Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waard - (kastelein)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waard 2 zn. ‘kastelein’
Mnl. wert ‘gastheer’ [1240; Bern.], wert, wart, weert, waert ‘herbergier’ in ende hi den weert siin ghelaghe ontdroeghe ‘en als hij de waard zijn gelag niet zou betalen’ [1276-1300; VMNW], jan die waerd [1285; CG I].
Ontwikkeld uit mnl. wert (verbogen vorm werde) met rekking en verandering van de klinker voor r + dentaal als in → haard.
Os. werd (mnd. wert, vanwaar door ontlening nzw. värd); ohd. wirt (nhd. Wirt); ofri. -werda (nfri. weard); got. wairdus; alle ‘heer des huizes, gastheer’, < pgm. *werdu-.
Herkomst onduidelijk. Het woord kan verwant zijn met on. verðr ‘maaltijd’ (nno. verd; nzw. nattvard ‘avondmaal’) < pgm. *werdu- (of *wertu-). Voor de West-Germaanse en Gotische woorden moet men dan een overgangsbetekenis ‘maaltijdverschaffer’ o.i.d. aannemen. Mogelijk zijn beide woorden met ablaut afgeleid van de wortel *war- ‘verzorgen, behoeden’ van → waarnemen (Bjorvand/Lindeman).
Buiten het Germaans kan pgm. *werdu- verwant zijn met het eerste lid van Oudiers ferthigis ‘gastheer’ < Proto-Keltisch *wertikassu- (Kluge).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waard1* [kastelein] {we(e)rt, waert [heer des huizes, echtgenoot, heer, gebieder, beschermer, gastheer, herbergier] 1201-1250} oudsaksisch werd, wird, oudhoogduits wirt [landheer], oudfries -werda, gotisch wairdus [gastheer, gastvriend]; wel te verbinden met oudnoors verðr [maaltijd]; de oorspr. betekenis is dan ‘hij die het eten verstrekt’, vgl. lord en lady. De uitdrukking buiten de waard rekenen [zich misrekenen] betekent letterlijk: zich misrekenen door slechts zijn eigen optelsom te maken van de verteringen, zonder af te wachten wat de waard ervan te zeggen heeft.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waard 2 znw. m. ‘kastelein’, mnl. waert, weert, wert, os. werd ‘huisheer, echtgenoot, gastheer’ en verder os. wird, ohd. wirt ‘huisheer, gastheer, landheer’ (nhd. wirt), got. wairdus ‘gastheer’. — Reeds door H. Kern Ts 35, 1916, 103-5 verbonden met on. verðr ‘maaltijd’ en dus eig. uit te gaan van een bet. ‘spijsverstrekker’, wat zowel kan voeren tot die van ‘gastheer’, als die van ‘huisheer’ (vgl. ne. lord < oe. hlāford ‘brooduitdeler’). Opmerkelijk is slechts, dat het grondwoord *werðu- alleen in het ngerm. bewaard is gebleven, terwijl daar juist het woord voor ‘waard, gastheer’ ontbreekt.

Het is een weinig gelukkige uitweg van IEW 1166 dit woord aan te knopen aan de wt. *u̯er van waar 2, want men mag aannemen, dat de maaltijd in primitieve tijd wel wat anders betekend heeft dan het bewijzen van een vriendelijkheid. Verbindt men hiermee gr. heortḗ ‘feest’, dan worden wij reeds opmerkzaam op het publieke karakter van bepaalde maaltijden en dan kan men denken aan de feestmalen van de dinggemeenschap. In dit geval kan men aanknopen aan de wortel *u̯er ‘omheinen’, waarvoor zie: weer 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waard II (kastelein), mnl. waert, weert, wert (d) m. Met ae, ee vóór r + dentaal uit e (vgl. waard IV) en dus identisch met os. wërd m. “huisheer, echtgenoot, gastheerˮ; aan de i van den u-stam os. wird m. “id.ˮ, ohd. wirt m. “id., landheerˮ (nhd. wirt) zou een ndl. ĕ beantwoorden (vgl. hert). De u-stam is oergerm. blijkens got. waírdus m. “gastheer, gastvriendˮ. ʼt Ofri. heeft een zwak hûs-wërda m. “huisheerˮ. Oorsprong onzeker. De combinatie met waar(nemen) is mogelijk: germ. *werðu- < idg. *wer-tú “die voor huisgenooten en gasten zorgt en verantwoordelijk isˮ. Onzeker is de combinatie met on. vërðr m. “maaltijdˮ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waard 2 m. (hospes), Mnl. we(e)rt, Os. werd + Ohd. wirt (Mhd. en Nhd. id.). Go. wairdus: niet verder na te gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

waard s.nw. (verouderd)
Herbergier, hotelbaas.
Uit Ndl. waard (al Mnl.).
D. Wirt (9de eeu).
Vgl. waardin.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waard ‘kastelein’ -> Deens vært ‘kastelein; conciërge’; Noors vert ‘gastheer; huisbaas’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds värd ‘kastelein’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waard* kastelein 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2170. 't Is kwaad stelen waar de waard een dief is,

d.w.z. het is moeilijk iemand te bedriegen, die zelf een bedrieger of sluw is; het is moeilijk vossen met vossen te vangen (zie Prov. Comm. 656: t' is quaet vossen met vossen vaen); mlat. callidus est latro qui tollit furta latroni; fr. il est bien larron qui vol un larron. De zegswijze komt in de 16de eeuw voor in de Prov. Comm. 663; Goedthals, 38: tis quaet stelen, daer de weert een dief is, il est caut larron qui desrobe a un larron; V. Rijssele, Sp. der M. vs. 2196: Het is quaet stelen daer de weert een dief is; S. Andriessoon, Duytsche Adagia (anno 1550) p. 41: Tis quaet stelen daer de weert een dief is. Tis quaet hincken voor de gene die manck gaen, dat is, t' is quaet yemande een dinghen wijs te maken, dat hy selver verstaet, ende wel beter weet; Adagia, 63: t' Is quaet stelen daer den Weert is een Dief, hospes ubi fur est, durum subducere quidquam; Cats II, 216:

 't Is qualijck yet te stelen,
 Wanneer de huyswaert self die rolle weet te spelen.

Zie verder De Brune, 189; Suringar, Erasmus, XLV; Harreb. I, 130; Wander I, 588: einem Diebe ist böss stelen.

2504. Buiten (of zonder) den waard rekenen,

d.w.z. zich misrekenen, zooals hij doet, die verteringen maakt in eene herberg en de onkosten hiervan berekent zonder eerst den waard te hooren; ‘bij het opmaken van een plan niet letten op iemand (of iets), die (of dat) later blijkt beslissenden invloed te hebben.’ Vgl. bij Goedthals, 53: Maer t' alven rekenen, sonder den weerd, il compte deux fois, qui compte sans son hoste; Campen, 61: hy heft sonder den Weert gereeckent; Marnix, Byenc. 85 r; 209 v; V.d. Laan, R. Visscher, II, 18: Ick hoop, ick vrees, ick reecken sonder waert; Huygens, Hofwijck, vs. 745: Dus rekend' ick alleen, en sonder Waerd te hooren; Hooft, Brieven, 529. Kluchtspel II 154: Baas! je hebt 'en paling by de steert, je reekent je gelag in 't afzijn van de weert; Tuinman I, 65; C. Wildsch. II, 272; V. Janus, III, 88; Sewel, 931; Harreb. II, 430 a; 216 b; Ndl. Wdb. III, 1800; Joos, 206: Die zonder weerd rekent, telt tweemaal; enz. In het hd. die Rechnung ohne den Wirt machen (ook in het Deensch); fr. compter sans son hôte; eng. to reckon without your host.

2505. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten,

d.w.z. men beoordeelt een ander dikwijls naar zich zelven; in ongunstigen zin gebruikt van iemand die anderen wantrouwt of slechte dingen van anderen vermoedt. Zie mlat. estimat esse capre vicium quod scit caper in se; Huygens, Sneldichten: Soo de waerd is, soo verleent hem God sijn gasten; W. Leevend VIII, 199: Zo als de waard is, betrouwt hy zyne gasten; VI, 279: Gelyk de waard is, vertrouwt hy zyn gasten, en die erg ziet, heeft erg in 't hart; Tuinman I, 359: Gelijk de waard is, betrouwt hy zyn gasten; Sewel, 931: Zo de waard is vertrouwt hy zyne gasten, one judges of others according to his own temper. Zie verder Harreb. I, 203 b; Taalgids V, 188; Ndl. Wdb. IV, 317; II, 2255 en vgl. Antw. Idiot. 387; Joos, 135; Waasch Idiot. 196 a; Schuermans, 110: gelijk de duivel is, zoo betrouwt hij zijne gasten; bl. 369: gelijk de meester is, zoo betrouwt hij zijne gasten; fri. sa as e waerd is fortrout er syn gasten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut