Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waaier - (voorwerp waarmee men lucht verplaatst)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

wejjer (zn.) 1. waaier 2. vlieger; Vreugmiddelnederlands waeyer <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

weier 1, ww.: vlieger. Afgeleid van weien ‘waaien’. Vgl. Wvl. plakwaaier ‘vlieger’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1waaier s.nw.
1. Klein halfsirkelvormige skerm wat met die hand heen en weer beweeg word om jou koel te waai. 2. Toestel met 'n draaiende skroef wat lug in beweging bring om jou koel te waai.
Uit Ndl. waaier (al Mnl. in bet. 1, 1844 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

weier kafmolen (Drente). = waaier, afl. bij waaien.
Hadderingh/Veenstra 318.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waaier ‘voorwerp waarmee men lucht verplaatst’ -> Indonesisch wayer ‘elektrische ventilator’; Menadonees wayer ‘voorwerp waarmee men lucht verplaatst, propellor’; Negerhollands wajer ‘voorwerp waarmee men zich koelte toewuift’; Papiaments wairu (ouder: waaier, waaire) ‘voorwerp waarmee men zich koelte toewuift’; Sranantongo wawai, waya ‘voorwerp waarmee men zich koelte toewuift’; Arowaks warhiwarhi ‘waaier om vuur aan te wakkeren’.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal