Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waaks - (het wakker zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waken ww. ‘niet slapen, ergens op letten’
Onl. wakon ‘niet slapen, wakker zijn’ in te thi fan Liothte (lees liochte) uuaconic ‘voor jou ben ik onvermoeibaar bezig vanaf het licht (= vanaf de dageraad)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. waken ‘id.’ [1240; Bern.], ‘wakker worden’ in wake vro, dat is die vele gvot ‘word vroeg wakker, dat is heel goed voor je’ [1253; VMNW], ‘wakker blijven, ergens op letten, de wacht houden’ in waner so dander slapen so wakter een ‘wanneer de andere slapen, dan houdt er één de wacht’ [1270-90; VMNW], den wachtere ... die beghan tewakene acht daghe voer corsauonde ‘voor de wachter die acht dagen voor kerstavond begon te waken’ [1286; VMNW].
Os. wakon (mnd. waken); ohd. wahhen ‘wakker worden of zijn’ (nhd. wachen); ofri. wakia (nfri. weits, wekje); oe. wacian (ne. wake); on. vaka (nzw. vaka); got. wakan; alle ‘wakker worden, zijn en/of blijven; de wacht houden’, < pgm. *wakēn-, *wakōn-.
Een spoor van een bijbehorend sterk werkwoord pgm. *wakan- ‘waken’ is het verl.deelw. on. vakinn ‘wakker’.
Verwant met: Latijn vigēre ‘levendig zijn, krachtig zijn’ (zie ook → surveilleren), vigil(is) ‘wakker, waakzaam’, vegēre ‘in beroering brengen’; Sanskrit vā́ja- ‘kracht’, vājáyayi ‘spoort aan’; < pie. *ueǵ-, *uoǵ- ‘levendig worden’ (LIV 660).
Doelbewust niet slapen doet men veelal om ergens op te letten, bijv. als anderen slapen. Zo ontstond in de meeste Germaanse talen de bijbetekenis ‘ergens op letten, nauwkeurig toezien’, maar gebruikelijker dan het simplex is de afleiding bewaken ‘ergens op letten, nauwkeurig toezien’. Afleidingen waar de genoemde bijbetekenis afwezig is, zijn ontwaken ‘wakker worden’, → wekken ‘wakker maken’ en → wakker ‘niet slapend’ (maar ook wel ‘oplettend’). Zie verder nog de oude afleiding → wacht.
wake zn. ‘het waken’. Mnl. wake ‘het wakker zijn, het waken’ in Dos bleef si liggende al din nacht ... in wake ‘zo bleef ze de hele nacht wakker liggen’ [1265-70; VMNW], Jnde manlik duot vor wake en nag[t] ‘en ieder houdt een nacht de wacht’ [1270-90; VMNW], waeck ‘het waken, de wacht’ in die der stat waker ... was. ende des nachtes die straten plach ouer te gaen op die waeck mit sine ghesellen ‘die stadswacht was en 's nachts met zijn makkers door de straten placht te gaan om te waken’ [1479; MNW-P]. Afleiding van waken. In zijn klankwettige vorm waak is het woord verouderd; het abstractum bij waken is tegenwoordig eerder → wacht (bij bewaken is dat bewaking). De oude vorm wake is vooral in gebruik gebleven in enkele samenstellingen, zoals nachtwake ‘het waken bij nacht’ en paaswake. ♦ waaks bn. ‘waakzaam’. Nnl. in Een waakschen Hond [1827; iWNT]. Afleiding van de stam van waken met bijvoeglijke -s (zie → -s 1).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut