UUadahe ‘id.’ [850, kopie 1091-1100; Künzel], UUatuurð ‘Wadwerd (Groningen)’, letterlijk ‘wadwoerd’ [10e-11e eeuw; Künzel], Raueneswade ‘Ravenswaaij (Gelderland)’ [1139, kopie 1391-1400; Künzel]; mnl. wat ‘doorwaadbare plaats, het diepste gedeelte daarvan’ in wye ghecomen si int wat, hy pijnt hem voort, al wort hi nat ‘wie (bij het oversteken van een water) bij het diepste gedeelte komt, ploetert voort, ook al wordt hij nat’ [ca. 1480; MNW]; vnnl. wat ook ‘buitendijks gebied voor de kust van Friesland en Groningen’ in die ghene, ... die van t Wadt mochten comen ‘degenen die van het Wad (nl. de Waddenzee) zouden komen’ [1559; iWNT], oover de Watten ‘over de Wadden(zee)’ [1599; iWNT], Vytgaende over Zee ende de Wadden ‘uitgevoerd over de (Noord)zee en de Waddenzee’ [1609; iWNT zwijn I], ‘zandplaat’ in D' Oostewint drijft er drie ... naer het strant (‘de kust’) toe, ... slooptze op de wadden [1646; iWNT bewellen].
Mnd. wat; ohd. wat (nhd. Watt); nfri. waad, wâd; oe. wæd ‘water, zee’; on. vað (nde./nzw. vad; nde. vade ‘wad’); alle (behalve oe.) ‘doorwaadbare plaats’, < pgm. *wada-.
Het Oudnederlandse woord is door het Frans ontleend als gué ‘doorwaadbare plaats’ (Oudpicardisch en Oudnormandisch ), met de klankwettige overname van Germaans *w- als Oudfrans gw-, later g- in leenwoorden.
Verwant met Latijn vadum ‘doorwaadbare plaats’, dat als erfwoord voortleeft in sommige Romaanse talen, bijv. Spaans vado, Portugees vau, Roemeens vad. Zie verder het verwante, oorspronkelijk sterke werkwoord → waden.
De oorspr. betekenis van dit woord is ‘doorwaadbare plaats’, bijv. in een ondiepe rivier. Het toponiem Wadwerd [10e-11e eeuw] aan de voormalige Groningse kust refereert aan het ondiepe, bij laagtij grotendeels droogvallende zeegebied voor de kust van Noord-Nederland. In die betekenis wordt het woord ook als collectivum gebruikt en was de meervoudsvorm (oorspr. waden zoals bad - baden) dus ongebruikelijk. In het Vroegnieuwnederlands breidde de betekenis zich uit naar ‘droogvallende buitendijkse grond, zandplaat’ en werd het woord ook als telbaar begrip gebruikt. Er ontstond een nieuwe meervoudsvorm wadden, terwijl ook watten (met gegeneraliseerde auslaut uit het enkelvoud) enige tijd in gebruik is geweest (16e-17e eeuw).
De naam Waddenzee is relatief jong (in de zonneschijn op de Waddenzee (bij Sylt) [1895; Leeuwarder Courant]) en is een leenvertaling van Duits Wattenmeer [1865; Hansen 1865].
Lit.: C.P. Hansen (1865), Das schleswig'sche Wattenmeer und die friesischen Inseln, Glogau

N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek

wad* doorwaadbare plaats 0107 [Claes]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek

wad* [doorwaadbare plaats] {in de plaatsnaam Vadam, genoemd bij Tacitus, nu Wadenooien (Gld.) <ca. 107>, wat, wad 1480} middelnederduits, oudhoogduits wat, oudengels wæd [water, zee], oudnoors vað; buiten het germ. latijn vadum [doorwaadbare plaats] (vgl. waden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek

wad znw. o., mnl. wat o. ‘waadbare plaats, diepte’, mnd. wat o. ‘waadbare plaats, wad’, ohd. wat o. ‘waadbare plaats’, oe. wæd ‘water, zee’, on. vað o. ‘waadbare plaats’, beantwoordt geheel aan lat. vadum. — Zie verder: waden.

Uit frank. *wað is ontleend fra. gué, evenals ital. guado waarsch. uit het langob.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal

wad znw. o., mnl. wat o. “waadbare plaats, diepteˮ. De oorspr. flexie was met één d. = ohd. wat o. “waadbare plaatsˮ, mnd. wat o. “id., wadˮ, ags. wæd o. “water, zeeˮ, on. vað o. “waadbare plaatsˮ = lat. vadum “id.ˮ. Vgl. nog ofri. un-wad, un-wedde “niet doorwaadbaarˮ. Zie verder waden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal

wad o., Mnl. wat + Ndd. wad, Ohd. wat: verbaalabst. van waden.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen

Wad, van waden, en dit van den Germ. wt. wad = gaan, vooral door ’t water.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Terug naar lijst

Hosted by Meertens Instituut