Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

waag - (weegtoestel, weegplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waag zn. ‘weegtoestel, weegplaats’
Onl. waga ‘weegtoestel’ in Lugina kint manno an uuagon ‘in de weegschalen zijn de mensenkinderen leugenachtig (d.w.z. ze wegen te licht)’ [10e eeuw; W.Ps.], ‘bepaald gewicht’ in 2 wagas lanę ‘twee waag wol’ [1130-60; ONW]; mnl. wage ‘weegtoestel; gewicht’ [1240; Bern.]; vnnl. waege, waeg, ook ‘weeghuis’ [1559; WNT].
Ablautende afleiding van de wortel van → wegen.
Os. wāga (mnd. wage); ohd. wāga (nhd. Waage); nfri. waach; oe. wǣg (ne. weigh); on. vág (nzw. våg); alle ‘weegtoestel e.d.’, < pgm. *wēgō-.
Oorspr. was dit een gewoon woord voor ‘weegtoestel’, maar in de loop van de tijd vond er betekenisvernauwing plaats naar ‘officieel, van overheidswege ingesteld weegtoestel’, en bij uitbreiding ‘instelling, plaats of gebouw waar zo'n weegtoestel zich bevindt’. Met het verdwijnen van dergelijke instellingen is waag een historisch begrip geworden. Het woord is verder nog herkenbaar in de uitdrukking iets in de waagschaal leggen (stellen, zetten enz.) ‘iets op het spel zetten, aan het lot overlaten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

waag* [weegtoestel] {oudnederlands waga 901-1000, middelnederlands wage, waech} oudsaksisch, oudhoogduits waga, oudengels wæge, oudnoors vág; ablautend bij wegen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

waag

Vele steden kennen een gebouw dat Waag genoemd wordt. Het is duidelijk dat daar iets op de waagschaal of weegschaal werd gelegd om te worden gewogen. De eigenlijke betekenis van het woord waag is: het heen en weer slingerende en daaruit ontstond die van: weegschaal en ook die van: gewicht. Het Engels kent weigh. Wij hebben hier te maken met twee werkwoorden wagen: het ene betekent wegen, het andere: op het spel zetten, durven. Deze betekenissen lopen door elkaar, zoals blijkt uit de zegswijze: zijn leven in de waagschaal stellen, waarin wij duidelijk verwantschap voelen met wagen: durven, terwijl er sprake is van wegen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

waag 1 znw. v. ‘toestel of gebouw om te wegen’, mnl. wâghe v. ‘waag, weegschaal, gewicht, druk’, onfrank. wāga v. ‘weegtoestel’, os. wāga v. ‘schaal’, ohd. wāga v. ‘weegtoestel, schaal, gewicht (nhd. wage), oe. wæg, wæge v. ‘weegschaal, gewicht’ (ne. weigh ‘128 kilo’), on. vāg v. ‘hefboom, weegschaal, het wegen, gewicht’. — Abl. afl. van wegen. — Zie ook wagen 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

waag I (toestel en gebouw om te wegen), mnl. wâghe v. “waag, weegschaal, gewicht, een bepaald gewicht, druk (overdr.)ˮ. = onfr. wâga v. “weegtoestelˮ, ohd. wâga v. “id., schaal, een gewichtˮ (nhd. wage), os. wâga v. “schaalˮ, ags. wæ̂g v. “weegschaal, gewichtˮ (eng. weigh “128 kiloˮ, to weigh “wegenˮ), on. vâg v. “hefboom, weegschaal, het wegen, een gewichtˮ. Hierbij wagen II. Ablautend met wegen (vgl. spraak: spreken).

waag II (het wagen), nnl. Van wagen II; deels ook uit waag I in uitdrr. als mnl. in der wâghen setten “in de waagschaal stellenˮ. Ook al mhd. mnd. wâge v. “het wagenˮ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

waag I. Ags. ook wæ̂ge v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

waag v., Mnl. waghe, Onfra., Os. wâga: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van wegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

waog (zn.) weegschaal; Aajdnederlands waga <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

waag II [+]: s.nw., leef o.a. nog in verbg.: in die waag-/weegskaal stel; Ndl. waag (Mnl. wāghe, “bep. gewig; plek waar geweeg word; weegskaal”, by Kil waeghschaele), Hd. wage, Eng. s.nw. weigh (v. wa) – in Ndl. (soos in Afr.) waag-/weegschaal, wat verb. hou m. waag I (v. Stoe NS); by vRieb waeghschael.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Waag, van wegen, z. d. w. – Waaghals = halswager, vgl. brekespel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

waag ‘weegtoestel; (verouderd) hefboom’ -> Engels † waw ‘gewichtseenheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Schots † waw; wall ‘gewichtsmaat’; Fins vaaka ‘weegschaal’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect wăk, waque, wake, waghe, wague ‘gewicht, massa’; Frans † vague ‘houtblok voor het omroeren van bier in een kuip’; Negerhollands waag ‘weegschaal’.

waag ‘(verouderd) golf’ -> Zweeds våg ‘golf’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

waag* weegtoestel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut