Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waanzin - (krankzinnigheid)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waanzin [krankzinnigheid] {1832} < hoogduits Wahnsinn, ter vervanging van middelhoogduits wanwitze, middelnederduits wanwetisch, bij Kiliaan wanwetigh {1599} middelnederlands wanwetich, wanwittich, kwam o.i.v. wan- [verkeerd, leeg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waanzin znw. m. eerst nnl. < nhd. wahnsinn, dat zelf ook eerst laat ontstaan is als navolging van het oudere wahnwitz, bij het bnw. mhd. wanwitzec, vgl. mnd. wanwētisch, wanwittich en Kiliaen wanwetigh en (Sax. Sicamb.) wanwittigh ‘zonder verstand, krankzinnig’. — Voor het 1ste lid zie: wan- 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waangeloof znw. o., waanwijs, waanzinnig bnww. Onder invloed van waan voor Kil. wangheloove (reeds mnl.), wanwijs (“waanzinnigˮ), wansinnigh. waanzin znw., is blijkbaar jonger. Ook du. wahnsinn(ig) is eerst nhd. Ohd. komt reeds wanawizzi “verstandeloos, krankzinnigˮ voor, mhd. wanwitze(c) (nhd. wahnwitzig), mnd. wanwētisch, wanwittich, Kil. wanwetigh en (“Sax. Sicamb. ˮ) wanwittigh “id.ˮ, ʼt laatste al mnl. Zie wan II-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waanzin m., uit Hgd. wahnsinn, dat een navolging is van wahnwitz; de Ndl. vorm ware wanzin: zoo zegt het Mnl. wanlove in plaats van waangelove. Het eerste lid is Ohd. wan (Mhd. id.), Os. id., Ags. won, Ofri. id., On. vanr, Go. wans = ledig, gebrekkig + Skr. ūnas, Zd. ūno = onvoldoende, Arm. unain = leeg, Gr. eúnis = missend, Lat. vanus = leeg: Idg. wrt. eu̯a. Hierbij ook Mnl. wanen = afnemen, Eng. to wane en want.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

waansin s.nw.
1. Geestelike siekte of versteuring. 2. Volslae onsin.
Uit Ndl. waanzin (1832 in bet. 1, 1848 in bet. 2).
D. Wahnsinn (19de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waanzin, van ’t Hgd. Wahnsinn, behoorde eig. wanzin te luiden, waarin wan = gebrekkig, slecht, verkeerd, vgl. wanorde, enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waanzin krankzinnigheid 1832 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut