Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waarderen - (appreciëren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waarderen ww. ‘appreciëren’
Mnl. werderen, waerderen ‘schatten, waarde hechten aan, beoordelen, keuren’ in Dat gi die glorie uan daer bouen So lettel werdert ‘dat u de glorie van daarboven (nl. van de hemel) zo weinig waardeert’ [1265-70; VMNW] (hierbij ook werderinghe ‘schatting, taxatie’ [1289; VMNW]), gheordineirt dat ne ghen benhauwere, ... sal butten sclaen ende commen vercopen binnen der steide, het ne sij ghewaerdert ... bij keuraers ‘verordend dat geen enkele slager buiten (de stad) mag slachten en (het vlees) binnen de stad komen verkopen, tenzij het gekeurd is door de keurmeesters’ [1336; MNW], Men sal ghien laken nemen van den raem, eer dat si van den wardeyns besien ende wardeert siin ‘men mag geen laken van het raam afnemen voordat het door de keurmeesters bekeken en beoordeeld is’ [1350-97]; vnnl. weerderen, warderen ‘de waarde bepalen of schatten’ [1573; Thes.], weerdéren, waerdéren ‘id.’ [1588; Kil.]; nnl. waarderen ook ‘een hoge waarde hechten aan, op prijs stellen’ in die kunst te waardeeren, en ons daar in te oefenen [1734; iWNT].
Gewoonlijk wordt waarderen beschouwd als afleiding van → waarde met het uit het Frans afkomstige achtervoegsel → -eren. Dit zou dan een zeer vroeg geval zijn van zo'n afleiding van een inheems grondwoord; het enige andere niet rechtstreeks aan het Frans ontleende Middelnederlandse werkwoord op -eren is → laveren. De klemtoon heeft echter aanvankelijk op de eerste lettergreep gelegen, dus wérderen, wáérderen: in elk geval in alle attestaties uit de 13e eeuw (wat valt op te maken uit het metrum) en misschien ook nog in de attestatie uit 1336. Deze vormen kunnen dus niet gevormd zijn met het oorspr. Franse achtervoegsel -ēren. Het zijn inheemse afleidingen van de van werde ‘waarde’ afgeleide persoonsaanduidingen werdere, waerdere ‘taxeerder, keurmeester’ (Van Helten 1906). In de 14e eeuw is dan onder invloed van de vele aan het Frans ontleende werkwoorden op → -eren de klemtoon op de tweede lettergreep komen te liggen, zodat het vanaf toen geïnterpreteerd werd als een afleiding van waard met het achtervoegsel -ēren (Grimm wardiren).
Os. werthirian ‘schatten, taxeren’ (mnd. werd(e)ren); mhd. werdern, wirdern ‘id.’ (nhd. vero. würdern); ofri. wertheria ‘id.’ (nfri. wurdearje, weardearje).
Vnhd. wardiren ‘id.’ is ontleend aan het vnnl.
Lit.: W. van Helten (1906), ‘Zur altfriesischen Lexicologie’, in: Zeitschrift für deutsche Wortforschung 7, 270-290, hier 277-278

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waarderen ww., mnl. waḗrderen, werdḗren, mnd. wardēren, fri. wirdearje met het romaanse suffix -ēren gevormd van waard 4.

Een oudere germ. formatie is mnl. wáérderen, weerderen, wérderen ‘schatten’, os. werthirian mhd. werdern, wirdern (nhd. würdern), ofri. wértheria ‘schatten, taxeren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waardeeren ww. Een reeds mnl. mnd. afl. van waarde met ʼt ontleende formans -eeren. Ook fri. wirdéarje. Maar ofri. wėrtheria “taxeerenˮ = mnl. waerderen, wérderen, mhd. wėrdern, wirdern (nhd. würdern), os. wėrthirian (andere flexie-klasse) “schattenˮ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† -e[e]ren suffix, ter vorming van ww. uit ofr. -er < lat. -âre, mnl. -êren, mnd. -êren, ofri. -êra, -êria, ook in de scand. talen ontleend. Hiernaast mnl. -ieren, mhd. -ieren (hd. -ieren) uit ofr. -ier. Ospr. alleen productief in ontleende woorden, later werden ook van ndl. woorden ww. op -e[e]ren gevormd, als boele[e]ren, halve[e]ren, hoere[e]ren, redene[e]ren, waarde[e]ren, vgl. ook trotse[e]ren. (Zie over een en ander W. de Vries Woordv. 190 vlgg.). Soortgelijk verloop in het Hd. De. Zw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waardeeren o.w., met Rom. suff., denomin. van waard 5.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

waardere (ww.) waarderen; Vreugmiddelnederlands waerderen <1265-1270>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waard (waarde hebbend), vermoedelijk van den Idg. wt. wor = aanzien, zoodat waard oorspr. bet.: aanzienlijk, voornaam; vgl. waardigheid; en waarde = aanzien, voornaamheid. Een edelsteen van waarde, was dus eig.: een voorname, aanzienlijke edelsteen; hieruit ontwikkelde zich het begrip: prijs. Afl. naar Romaansch voorbeeld is: waardeeren = waarde toekennen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waarderen ‘schatten, op hoge waarde stellen’ -> Deens vurdere ‘beoordelen, taxeren’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors vurdere ‘beoordelen; op prijs stellen’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo warderi ‘hoogachten; dierbaar’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal