Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waan - (onjuiste gedachte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waan zn. ‘onjuiste gedachte’
Onl. wān ‘hoop, verwachting’ als glosse uuan [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. waen ook ‘gevoel, mening, verbeelding’ [1240; Bern.], o.a. in de vaste verbinding sonder waen ‘zonder (onzekere) mening, ongetwijfeld’ in hine sal niet keren sunder wán ‘hij zal zeker niet terugkeren’ [1220-40; VMNW], na din wane mijn ‘naar mijn mening’, imen die des bliuet Jn wane ‘iemand die dat denkt’ [beide 1265-70; VMNW].
Os. wān; ohd. wān (nhd. Wahn); ofri. wēn (nfri. waan < nl.); oe. wēn; on. vón, ván (nzw. (vero.) vån); got. wēns; alle oorspr. ‘hoop, verwachting’, in de West-Germaanse talen ook ‘mening, vermoeden e.d.’, < pgm. *wēni-.
Verwant met: Latijn vēnārī ‘jagen’, venus ‘liefde, bevalligheid’ (zie ook → venijn); Sanskrit vánate ‘liefhebben’; Kerkslavisch uniti ‘willen’; Tochaars A/B wañi/wīna ‘genot’; Hittitisch wenzi ‘copuleren’; < pie. *uenH-, *unH-, *uēnH- ‘begeren’ (LIV 682). Hiermee verwant zijn onder meer → wens, wrsch. ook → wennen en → wonen en misschien → winnen.
Als simplex is het woord thans niet gebruikelijk, behalve in de uitdrukkingen de waan van de dag en in de waan (zijn, verkeren, blijven, laten e.d.) ‘de (onjuiste of ongefundeerde) mening (laten) hebben’. Het verschijnt veel in samenstellingen, bijv.argwaan ‘achterdocht’, eigenwaan ‘hoge dunk van zichzelf’ (de ijdelheid en eigen waan [1793; iWNT]), waanwijs [1586; iWNT]. In het Duits ontstond bij Wahn onder invloed van wahnsinnig (zie → waanzinnig) een betekenis ‘inbeelding, illusie’. In de psychiatrie werden hiermee samenstellingen gevormd als Größenwahn, Wahnvorstellung, Verfolgungswahn, waarvan er vele zijn overgenomen in het Nederlands: grootheidswaan ‘inbeelding van verhevenheid’ [1888; iWNT], waanvoorstelling ‘inbeelding, hallucinatie’ [1884; Leeuwarder Courant], vervolgingswaan ‘inbeelding dat men vervolgd wordt’ [1892; Leeuwarder Courant], waanidee [1906; Leeuwarder Courant], waanwereld ‘ingebeelde wereld’ [1934; iWNT]. Sommige daarvan zijn ook in de algemene taal gebruikelijk geworden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waan znw. m., mnl. waen m. ‘verwachting, hoop, mening, waan, twijfel’, os. wān m. v.? ‘hoop’, ohd. wān m. ‘onzekere mening, vermoeden, geloof, hoop, gedachte’ (nhd. wahn), ofri. wēn m. v.? ‘mening’, oe. wēn v. ‘mening, geloof, hoop, verwachting, kans’, on. vān, ōn, got. wēns v. ‘hoop, verwachting’ < germ. *wēni-. — Afl. van wanen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waan znw., mnl. waen m. “verwachting, hoop, meening, waan, twijfelˮ. = ohd. wân m. “onzekere meening, vermoeden, geloof, hoop, gedachteˮ (nhd. wahn), os. wân (m. v.?) “hoopˮ, ofri. wên (m. v.?) “meeningˮ, ags. wên v. “id., geloof, hoop, verwachting, kansˮ, on. vân, ôn, got. wens v. “hoop, verwachtingˮ, germ. *wêni-. Hierbij ʼt ww. wanen, mnl. wânen, onfr. ohd. wânen (nhd. wähnen), os. wânian, ofri. wêna, ags. wênan (eng. to ween), on. væ̂na, got. wenjan “meenen, een (onzekere) gedachte hebben, verwachten, hopenˮ. De eenige bevredigende verklaring gaat van de bet. “gaarne hebben, wenschen, hopenˮ uit en combineert waan met de woordgroep van wennen, wonen. Lat. vênor “ik jaagˮ kan hier ook met hetzelfde vocalisme als waan bij hooren: ʼt wordt echter ook anders verklaard.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waan 4 o. (orde), hetz. als waan 1; vergel. Mndd. na rechtem wane = juist.

waan 1 m. (ijdele gedachte), Mnl. waen, Os. wân + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. wahn), Ags. wén (Eng. denom. to ween), Ofri. wén, On. ván, Go. wens = meening, hoop: met de bet. gaarne hebben, bij wonen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

waan: s.nw. en ww., verkeerde mening; verkeerd(elik) meen; Ndl. waan (Mnl. waen, “hoop; mening; twyfel”), Hd. wahn; hierby ww. Ndl. wanen (Mnl. wānen), Hd. wähnen, Eng. ween, Got. wenjan, “meen; verwag”, wens, “hoop”, hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waan, bet. oorspr.: meening, geloof, gedachte, van wanen = denken; vgl. ’t Mnl.: „Hi waende gaen in die sale” = hij dacht te gaan; later bet. het woord: verkeerd geloof, valsche meening. – Zie Verwaand.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Waan van de dag [uitdrukking] (1854). De nog altijd populaire uitdrukking de (volks)waan van de dag wordt in 1854 voor het eerst op schrift gebruikt. De historicus Robert Fruin (1823-1899) schrijft: “Valt het niet te ontkennen dat zij [de politici De Bosch, Kemper en Thorbecke], niet minder dan Groen, van willekeur afkeerig zijn, en het recht ver boven den volkswaan van den dag verheven achten, hoe kunnen zij dan revolutionnair heeten?”

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut