Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

wacht - (het waken; groep personen die waakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

wacht zn. ‘het waken; groep personen die waakt’
Onl. wahta ‘iemand die waakt, wachtpost’ in Latijnse context in faciunt uuagtas ‘zij stellen wachtposten op’ [9e eeuw; ONW]; mnl. wachte ‘oplettendheid, bewaking, wachtpost’, in de vorm wagte [1240; Bern.], De ghene die hilden die wachte ‘degenen die de wacht hielden’ [1285; VMNW], ‘groep bewakers’ in De wachte vondsi slapende ‘de wachters troffen zij slapend aan’ [1285; VMNW].
Os. wahta (mnd. wacht(e), en door ontlening nzw. vakt); ohd. wahta (nhd. Wacht); nfri. wacht; < pgm. *wahtō-. Daarnaast got. wahtwo < pgm. *wahtwō-.
Afleiding van de wortel *wak- van → waken, met pgm. *-kt- > *-ht-.
Het woord is in zijn Frankische vorm *wahta in het Oudfrans ontleend als guaite ‘wachter, iemand die de wacht houdt’ [ca. 1135; TLF], noordelijk ook waite, met al vroeg een bijbehorend werkwoord waiter ‘de wacht houden’ [ca. 1090; FEW], gaitier [ca. 1190; FEW] (Nieuwfrans guetter ‘bespieden; afwachten’).
wachten ww. ‘blijven tot iets gebeurt, nog niet beginnen’. Onl. *wachten ‘bewaken, de wacht houden’ op grond van de afleiding wahteri ‘bewaker’ in thie waghtara, thie thie burgh umbegent ‘de wachters die de stad bewaken’ [ca. 1100; Will.]; mnl. wachten ‘opletten, in de gaten houden, bewaken’ in mar wachten hem wel dat dit niet te dicke ne geschie ‘maar ze moeten er wel op letten dat dit niet te vaak gebeurt’ [1236; VMNW], wagten, wachten ‘bewaken, de wacht houden, bespieden’ [1240; Bern.], Die haer scape hadden ghewacht ‘die hun schapen hadden bewaakt (gehoed)’ [1285; VMNW], ‘wachten’ in .xviii. daghe waest ghewacht ‘er werd 18 dagen gewacht’ [1285; VMNW]. Afleiding van wacht. In het Middelnederlands had het woord vele betekenissen en betekenisnuances rondom het aspect ‘bewaken, opletten’; die zijn in het Nieuwnederlands geheel verouderd, maar nog wel herkenbaar in de afleiding wachter ‘bewaker’ en in de uitdrukking wacht u voor de hond! ‘wees op uw hoede voor de hond’. Het betekenisaspect ‘blijven tot iets gebeurt’ is uitgegroeid tot hoofdbetekenis. Een vergelijkbare ontwikkeling heeft zich voorgedaan bij Duits warten ‘wachten’, uit oorspr. ‘de wacht houden’, zie → garde ‘keurkorps’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

wacht* [het waken] {wachte [bewaking, wacht] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits wahta, gotisch wahtwo; van waken. De uitdrukking iets in de wacht slepen [zich meester maken van iets, zich iets toe-eigenen] is ontleend aan het in het wachtlokaal slepen van voorwerpen door soldaten of politiemensen. De uitdrukking iemand de wacht aanzeggen [iem. iets op het hart drukken] betekent eig. ‘iem. aanzeggen dat het zijn beurt is om de wacht te betrekken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

wacht znw. v., mnl. wachte v. ‘wacht, bewaking, hoede, waakzaamheid’, os. ohd. wahta (nhd. wacht), got. wahtwo v. — Afl. v. van waken, en wel uit een grondvorm *wahtwō-. — Zie ook: wachten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

wacht znw., mnl. wachte v. “wacht, ʼt bewaken, wacht-houden, hoede, waakzaamheidˮ (de bet. “wachter(s)ˮ eerst nnl.) = ohd. os. wahta (nhd. wacht), got. wahtwo (of wahtwa?) v. “id.ˮ germ. *waχtwô(n)-. Bij waken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

wacht v., Mnl. wachte, Os. wahta + Ohd. id. (Mhd. wachte, Nhd. wacht): van waken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

wacht: de Jonge Wacht, (hist.) R.K. jongerenorganisatie, later opgegaan in de padvinderij.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

wag I: iemand wat sorg v. veiligheid; sorg; sorgtyd; Ndl. wacht (Mnl. wachte, “bewaking”, bet. “wagter” eers Nnl.), Hd. wache/wacht, Eng. watch, v. ook waak, asook wag II.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een wacht(er) voor de mond of lippen zetten, op zijn woorden passen; zwijgen.

Een wacht voor de mond zetten komt letterlijk uit de bijbel: 'Zet een wacht voor mijn mond, HEER, / een post voor de deur van mijn lippen. / Houd mijn hart ver van het kwaad, / verleid het niet tot goddeloze daden / met hen die onrecht bedrijven, / laat mij niet eten van hun overvloed' (Psalmen 141:3-4, NBV). De lippen in de variant komen uit de volgende zin: 'een post voor de deur van mijn lippen'. Wacht is zoveel als bewaking, dat de variant met wachter 'bewaker' kan verklaren (maar in de bijbelvertalingen wordt nergens wachter gebruikt). Ook komt slot voor in plaats van wacht, zie bijvoorbeeld Jezus Sirach 22:33 (vers 27 in de NBG-vertaling) in de Deux-Aesbijbel (1562), 'O dat ick konde een slot voor mynen mont hanghen, ende eenen vasten seghel op mynen mondt drucken'.

Statenvertaling (1637), Psalmen 141:3. HEERE, settet een wacht voor mijnen mont: behoedet de deure mijner lippen.
Deze man, de zoon van Felix. Maar voor haar lippen staat een wacht en ze respecteert de wens van de oude man om dit vóór zich te houden. (J. Burgers-Drost, Als de liefde een kans krijgt, 1988, p. 159)
De zaterdagen op het Hemeltje [een boerderij] zijn voor haar het thuiskomen op een geliefde plek bij een dierbaar mens. Waar ze zich vrij en ongedwongen geven kan zoals ze is. [...] Waar ze geen wachter voor haar lippen hoeft te zetten en geen wachter voor haar hart. (H.J. van Nijnatten-Doffegnies, $t Hemeltje, 1993 (1953), p. 150)
Nu Van Mierlo mee mag onderhandelen loopt hij rond met een slot op de mond en gedraagt hij zich roomser dan KVP-leider Romme in de jaren vijftig. (NRC, mei 1994)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

wacht. Een wacht, een persoon die de wacht houdt, kon vroeger het eind van het nachtelijk samenzijn van de geliefden melden. Het dienstdoen als bewaker van iets is evenwel meestal minder romantisch. Een wacht vervult zijn taak vaak alleen en met alle risico’s van dien. Een risico neemt ook degene die een wacht onverwacht nadert. Zo’n nadering kan onheil en gevaar met zich meebrengen omdat de wacht vijandelijkheden veronderstelt. Tegen die achtergrond moet men de verwensing loop naar de wacht! verklaren. Die letterlijke betekenis is vervaagd en overwoekerd door een emotionele die woede en verontwaardiging uitdrukt en omschreven kan worden met ‘rot op’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Wacht, van waken; denom. is wachten, letterl.: de wacht houden, en dus (als een schildwacht) blijven staan (tot iemand gereed is, uit het huis komt, enz.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

wacht ‘het waken; groep personen die iets bewaakt’ -> Deens vagt ‘het waken; groep personen die iets bewaakt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors vakt ‘het waken, waakdienst; groep personen die iets bewaakt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds vakt ‘het waken, waakdienst; groep personen die iets bewaakt’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vahti ‘het waken; wachter’ ; Ests vaht ‘groep personen die iets bewaakt’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools wachta ‘groep personen die iets bewaakt’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch vahta ‘groep personen die iets bewaakt’ (uit Nederlands of Duits); Russisch váchta ‘het waken; groep personen die iets bewaakt; (sovjettaal) controleplaats bij toegangsdeur, belangeloos werk voor de partij, ploegendienst, nachtdienst; (Bargoens) schavot’; Bulgaars vachta ‘het waken op een schip; groep personen die een schip bewaakt’ ; Negerhollands wacht, wach, wak, wagt ‘het waken; groep personen die iets bewaakt’; Sranantongo wakti ‘het waken; groep personen die iets bewaakt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

wacht* het waken 1080 [Rey]

wacht* groep personen die iets of iemand bewaakt 1522 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1590. In zijn naad zitten,

d.w.z. in angst, in de benauwdheid, in de rats zitten; syn. van kieren, ('m) knijpen (in D.v.S. 13), in de knijp of de knijperd zitten (no. 1176), in zijn gat geknepen zitten, een naad of naadjes fokkenWeekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs IX, 425., met de poepers zitten, verlegen, bevreesd zijn (Waasch Idiot. 529), in zijn achterkamer zitten (langs de Vecht); in zijn stinkerd zitten, bang zijn (Gunnink, 216), pijn in zijn buik hebben, het in zijn gat hebben (Brederoo, Moortje, 2320), welke uitdrr. doen vermoeden, dat we aan naad de beteekenis van bilnaad moeten toekennen. De zegswijze wordt o.a. aangetroffen bij Speenhoff, II, 109:

 Dagen, nachten, bleef hij zoeken,
 Iedereen vroeg hij om raad;
 Maar ze was niet meer te vinden.
 Hij zat leelijk in zijn naad.

D.H.L. 12: Voor de majoor zit-i in z'n naad, niet zoo'n beetje!; Nkr. IV, 22 Mei p. 4: Die (kapitalisten) zitten zoo erg in hun naad uit angst voor de socialisten; 28 Aug. p. 5: Dus, als je eens later wilt knoeien, en zit je geducht in je naad, dan zoek je maar drie oude heeren en die maak je tot eereraad; 23 Oct. p. 4: Duymaer van Twist en Van Vlijmen zijn heel kordaat, voor hen zit de oorlogsminister schier in zijn naad. Een dienstklopperd.i. iemand die nauwkeurig alle dienstverrichtingen vervult, een strenge meerdere, dienstdoener; zie V. Ginneken II, 451, 453; D.H.L. 123: 'n Zoogenaamd ‘goeie’ kapitein, 'n 'er warm inzittende, lauwe dienstklopper, die officier speelt voor de eer; Zandstr. 30; Ndl Wdb. III, 2547; Nierstrasz, 55: Bij zijn chefs stond hij in een goed blaadje, omdat hij een echte ‘dienstklopper’ was; Amsterdammer 8 Aug. 1915 (omslag) p. 4 k. 1: Een eerste stuurman, een nurksche nijdige dienstklopper; Het Volk, 8 Mei 1914, p 2 k. 3: Echter was er dezer dagen een dienstklopper, die een der posters mede naar het bureau nam. Hiernaast een ww. dienstkloppen, nauwkeurig alle dienstverplichtingen vervullen; vleien, stroopsmeren; vgl. Woordenschat, 193: dienstkloppen, verschillende personen voor dienst commandeeren; meer dienst doen en vorderen dan noodig is; D.H.L. 61: De officieren kloppen weer dienst en zeggen model: kom, allo, in de pas, één, links, rechts. Vgl. ook een wachtje kloppen, de wacht houden; D.v.S. 86; - Het Volk, 13 Juli 1915, p 1 k. 3: Door het vele wachtkloppen en de brandwacht op Zondag is het een bof, wanneer men Zondags vrij is; Zondagsblad v Het Volk, 19 Febr. 1916, p. 2: God, God, wat is 't warm! Zoo'n wacht heeft-ie nog nooit geklopt. Een duur wachtje kloppen, de wacht voor geld afkoopen (V. Ginneken II, 458); evenzoo bij Horn, 79: der Soldat kloppt auch Wache oder schiebt Patrouille. Een dienstklopper heet in het hd. ein Dienstbeiszer, - büffel, - fuchs., die bang is voor straf, die spoedig in den naad zit, ‘'m knijpt’, heet een Harry Knijp.

2506. In de wacht sleepen,

d.w.z. zich toeëigenen, ‘wennen’, veroveren, winnen; ontleend aan de soldaten of de politie-agenten, die iemand of iets in de wacht, het wachtlokaal, opbergen, arresteeren, inrekenen. Vgl. V. Ginneken II, 463: In de wacht sleepen: iets meenemen of meepakken, vooral als het voorwerpen betreft, waarvan het eigendomsrecht betwist zou kunnen worden; Harreb. II, 432: Hij haalt alles in de wacht, het is een inhalig mensch; Nkr. III, 25 Dec. p. 4:

 Ze hebben gesjacherd‘Sjacheren’ is, evenals het hd. schachern, ontleend aan 't hebr. sâhar, handeldrijvend rondtrekken. aan de Bank,
 Verheugden zich in 't geldgeklank;
 Ze sleepten de winsten in de wacht
 En hebben de eerlijkheid verkracht.

Zondagsblad van Het Volk, 2 Juli 1905 p. 7: Z'n klokke is al weg. Heb je dat in de wacht gesleept? Neê, Kees, gekocht voor vijf en dertig stuivers; Nkr. III, 5 Sept. p. 4: t' Is Roomsche plicht om Breukelen zelf in de wacht te sleepen; Het Volk, 29 Januari 1914 p. 6 k. 4: De vrijzinnigen voelen zich de kam gewassenVgl. ook Nkr. IX, 14 Aug. p. 2: Hoe zwol den rekels toen de kam! Ze voelden zich al heer en meester van Zaandam!; hd. der Kamm schwillt ihm, er wird übermütig, herausfordernd. Wanneer een haan kwaad wordt en wil vechten, zwelt hem de kam en wordt deze rood. Zie ook Molema, 189: 'n kam kriegen, boos worden; het I7de eeuwsche den hanekam opsteken, zich trotsch verheffen; fr. lever, dresser la crête. door de zoo gemakkelijk behaalde overwinning in IV en hopen ook dit zeteltje in de wacht te kunnen sleepen; Nw. School, VI, 263: Zo'n broekie dat pas zijn hoofdakte per ongeluk in de wacht gesleept heeft; De Arbeid, 21 Maart 1914 p. 4 k. 2: Ook de onkosten sleepen een boel in de wacht; 12 Dec. 1914 p. 2 k. 2: Maar wàt er te halen valt sleepen ze in de wacht..... Wat is dat nu weer voor 'n smerige uitlating? Wat sleepen de ‘vrijen’ in de wacht, Jan Oudegeest, wat hen niet toekomt?; 16 Januari 1915 p. 2 k. 4: Is het geen heerlijk idee te weten dat die voor 2 1/2 millioen gulden heeft ingeschreven op de leening, aan rente, daarvan jaarlijks 125 duizend gulden in de wacht sleept? Het Volk, 19 Aug. 1915 p. 5 k. 4: Wie denkt daar nu aan als er een baantje in de wacht valt te sleepen? D.H.L. 13; Het Volk, 7 Maart 1914 p. 7 k. 2: Vol verwachting gaan dus morgen de roodwitten naar Rotterdam om te trachten de twee puntjes of althans één in de wacht te sleepen; 5 Januari 1914 p. 8 k. 2: We zien Quick, dat nog bijna alle thuiswedstrijden moet spelen, nog wel meer puntjes in de wacht sleepen; Haagsche Post, 17 Oct. 1914 p. 8 k. 3: Nadat Buwalda den stand op 2-2 gebracht had, wist Van Randwijck zoowaar de twee puntjes in de wacht te sleepen.

2507. Iemand de wacht aanzeggen,

in eig. zin iemand mededeelen, dat het zijne beurt is de wacht te betrekken (Ndl. Wdb. I, 494); in fig. zin: iemand iets op het hart, op 't gemoed drukken, hem ernstig waarschuwen dat hij zich moet wachten, op zijn hoede zijn moet; vgl. Harreb. II, 432; Hoeufft, 670; Molema, 463: Iemand de wacht aanzeggen, onder bedreigingen hem aan zijn plicht, zijn taak herinneren; Gallée, 51: de wacht anzeggen, waarschuwen; Van Schothorst, 224: de wacht anzeggen, voor de laatste maal waarschuwen; Haagsche Post, 7 Febr. 1920 p. 193 k. 4: De leiders der steeds in macht toenemende Engelsche Labour-Party vinden dat het nu genoeg is met Russische avonturen en hebben in een lang manifest hun regeering de wacht aangezegd; 22 Maart 1918 p. 250 k. 1: Hij maakte den indruk een man te zijn die niet slechts weet wat hij wil, maar ook wil wat hij weet. Zonder eenige slag om den arm zei hij den conservatieven de wacht aan in zake het Pruisische kiesrecht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut