Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waar - (koopwaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waar 1 zn. ‘handelsartikelen, goederen’
Mnl. ware ‘handelsartikelen’ Ende saghen copmanne comen ghevaren. Met kemelen ende met diere waren ‘en zagen kooplieden aan komen rijden met kamelen en kostbare waar’ [1285; VMNW], ook algemener ‘(kostbaar) bezit’ in Hoechout woude wort al verbrant Ende beroeft ... Van menighen goede ende ware ‘Hooghoutwoude werd helemaal verbrand en beroofd van veel kostbare bezittingen’ [1328-50; Rijmkroniek].
Mnd. ware (vanwaar ontleend (in vorm of betekenis) mhd. ware), nhd. Ware; ofri. ware, were (nfri. waar); oe. waru (ne. ware); on. vara (nzw. vara); alle ‘handelsgoed’, < pgm. *warō-.
Herkomst onzeker. Men neemt meestal aan dat *warō- ‘handelsgoed’ hetzelfde woord is als pgm. *warō- ‘opmerkzaamheid, zorg, bescherming’ en dan is ontstaan via een overgangsbetekenis ‘voorwerpen waarvoor men zorg draagt’ (FvW, Verc., Toll., Kluge21, OED, Onions, BDE, Boutkan/Siebinga). Voor deze stam zie verder → waarnemen. Een andere mogelijkheid (Pfeifer, Kluge) is dat pgm. *warō- < *wazō- met een andere ablaut en grammatische wisseling teruggaat op de wortel pie. *ues- ‘verkopen’ (LIV 693), waaruit met achtervoegsel *-no- onder meer Latijn vēnus ‘verkoop’, zie verder → venten.
warenhuis zn. ‘grootwinkelbedrijf’. Nnl. de opening van het Warenhuis Cohn-Donnay te Rotterdam [1904; Leeuwarder Courant], in de Nederlandse glastuinbouw ook wel ‘kas’ (BN ‘serre’) in Het zoogenaamde warenhuis is deze week in gereedheid gebracht om de verschillende gewassen die er in zullen worden geteeld, te ontvangen [1911; Nieuwe Brielsche Courant]. Leenvertaling van Duits Warenhaus ‘grootwinkelbedrijf’ [eind 19 eeuw; Kluge21], eerder al ‘pakhuis’ [1787; Kluge21], samenstelling van Waren ‘goederen’ en Haus ‘gebouw’. Ook Engels warehouse [14e eeuw; OED] betekent ‘pakhuis, magazijn’. Vanaf 1904 verschenen er al snel in vele Nederlandse steden warenhuizen. Kenmerkend was de grootschaligheid van deze winkels. In diezelfde periode begonnen tuinders, allereerst in het gebied tussen Den Haag en Rotterdam, met het bouwen van manshoge groente- en fruitkassen met een groot grondoppervlak. Deze ging men eveneens warenhuis noemen, naar de vergelijkbare imposantheid van deze nieuwe gebouwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waar1* [koopwaar] {ware, waer, warre [bezit, datgene waaraan men waarde hecht, koopwaar, eetwaar] 1285} oudengels waru [oplettendheid], oudnoors vara [handelswaar] (vgl. waren2); de betekenis is dus ‘wat men verzorgt, bewaart’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waar 1 znw. v. ‘koopmansgoederen’, mnl. wāre ‘bezit, goed’, mnd. wāre (> mhd. ware, nhd. ware), ofri. ware, were, weir, oe. waru (ne. ware), on. vara ‘koopwaar’. Een homoniem is ohd. wara, ohd. waru ‘achtzaamheid’, ofri. ware ‘het bezitten, bezitting’. Dat het on. ook de bet. ‘achtzaamheid’ had, blijkt uit het finse leenwoord varo, varu ‘voorzichtigheid, achtzaamheid’ (afl. in het on. zijn varningr ‘bezitting, koopwaar’ en varnaðr ‘waarschuwing, bescherming’).

Men heeft beide woorden als hetzelfde willen verklaren en dan de bet. ‘koopwaar’ willen afleiden uit ‘wat men onder zijn hoede heeft’, wat in het gebied der Hanse zou zijn gebeurd (Kluge-Mitzka 840). Daarentegen heeft Persson UUÅ 1891, 61 beide woorden gescheiden en vara ‘handelswaar’ met de groep van waard 4 verbonden, dus ‘zaak die waarde heeft’. Dat is niet waarschijnlijk. Men zal deze woorden eerder moeten verklaren uit de kring van de dinggemeenschap en dan moeten verbinden met mnl. ware, were, zie daarvoor: weer 4. Ook hier ligt ten grondslag het begrip van ‘omheining’ > ‘omheinde ruimte’ > ‘dinggemeenschap’ > ‘activiteiten binnen deze gemeenschap’. — Af te wijzen is de verklaring van Wadstein ZfdPh 28, 1896, 529 uit een idg. *u̯er ‘wol, schaap’, vgl. oi. urabhra- m. ‘ram’, urā v. ‘schaap’, lat. vervex ‘hamel’, gr. arḗn ‘schaap, ram’ van de wt. *u̯er ‘bedekken’, waarvoor zie oi. -vṛṇoti ‘bedekt, sluit’, lat. operio ‘bedek’, aperio ‘open’, lit. ùžveriu ‘sluiten’ (IEW 1160).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waar II znw., mnl. wāre v. = mnd. wāre (laat-mhd. war, nhd. ware), ofri. ware (were, weir “waarˮ < *warjô-; zie bij waarborg), ags. waru (eng. ware), on. vara v. “koopwaarˮ. Met de oudere bet. “wat men onder zijn berusting heeftˮ = ofri. ware (were) v. “het bezitten, bezittingˮ = waar- in waarnemen en waarborg: voor de bet. vgl. on. varnaðr m. “het zorgen voor, verantwoordelijk zijn voorˮ en “wat men bij zich heeft, bezitˮ, varningr m. in de laatstgenoemde bet. en = “koopwaarˮ. Mogelijk, maar niet wsch., is ook de combinatie van waar met de grondbet. “pelswerk, vacht, wollen stofˮ (on. vara “waarˮ wordt speciaal in dgl. bet. gebruikt) met ier. ferb “koeˮ, lat. vervêx, -îx “hamelˮ, gr. eĩros“ wolˮ, arēn, gortynisch Ϝarḗn schaap“, arm. gaṙn “lamˮ, oi. úrâ- “schaapˮ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waar 1 v. (koopwaar), Mnl. ware + Ags. waru (Eng. ware), On. vara (Zw. id., De. vare): bij waarnemen met de bet. wat men in depot heeft. Hgd. waare komt uit het Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3waar s.nw. (gewoonlik in die mv. ware)
Handelsartikel.
Uit Ndl. waar (al Mnl.).
D. Ware (13de eeu), Eng. ware (ongeveer 1000).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ware I: – waar – , gew. mv., goedere, koopwaar/koopware; Ndl. waar (Mnl. ware), Hd. ware, Eng. ware, verb. hoërop omstrede.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Dichtung und Wahrheit (Duits Dichtung und Wahrheit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waar (koopwaar), misschien verwant met waard, waarde (z. d. w.) en bet. dan: zaak van waarde; zoo had het Mnl. een woord: pennewaert, penneware en pennewerde, eig. waarde van een penning, en daaruit: klein koopmansgoed, kleine waar; het w.w. pennewerden bet.: in het klein verkoopen b.v.: koren „dat in ’t gros vercoft wert 6 stuvers (belasting), en alst gepennewert wert van de tonne 1 st.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waar ‘koopwaar, goed van bepaalde waarde’ -> Fries waar ‘koopwaar, handelswaar’; Engels ware ‘koopwaar, handelswaar’; Duits Ware ‘koopwaar, handelswaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens vare ‘koopwaar, goed van bepaalde waarde’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds vara ‘koopwaar, handelswaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vara ‘koopwaar, goed van bepaalde waarde’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waar* koopwaar 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal