Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waarnemen - (gewaarworden; tijdelijk vervullen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waarnemen ww. ‘gewaarworden; tijdelijk vervullen’
Mnl. ware nemen ‘aandacht schenken aan, zorg dragen voor’ in Du sander sente Seruase dare. dat her der cristenheide neme ware ‘toen zond hij Sint-Servaas daarheen, opdat hij de christelijke gemeenschap onder zijn hoede zou nemen’ [1200; VMNW ware II], (si) met groter besechheiden Hars namen ware in elker stonde ‘zij verzorgden haar voortdurend met grote inspanning’ [1265-70; VMNW], die pape nam doe dat vatekijn Ende ondeet ende nams ware ‘de priester nam toen het vaatje en opende en inspecteerde het’ [1290; VMNW], Sommighe menschen en connen niet zwighen ende en nemen niet waer wat si seggen ‘... en letten niet op wat ze zeggen’ [1437; MNW-P]; vnnl. waernemen ook ‘aandachtig bekijken, gadeslaan’ in ick neme waer, ick slae gaey, ic mercke vlijtelick [1552; iWNT], ‘benutten, profiteren van’ in De gheleghentheyt waernemen [1552; iWNT], ‘(een ambt) uitoefenen’ in 't ampt van oppercoopman waernemen [1624; iWNT], ‘zorg dragen voor een zaak’ in Laet den handel van Percia altijt wel waernemen ‘onderhoud de handelsbetrekkingen met Perzië altijd goed’ [1627; iWNT]; nnl. Wy hebben hier een byzonder verschynsel waargenomen [1761; iWNT].
Gevormd uit mnl. ware ‘zorg, aandacht, opmerkzaamheid’ en → nemen.
Nfri. waarnimme.
Bij mnl. ware: os. wara; ohd. wara (mhd. war(e)) ofri. ware; oe. waru; on. vari; alle ‘opmerkzaamheid, zorg, bescherming e.d.’ < pgm. *warō-. Hetzelfde eerste lid komt ook voor in → waarschuwen en → verwaarlozen, en zie ook → garage en → garant.
Hierbij ook het bn. *wara- ‘opmerkzaam, behoedzaam’, waarvoor zie → gewaarworden, en het ww. *warōn- ‘behoeden, zorgen voor’, waarvoor zie → bewaren.
Verwant met: Latijn verērī ‘bezorgd zijn, vrezen’ (zie ook → reverentie); Grieks horãn ‘bewaken, toezien, kijken’ (zie ook → panorama en → diorama); Oudiers cóïr ‘oprecht’; Tochaars B wär- ‘ruiken’, were ‘geur’; bij de wortel pie. *uer- ‘bemerken, gadeslaan’ (LIV 685).
De betekenissen ‘in acht nemen, aandacht schenken, zorg dragen’ en algemener ‘aandachtig bekijken, gadeslaan’ zijn al Middelnederlands. In het Vroegnieuwnederlands ontstonden hieruit enkele afgeleide betekenissen, bijv. ‘de belangen van een zaak of persoon behartigen’ (in een zaak waarnemen), ‘een ambt of functie uitoefenen’ (in een functie waarnemen, ontstaan via ‘zorg dragen voor de uitvoering van een ambt’) en ‘benutten’ (in de gelegenheid waarnemen).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waarnemen* [tijdelijk bekleden (van ambt), bemerken] {ware nemen [bemerken, zorg dragen voor] 1200} waarin middelnederlands ware [hoede, bewaking] (vgl. waarschuwen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waarnemen ww., mnl. wāre nēmen ‘acht slaan, zorg dragen’, os. wara niman, ohd. ware neman (nhd. wahrnemen), samengesteld met het znw. mnl. wāre, os. ohd. wara ‘het acht slaan, zorgen’, oe. waru v. ‘het zorgen, in acht nemen’. Vgl. het bnw. mnl. ghewar, gheware ‘oplettend, vlug klaar’ (zie: gewaarworden), os. giwar ‘opmerkend, gewaar’, ohd. giwar ‘oplettend, voorzichtig, gewaar’ oe. gewær ‘gewaar’ (ne. aware), samenstelling van os. war ‘voorzichtig’, oe. wær ‘gewaar, opmerkzaam, voorzichtig’, on. varr ‘behoedzaam, schuw’, got. war ‘behoedzaam’ van germ. *wara-. — Zie ook: bewaren en waarschuwen.

Men verbindt dit woord met de onder waarborg genoemde idg. wt. *u̯er ‘acht geven op’. Indien men echter met FW verband mag leggen met weren, dan ligt het voor de hand aan te knopen aan de idg. wt. *u̯er ‘vlechtwerk, gevlochten omheining’ (waarvoor zie: weer 4).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waarnemen ww., mnl. wāre nēmen “acht slaan, zorg dragenˮ. = ohd. os. wara nëman resp. niman (nhd. wahrnehmen) “id.ˮ. Het znw. mnl. wāre, ohd. os. wara v. “het acht-slaan, zorgenˮ = ags. waru v. “het zorgen, in acht nemenˮ. Zie verder bij waar II en waarborg. Verder hoort hierbij het bnw. mnl. ghewar, ghewāre “oplettend, vief, vlug klaarˮ (ook in ghewāre werden, nnl. gewaarworden), ohd. giwar “oplettend, voorzichtig, gewaarˮ (nhd. gewahr), os. war “voorzichtigˮ, giwar “opmerkend, gewaarˮ, ags. wær “gewaar, attent, voorzichtigˮ, gewær “gewaarˮ (eng. (a)ware), on. varr “behoedzaam, schuwˮ, got. war “behoedzaamˮ, germ. *wara-. Een afl. hiervan resp. van ʼt znw. ohd. wara enz., germ. *warô- is be-waren, mnl. bewāren “ʼt oog houden op, bewaren, beschermen, zorgen, in acht nemenˮ, onfr. be-warun “observareˮ, ohd. bi-warôn “in acht nemen, zorgen voor, beschermen, bewarenˮ (nhd. bewahren), os. waron, ofri. (bi)waria, ags. (be)warian (eng. to beware “cavereˮ, zoo reeds ags. warian) in dgl. bett., on. vara “waarschuwenˮ, varast “zich hoedenˮ. Zie nog bij waarborg. Verwant zijn gr. *Ϝoros (= got. war enz.; in thurōrós “deurwachterˮ), horáō “ik zieˮ, oúros “bewakerˮ, lat. vereor “ik vrees, heb ontzagˮ, wellicht ook gr. érumai “ik bescherm, behoedˮ, oi. varû-tár- “beschermerˮ, lett. wêrîba “attentieˮ. Men heeft verder nog wel lat. servâre “bewaren, reddenˮ, umbr. seritu “servatoˮ, av. har- “behoeden, ʼt oog houden opˮ gecombineerd, van een idg. basis swer- uitgaande. In ieder geval was het idee van verantwoordelijkheid reeds in ʼt Idg. aan de basis wer-, wor- (swer-, swor-) eigen. Zie nog vooral deurwaarder, waarschuwen en verder waard II, waard IV, weren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waarnemen o.w., Mnl. ware nemen, Os. wara neman + Hgd. wahrnemen: het eerste lid is *waar, Mnl. ware, Os. wara = zorg + Ohd. id., Ags. waru, Ofri. ware + Skr. varūtā = bescher mer, Gr. horáein = zien, Lat. vereri = ontzien. Van daar het denom. waren, Os. waron = in acht nemen, verzorgen, bewaren, waaruit Fr. garer; van een ander afleid. Fr. garnir.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waarnemen, letterl.: zorg-nemen, zorg voor iets nemen, voor iets zorgen. „(De dokters) namen sulke ware te hem (zorg voor hem), dat hi binnen ene maent genas.” „Si nam di kinder met hare ende hadder toe goede ware.” Zie Bewaren, Vrijwaren. De Germ. wt. war bet. opmerken; waar is dus eig.: opmerkzaamheid, oplettendheid, zorg; vandaar: waarnemen = opmerken, gewaar worden. – Ook in waarschuwen is ’t eerste lid zorg; het woord w.d.z.: zorg schouwen of toonen, n.1. voor een dreigend gevaar.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waarnemen* bemerken 1200 [CG II1 Servas]

waarnemen* tijdelijk bekleden (van ambt) 1734 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2060. Zijn slag slaan (of waarnemen),

d.w.z. eene gunstige gelegenheid waarnemen; mnl. sinen slach wachten of merken; eig. gezegd van iemand die strijdt en het gunstige oogenblik waarneemt om zijnen tegenstander te treffen (vgl. het mnl. sinen slach sien, zijne kans schoon zien), of gezegd van een kaatser, zooals men zou opmaken uit Vondel, Gebroeders (anno 1650), bl. 25: Den hemel kaetst uw toe: dies neem die slagh nu waer. Bij Sartorius I, 8, 37: neemt u slach waer; smeet het yser als 't heet is; zoo ook III, 5, 2; Vondel, Virg. I, 177; II, 230; Pers, 78 a; 739 a; Rusting, 220; Janus, 8: zijnen slag waarnemen; Halma, 582; Sewel, 721; Harreb. II, 271; Dievenp. 115; Landl. 363; enz. In het fri. in slach slaen, belangrijk voordeel behalen; eng. to do a good stroke of business; fr. faire son coup; hd. seinen Schlag machen naast seinen Schnitt machen, dat doet denken aan het slaan (dorschen) en afsnijden van het graan en te vergelijken is met het Bredaasche goed zijn snitjes snijden (doen of maken); zie Hoeufft, 558 en vgl. vooral De Bo, 1028 a, alwaar o.a. uit de 16de eeuw wordt aangehaald zijn slach schoon zien; verder Waasch Idiot. 593; Antw. Idiot. 1111; Rutten, 206 b: zijnen slag schoon hebben, in gunstige omstandigheden zijn om iets te doen; en vgl. nog het mnd. sinen toge tên, seinen Profit machen. Syn. was in de 18de eeuw zijn grut slaanNdl. Wdb. V, 1179..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut