Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waar - (echt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waar 2 bn. ‘overeenstemmend met de werkelijkheid’
Onl. wār ‘betrouwbaar, oprecht; waar, juist’, eerst in de afleiding wārheit ‘oprechtheid; waarheid’: Santa got ginatha sina in uuarheit sina ‘God zond zijn genade en zijn waarheid (zijn ware boodschap)’ [10e eeuw; W.Ps.], Peter sprach er wir sculen thie warheit sprechen ‘“Petrus”, zei hij, “we moeten de waarheid zeggen”’ [1151-1200; Reimbibel], als simplex in want er in waren mennischen gesach ‘want hij zag in hem een oprecht mens’, Thaz petrus ande paulus ságon. that wilt that smá uolc war hauen ‘wat Petrus en Paulus zeggen, dat wil het gewone volk voor waar aannemen’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. waer ‘in overeenstemming met de werkelijkheid, betrouwbaar’ in dat mote war sin amen ‘moge dit waar zijn, amen’ [1236; VMNW], Met waerre talen ‘naar waarheid’ [1265-70; VMNW].
Os. wār (mnd. wār); ohd. wār (nhd. wahr); ofri. wēr (nfri. wier); oe. wǣr; alle < pgm. *wēra-.
Verwant met: Latijn vērus ‘waar’ (hierbij ook Frans vrai, zie → fraai); Oudkerkslavisch (indien niet ontleend aan het Germaans) věra ‘vertrouwen, geloof’ (Russisch véra); Oudiers fir ‘waar’, Welsh gwir ‘id.’; < pie. *ueh1-ro- (IEW 1166). Verdere etymologie onzeker; misschien is er verband met pgm. *wara- ‘opmerkzaam, behoedzaam’ in → waarnemen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waar2* [echt] {waer 1201-1250, vgl. uuarheit 901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits wār, oudfries wēr, oudengels wær, gotisch allawerei [oprechtheid]; buiten het germ. latijn verus, grieks èra [waarlijk], oudiers fír, welsh gwir, oudkerkslavisch věra [geloof].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waar 2 bnw., mnl. waer, onfrank. wār, os. ohd. wār (nhd. wahr), ofri. wēr, oe. wær. Daarnaast staan mnl. wāre, waer ‘borgstelling, waarborg’ ohd. wāra ‘verdrag, trouw, gunst’ (mhd. ware ‘verdrag en de daaruit volgende vrede’), oe. wær v. ‘overeenkomst, bescherming, trouw’, on. vārar v. mv. ‘gelofte’ (enk. Vār ‘naam van een godin’) = osl. věra ‘geloof’. — Buiten het germ. alleen lat. vērus, oiers fīr ‘waar’.

Het woord is dus alleen westeuropees, maar behoort tot een uitgebreidere familie, die zich groepeert om de idg. wt. *u̯er ‘vriendelijkheid (bewijzen)’ vgl. ohd. alauuāri ‘eenvoudig, vriendelijk’ (mhd. alwære ‘dom’, nhd. albern), oe. eal-wērlic ‘benigne’, on. ǫlværr ‘vriendelijk, gastvrij’, got. alla-wēri ‘simpele goedheid’. Buiten het germ. gr. erí-ēres m. mv. ‘vertrouwden’, lat. severus ‘zonder vriendelijkheid’, dus ‘streng’ (IEW 1165-6). — Formeel voldoet deze verklaring, maar als gewoonlijk stuit men op een bleke en rijkelijk abstracte bet. van de aangenomen idg. wortel. Dat is aanleiding voor J. Trier Lehm 1951, 76 deze wortel te identificeren met *u̯er ‘omheinen’, waarvoor zie: weer 4. Hij beroept zich op de door hem meermaals vastgestelde ontwikkeling binnen het begripsveld van ‘vlechtwerk, vlechtwand’ > ‘omheining’ > ‘omheinde ruimte, bijv. die van de dinggemeenschap’ > ‘de dinggemeenschap zelf’ en de daarop plaats hebbende activiteiten of de daarmee verbonden gezindheden. In dit geval dus ‘het waarachtige in de dingvergadering gesproken woord’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waar I bnw., mnl. waer. = onfr. *wâr (wârheit, wârheide v.), ohd. wâr (nhd. wahr), os. wâr, ofri. wêr, ags. wæ̂r (saxonisme) “waarˮ. Ohd. komt ook wâri “waarˮ voor, identisch met ʼt 2. lid van ʼt bij meewarig besprokene ala-wâri “vriendelijkˮ: de tusschenbet. is wsch. “oprecht, welgemeendˮ, vgl. got. allawerei v. “aplótēsˮ. Uit ʼt Got. behalve de bij meewarig vermelde woorden nog tuz-werjan “twijfelenˮ (“waarˮ luidt sunjis). Germ. *wêra- “waarˮ = ier. fîr, lat. vêrus “id.ˮ. Het znw.ohd. wâra v. “waarheid, trouwˮ, ags. wæ̂r v.“overeenkomstˮ, on. vârar v. mv. “gelofteˮ = obg. věra “geloofˮ (dat echter ook met av. var- “geloovenˮ is gecombineerd). Idg. *wêro- “waarˮ wordt wel uit *wěs-ro- “het zijndeˮ verklaard en bij wezen gebracht: zeer onzeker; dan zou on. alvara (zie meewarig) secundairen ablaut hebben. Op een stam *wêr- wijzen gr. ẽra accus. “welwillendheidˮ, erí-ēres bnw. mv. “trouwˮ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waar 2 bijv.(niet valsch), Mnl. waer, Onfra., Os. wâr + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. wahr), Ags. wæ'r, Ofri. wér, Go. allawerei = oprechtheid + Lat. verus, Oier. fír = waar, Osl. věra = geloof: Idg. *wēr-.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

woer (bn.) waar, echt; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) woer, Aajdnederlands war <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1waar b.nw.
Nie vals nie, eg, juis.
Uit Ndl. waar (al Mnl.). Eerste optekeninge in Afr. op 20 September 1862 in die Volksblad (Scholtz 1965: 134) en by Pannevis (1880).
D. wahr (8ste eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waar (echt), afl. van wesen (vgl. wij waren). Het ware is dus: het wezende, het wezenlijke, het bestaande, het werkelijke; dus niet: het gefantaseerde, het gelogene.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waar ‘echt’ -> Zuid-Afrikaans-Engels ware ‘echt’; Menadonees wàr ‘echt’; Negerhollands waar, wā ‘echt’; Berbice-Nederlands waru ‘echt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waar* echt 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut