Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waard - (de genoemde waarde, prijs hebbend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waard 1 bn. ‘van zekere waarde’
Onl. werth ‘waard, waardig’ in thaz wir werth sii thes dischesitheles ‘dat we een zitplaats aan tafel waardig zijn’ [ca. 1100; Will.]; mnl. wert, wart, waert ‘een bepaalde hoge waarde hebbend’ in na dien ... dat ward es ‘zoveel als het waard is’ [1254; VMNW], alse het ware wert Der pinen ‘als het de moeite waard zou zijn’ [1265-70; VMNW], din werden schat ‘de kostbare schat’, mijn werde kint ‘mijn dierbare kind’ [beide 1265-70; VMNW], moet wesen waerd .iij. lb ‘moet 3 pond waard zijn’ [1285; VMNW].
Ontwikkeld uit mnl. wert (verbogen vorm werde) met rekking en verandering van de klinker voor r + dentaal als in → haard.
Os. werth (mnd. wērt); ohd. werd (nhd. wert); ofri. werth; oe. weorþ (ne. worth); on. verðr (nzw. värd); got. wairþs; alle ‘waard, kostbaar, van zekere waarde’, < pgm. *werþa-.
Voor het zn. *werþa- en de afleiding *werdī(n) (met grammatische wisseling), zie → waarde.
Wrsch. is pgm. *werþa- afgeleid van de wortel *werþ- van → worden, dat teruggaat op een oorspronkelijke, Indo-Europese betekenis ‘wenden, draaien’. Men veronderstelt een betekenisontwikkeling ‘toegewend’ > ‘passend, overeenkomstig’ > ‘een passende waarde hebbend’. Deze is vergelijkbaar met de betekenisontwikkeling van Latijn pretium ‘prijs, waarde’ bij pie. *preti ‘tegen, tegenover’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waard4* [de genoemde waarde, prijs hebbend] {we(e)rt, waert 1236} oudsaksisch, oudfries werth, oudhoogduits werd, oudengels weorð, oudnoors verðr, gotisch wairþs; buiten het germ. litouws vertas [waard], welsh gwerth [prijs] en vermoedelijk avestisch avaratā [waardevol voorwerp].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waard 4 bnw., mnl. waert, weert, wert (met ā < ē voor r + dentaal), os. werth, ohd. werd (nhd. wert), ofri. werth, oe. weorð (ne. worth), on. verðr, got. wairþs ‘waard, waardig’. — Men vergelijkt av. avarǝtā ‘waarde in zich hebbend’, kymr. gwerthu ‘verkopen’ (gwerth ‘prijs’ kan echter oe. leenwoord zijn). IEW 1157 brengt dit woord bij de idg. wt. *u̯ert ‘draaien, wenden’, waarvoor zie: worden, zelf een afl. van een der talrijke wortels *u̯er en wel van 3 u̯er ‘draaien, buigen’.

Ook hier kan men zich afvragen, of er niet van een concrete situatie kan worden uitgegaan, waarin het begrip van ‘waarde hebbend’ zijn plaats heeft; dit is het geval bij de ruil van waren binnen de gemeenschap en het lijkt dus niet uitgesloten, dat ook in dit geval deze wt. *u̯er kan worden vereenzelvigd met *u̯er, waarmee ‘vlechten, vlechtwerk’ wordt aangeduid (zie: weer 4). — Voor andere oudere verklaringen zie nog AEW 655 onder verðr 2. — Uit het germ. zijn ontleend osl. vrědŭ, lit. ver̄tas, opr. werts ‘waard’. — K. Heeroma, Holl. Dial. Stud. 1935, 26 en kaart 12 toont aan, dat voor 1500 het Westen met West-Brabant de vorm waert kent, terwijl in het Oosten en in N-Holl. benoorden het IJ weert in gebruik is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waard IV bnw., mnl. waert, weert, wert (d). Voor de vocaal vgl. waard II, aarde. = ohd. wërd (nhd. wert), os. ofri. wërth, ags. weorð (eng. worth), on. vërðr, got. waírþs “waard, waardigˮ. Alg.-germ. is het gebruik van den m. resp. o. vorm als znw. = “waardeˮ. Met het oog echter op vormen met gramm. wechsel zooals onfr. wërd “pretiumˮ — in ʼt Ofri. dgl. vormen ook wel als bnw.— en op ʼt ontleende obg. vrědŭ “waardeˮ in ne vrědu sŭtvoritiapodokimázeinˮ is ʼt wsch. dat naast *werþa- ook *werða- bestaan heeft, welke vorm vermoedelijk oergerm. speciaal aan ʼt znw. toekwam; in de afzonderlijke talen hebben dan beide vormen elkaar beïnvloed. Wellicht is ook een znw.-stam *werþaz-, *wirþiz- aan te nemen, waarbij zich mnl. waerder, we(e)rder o. “pand, arra, arrhaboˮ, ohd. wirðria v. “dilaturaˮ, saalfrank. wirthario, wiridario “cautio, defensio, vindication of rightsˮ kunnen aansluiten, benevens het ww. mnl. waerderen enz. (zie hieronder). Van *werþa- ʼt lit. bnw. ver͂tas “waardˮ. Germ. *werþa- = kymr. gwerth “pretiumˮ; onzeker is de combinatie met av. a-varətâ- “voorwerp van waarde, bezittingˮ (“quod est in pretioˮ of “waarde in zich bevattendˮ; a- < idg. *, ablautend met *en? Zie in I en vgl. gr. á-karos = én-karos “hersenenˮ). De combinatie met waar(nemen) is, hoewel niet zeker, althans mogelijk (vgl. de woordgroep bij warande besproken, in bet. herinnerend aan mnl. waerder enz.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waard 3 v. (ingedijkt land), Mnl. waert, weert + Ohd. warid (Mhd. wert, Nhd. wert, werder), Ags. wared, wyrd (Eng. -wourth in plaatsnamen); daarnevens Ags. wær, On. var = zee en met abl. Ags. éar = zee, On. ûr = regen + Skr. vāri = water, Gr. oũron, Lat. urina = pis, Oier ferath = vocht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

weerd (bn.) waard; Vreugmiddelnederlands werth <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

werd: wat waarde besit; Ndl. waard (Mnl. waert/weert/wert/werd, by vRieb onweerdigh), Hd. wert, Eng. worth, hou verb. m. waarde, waardeer, waardig, v. Kloe HGA 100-5 en nikswerd.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waard (waarde hebbend), vermoedelijk van den Idg. wt. wor = aanzien, zoodat waard oorspr. bet.: aanzienlijk, voornaam; vgl. waardigheid; en waarde = aanzien, voornaamheid. Een edelsteen van waarde, was dus eig.: een voorname, aanzienlijke edelsteen; hieruit ontwikkelde zich het begrip: prijs. Afl. naar Romaansch voorbeeld is: waardeeren = waarde toekennen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waard ‘de genoemde prijs hebbend, waardig’ -> Ambons-Maleis war ‘waardig’; Negerhollands weert, waard ‘de genoemde prijs hebbend’; Sranantongo warti ‘de genoemde prijs hebbend, waardig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waard* de genoemde prijs hebbend 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

109. Een arbeider is zijn loon waard.

Deze zegswijze is ontleend aan den Bijbel Luc. X, 7 of Tim. V. 18. Zie Harreb. I, 18 en vgl fr. l'ouvrier est digne de son salaire of à travail fait salaire est dû, toute peine vaut salaire; hd. der Arbeiter ist seines Lohnes wert; eng. the labourer is worthy of his hire; a fair day's wage for a fair day's work.

495. Een dronk is een zit (of een zeet) waard,

‘gezegd als men iemand iets te drinken aanbiedt en deze daarin aanleiding vindt om te gaan zitten en een praatje te blijven maken’ (Boekenoogen, 1249). Dit gezegde dagteekent uit de 17de eeuw, blijkens Koddige Opschr. (ed. 1698) I, 53: Een dronk is een zeet weertEen zit of een zeet is een stoel; vgl. eng. seat.; Harreb. I, 156; fri. It iten is in sit wirdig, de maaltijd is waard, dat men er bij gaat zitten; wien men te eten geeft, behoort men ook een zitplaats aan te bieden.

420. De eene dienst is d'anderen waard

of zooals men in de middeleeuwen zeide: Deen vrientschap brinct dander inMloop IV, 483.; in H. de Luyere, 22: Deen vrientscap is altoos dander weert; De Brune, 115: d'Een vriendschap is de ander weerd; bl. 153:

 De een Barbier den ander scheert,

 d'Een vriendschap die is d'ander weerd.bl. 388: Gheef my wat kaes, ick gheef u brood; de eene vriendschap d'ander noodt; Tuinman I, 265: De eene vriendschap is de andere waardig; in de Adagia, 14: d'Een vrintscap is d'ander weert, manus manum fricat; Harreb. I, 132: De eene vriendschap (of dienst) is de andere waard.

1822. Het is de pijne niet waard,

d.w.z. het is de moeite niet waard, het loont de moeite niet. Het znw. ‘pijne’ beantwoordt aan het mnl. pine, moeite, last, inspanning; laat-lat. pêna, lat. poena. Vgl. mnl. soo waert ons wel der pinen waert (Hild. 192, 281); Plant.: Het is de pijne niet weerdt, il ne vault pas la peine, non operae pretium est, cassus est labor; Sart. I, 10, 42: ‘'t Is hem niet de pijne waert, hem daer teghen te versetten; Tuinman I, 177; 't Is de pijne niet weerd; Sara Burgerhart, 156; 165; 378Volgens Molema, 553.; Halma, 504; Harreb. II, 182; Ndl. Wdb. XII, 1667; Van Weel, 131; Molema, 322: t' is de piene weerd, het is de moeite waard, het is bijzonder; 't is de piene nijt weerd, 't beloont de moeite of kosten niet; Gallée, 33; Draaijer, 30; fri. dat is de pine net wirdich; Handelsblad, 17 Januari 1915 (ochtendbl.), p. 7 k. 2: Het (stuk) loont de pijne van eene nadere bespreking niet; Nw. Amsterdammer, 27 Febr. 1915, p. 7 k. 4: De heele affaire zou mij trouwens de pijne niet weerd lijken. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 961: 't kan de pijn niet lijden of 't is de pijn niet weerd; syn. van dat kan de pijn niet uitdoen (Waasch Idiot. 518).

2105. Het sop is de kool niet waard,

ook de zaak is de sop van de kool niet waard, de zaak is niet waard, dat men er zooveel omslag of drukte om maakt, zooveel moeite voor doet; eig.: de kool is het sop niet waard, dat men er opgiet. Zie Sartorius I, 9, 25: 't sop en is de koole niet weert; ook III, 4, 17 met de verklaring: ne multum sumptus operaeve impendas in rem vilem ac sordidam. Vgl. verder R. Visscher, Sinnep. 7; Hooft, Brieven, 101; 161; 253; 270; Pers, 739 b; Tuinman I, 106; Sewel, 408: De kool is de sop niet waard, it will not quit cost, 't is not worth one's while; C. Wildsch. II, 102; Harreb. III, 464 b; Prol. 158; Sjof. 28; Breuls, 82: De sop is de breui neet weerd; enz. Ook in Zuid-Nederland is de uitdrukking bekend; zie Joos, 96; Waasch Idiot. 735: De kool is 't zap niet weerd; Schuermans, 648 a, die ook citeert het sop is de boonen niet weerd. Vgl. Welters, 83: de soep is de breu niet waard; de kool is de saus niet waard; 't Daghet, XII, 190: de soep is 't vuur niet weerd; 144: 't is de sop de kuel niet weerd; fri.: hy is 't sop fen 'e grauwe earte net wirdich; de koal is 't fet net wirdich; Huygens, Cost. Mall, 421: Waar 't vleesch de wortels waert, noch luste my 't verweeren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut