Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuur - (lichtend verschijnsel bij brand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vuur zn. ‘lichtverschijnsel bij brand’
Onl. fuir ‘vuur’ in thuro fuir in thuro uuathir ‘door vuur en door water’ [10e eeuw; W.Ps.], overdrachtelijk in thaz fiur ande thaz ernost minero minnon ‘het vuur en de kracht van mijn liefde’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vier (vooral zuidwestelijk), vuur ‘vuur’: fuer, ujer [1240; Bern.], in ulammen van den uire [1265; VMNW], overdrachtelijk in metten viere van karitaten ‘met de hartstocht van naastenliefde’ [1287; VMNW].
Os. fiur (mnd. vūr); ohd. fiur (nhd. Feuer); ofri. fiūr, fiōr (nfri. fjoer); oe. fȳr (ne. fire); on. fúrr, fýrr (maar nzw. fyr is ontleend aan het mnd.); alle ‘vuur’, < pgm. *fūr. Daarnaast staat een variant *fun- ‘id.’, waaruit: on. funi; got. fōn (genitief funins) met afwijkende klinker. Bij deze n-stam hoort wrsch. ook de West-Germaanse afleiding → vonk.
Beide stammen zijn door paradigmatische analogiewerking ontstaan uit pie. *péh2u ‘vuur’, genitief ph2uéns (IEW 828), een r/n-stam, waaruit o.a.: Umbrisch pir; Grieks pũr (zie ook → pyromanie); Armeens howr; Tochaars A por, Tochaars B pūwar; Hittitisch pahh-ur (genitief pahh-uenas).
vuurwerk zn. ‘lichtflitsen en knallen voortbrengende explosieven’. Vnnl. vuurwerck ‘voorwerp(en) met ontploffende of brandbare lading e.d.’ in eenen kunstigen bussen schutten, de richtede vuerwerck to, also kragtigh, dat ... ‘een ingenieus geschut, dat schoot zulk krachtig vuurwerk af dat ...’ [1540; iWNT], ook voor de sier in Een vierwerc van triumphe [eind 16e eeuw; iWNT]. Samenstelling van vuur en → werk in de betekenis ‘maaksel’. ♦ vurig bn. ‘als vuur lichtend; hartstochtelijk’. Mnl. vurich in dat alle die werelt een vierich cloet ware ‘dat de hele wereld een vuurbol zou zijn’ [1340-60; MNW-P], overdrachtelijk in Sijn herte es om al thebbene vierich ‘zijn hart brandt van verlangen om alles te bezitten’ [1350-1400; MNW-R]. Afleiding van vuur met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuur1* [lichtend verschijnsel bij brand] {oudnederlands fuir 901-1000, middelnederlands vuur, vier} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries fiur, oudengels fyr, oudnoors fyrr; mogelijk buiten het germ. grieks pur (vgl. de naam van de griek Pyrrhus), armeens hur. In de uitdrukking het ging als een lopend vuurtje heeft ‘vuurtje’ de betekenis van ‘aangestoken buskruit’, van een ‘lont’. De uitdrukking het vuur uit de sloffen lopen is oorspr. gezegd van een paard dat de vonken uit de stenen slaat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuur znw. o., mnl. vuur, vier, onfrank. fūir, os. fiur, fūir (nhd. feuer), ofri. fiōr, fiūr, oe. fȳr (ne. fire), on. fȳrr ‘vuur’. — umbr. pir, gr. pũr, toch. B por̄ ‘vuur’, arm. hur ‘fakkel’, oiers ūr ‘vuur’ (Brugmann IF 33, 1914, 308-313 en Bartholomae PBB 41, 1916, 284), hitt. paḥḥur (zie ook Feist Got. Wb. 158-9). — Daarnaast staat on. funi m., got. fōn ‘vuur’, waarvan afgeleid vonk. — De wisseling van slotconsonant gaat terug op de idg. heteroclytische declinatie *peu̯ōr, gen. *punés (IEW 898). — De verdere verbinding met de wt. *peu ‘reinigen, louteren’ (vgl. lat. pūrus ‘rein’, miers ūr ‘nieuw, vers’, oi. pavana- ‘reinigend’) is te onzeker, en is dus beter buiten beschouwing te laten.

Wat de dial. vorm vier betreft, toont Heeroma, Holl. Dial. Stud. 1935 met de kaarten 19 en 23 aan, dat voor 1500 deze vorm heerste in Holland, Zeeland en West-Brabant. Nu is hij teruggedrongen naar Zeeland en de Zuidholl. eilanden, sporadisch in Noord- en Zuid-Holland en Tessel. — J. van Ginneken, Taaltuin 1, 1932-3, 218-9 komt tot de conclusie, dat deze vorm herkomstig is uit een oude kusttaal (inguaeoons), die echter uiteengerukt werd door een uit Brabant werkende invloed van de vorm vuur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuur znw. o., dial. vier, mnl. vuur, vier o. (zie bij dierbaar). = onfr. fûir, ohd. fiur, ouder fûir (nhd. feuer), os. fiur, ofri. fiôr, fiûr, ags. fŷr (eng. fire) o. “vuurˮ, germ. *fū̆(w)ir(a), wellicht idg. *puwer-, ablautend met ier. ûr, umbr. pir “vuurˮ, purom-e “in ignemˮ, gr. pũr, purós, arm. hur, tocharisch poṟ “vuurˮ, čech. pýr, pýř, “gloeiende aschˮ, waarbij zich meer direct on. (poëtisch) fûrr, fŷrr m. “vuurˮ (*fûri-) aansluit. De combinatie met got. fon, funins o. “id.ˮ is onzeker (zie vonk), ofschoon een met vuur verwante idg. stam *pū̆n-, *pē̆w(e)n-, *pō̆w(e)n- ook aan oi. pâvaká- (-ŋqo-) “vuurˮ (ook “reinigendˮ), arm. hn-oc̟ “ovenˮ ten grondslag ligt. Men leidt vuur en verwanten van de idg. basis pū̆- “reinigenˮ af, waarvan ook ohd. fowen “koren zeven, zuiverenˮ, (niet ier. ûnach “reinigingˮ), lat. pûrus “reinˮ (= ier. ûr “groenˮ?), oi. punā́ti, pávate “hij reinigtˮ. Een ander idg. woord voor “vuurˮ is lat. ignis, obg. ognĭ-, lit. ugnìs, oi. agní-. Het ngerm. woord is on. eldr m. “vuurˮ; vgl. ags. æ̂lan “aansteken, verbrandenˮ, æ̂led m. “vuur, brandˮ; bij kymr. ailwyd “haardˮ gebracht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vuur. De combinatie met got. fon, funins is mogelijk, als men uitgaat van een ospr. heteroclitisch r-n- paradigma. Bartholomae PBB. 41, 272 vlgg., Brugman IF. 33, 308 vlgg. (Tegen deze verwantschap Meillet MSL. 21, 249 vlgg., alwaar voorts gewaagde beschouwingen over het ospr. verschil in waardering tussen de twee idg. woorden: lat. ignis enz. meer religieus getint dan het onzijdige gr. pu͂r enz.). Vgl. ook vonk Suppl. (Slot.) On. eldr, ags. æ̂lan enz. wsch. bij idg. *aidh- (zie eest; on. eldr, ags. æ̂led < *aiðliða-?); kymr. ailwyd is volgens sommigen aan ags. æ̂led ontleend (WP. I, 5).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vier 2 o., Vla. vorm nevens Brab.-Holl. vuur; vergel. diets.

vuur o., Mnl. id., Onfra. fûir, Os. fiur + Ohd. fiur (Mhd. viur, Nhd. feuer), Ags. fýr (Eng. fire), Ofri. fiúr, On. fýrr + Arm. hur, Gr. pũr, Umbr. pir, Oier. úr = vuur: Idg. wrt. peu̯ = vlammen, waarbij ook Skr. wrt. pu = zuiveren, Lat. purus = zuiver.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

vier zn. o.: vuur. Zoals in het Wvl., Ingw. variant van Ndl. vuur; vgl. verstieren, bestier. Samenst. vierbenne, viermande ‘vuurmand in de kraamkamer’, vierkeie ‘vuursteen’, vierlepel, vierpit, vierschip, vierschoppe, vierslag, vierstaal ‘vuurslag’, viertest, viertoren. Afl. vieren ‘drogen van vlas (boven vuur); castreren van dieren; oplichten’; vierig ‘vurig’

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vuur: brand(ing); skietery m. vuurwapens; graansiekte; (fig.) geesdrif; Ndl. vuur, dial. vier (Mnl. vuur/vier), Hd. feuer, Eng. fire, hou verb. m. Gr. pur, “vuur”, maar verb. m. Lat. pūrus, “rein”, staan nie vas nie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vuur (open --) (vert. van Engels open fire)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vuur. In het Middelnederlands komt de ‘sotte eede’ bi den vier dat daer bernt voor ‘bij het vuur dat daar brandt’. Volgens De Baere (1940: 149) is het een dwaze eed, omdat van deze formule niet het nodige prestige uitgaat om als grondslag van de eed te dienen. Toch gebruikte men deze vaste verbinding om zijn woorden kracht bij te zetten. In de 17de eeuw komt ook hels vuur op een stokjen voor. Deze uitroep doet denken aan de duivel of zijn verblijf. Volgens het WNT xxiii, 1389-1391 betekent vuur ook ‘ontsteking’. Die betekenis vinden wij nog terug in Sint-Antoniusvuur ‘roodvonk’ en ‘gordelroos’ en in Sint-Bernardsvuur ‘roos’. → vijf, vonk.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vuur, afl. op r van den Idg. wt. peu = vlammen; vgl. ’t Gr. pur = vuur; en ’t Fr. feu = vuur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vuur ‘lichtend verschijnsel bij brand’ -> Deens fyr ‘lichtend verschijnsel bij brand’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fyr ‘lichtend verschijnsel bij brand’ (uit Nederlands of Nederduits); Javindo vier ‘lichtend verschijnsel bij brand’; Negerhollands vuur, fi, vier ‘lichtend verschijnsel bij brand’ (uit Nederlands of Engels); Skepi-Nederlands fir ‘lichtend verschijnsel bij brand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuur* lichtend verschijnsel bij brand 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1089. De kastanjes uit het vuur halen,

d.w.z. een gevaarlijken arbeid verrichten voor een ander, die zich zelven buiten schot houdt en er het voordeel van geniet; hd. die Kastanien aus dem Feuer holen; fr. tirer les marrons du feu; eng. to pull the chestnuts out of the fire; ‘de keutels voor een ander oprapen’.N. Taalgids XIII, 133. De spreekwijze is ontleend aan de fabel, dat een aap, die kastanjes uit het vuur wilde halen en bang was zich te branden, hiervoor den poot van een daarbij liggenden slapenden hond gebruikte; vgl. Lafontaine, lib. IX, fab. XVII, waaraan zij echter niet is ontleend, daar de fabel reeds in de 16de eeuw bij ons bekend was; zie Harrebomée III, 100 en vgl. Vondel I, 501; Idinau, 214:

De simme kastanien uyt den viere track
Met des hondts poot, daer neffens slapende.
So doen som profijt, met t' meeste ghemack,
Met eens anders perijckel; daer-op gapende.
Godt is de schalkaers oock wel betrapende.

Zie verder Ndl. Wdb. V, 1584; VII, 1746; Waasch Idiot. 329 a; Büchmann, 272 en Wander II, 1164.

1660. Olie in het vuur,

d.w.z. in oneigenlijken zin nieuwe brandstof in het vuur der hartstochten, nieuwe opwakkering van driften. Syn. is pik in 't vuur (18de eeuw). Ontleend aan het lat. oleum igni (of camino) addere (Otto, 253); vgl. Sp. Hist. III1, 41, 16; Servilius, 181*: men en zal gheen olye int vier gieten; Sart. bl. 149: oly in 't vier gieten; Roemer Visscher, Sinnep. 3de Schock, 57; De Brune, Bank. II, 399; Ned. Hist. 236; 447; Pers, 534 b; enz. Zie Harrebomée III, 305; Afrik. Dis olie op die vuur; Wander III, 1141 en vgl. fr. jeter de l'huile sur le feu; hd. Oel ins Feuer gieszen; nd. Oelje to'm Für gêten; eng. to add fuel to the fire; that's oil to the fire; fri. oalje yn 't fjúr.

2491. Vuur en vlam spuwen,

d.i. woedend, in hooge mate vertoornd zijn; in heftige bewoordingen aan zijn toorn lucht geven; eig. gezegd van een serpent, een draak, die als hij boos werd, vuur en vlam spoogVgl. o.a. Sp. Hist. I8, 7, 28; Walewein, 412 vlgg.; Ferguut, 3436 vlgg.; enz.. Vgl. Sacrament v.d. Nyeuwerv. 880:

 Hulp longeren, ic sal verwoeden willen;
 Van toorne spouwic vier ende vlamme.

Vondel, Triomftorts, vs. 7: De vloot haer' draecken spogen vlam en swavelvier, granaeten, lood en stael; Virg. II, 129; Salmoneus, vs. 1742: De paerden, trots van aert, die vier en vlam en gloet noch strax ten beck uitspoogen. - Palamedes, 77: Toen Kalchas op hen smaelde en uitspoogh vier en vlam; Klucht v.d. Pasquilmaecker, 11; Brederoo I, 46, 1071: Ick spouwe vuyr en vlam; Westerbaen III, 101: Spouwt tegen my vry vyer en vlam; Spaan, 142: Hier over meinde ik vuur en vlam te spouwen; De rasende liefde (1706), bl. 73: Vuur en vlam spoegende; Tuinman I, 291; Sewel, 927: Hy spoog vuur en vlam tegens u, he vomitted fire and flames against you; Harreb. II, 387 b; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Zijn vrouw was gloeiend en de mijne spuwde vuur en vlam; Het Volk, 11 Aug. 1915, p. 1 k. 1; afrik. hy is vuur en vlam, woedend; hy spoeg (spuug) vuur en vlam; Waasch Idiot. 715: vlam en vier spougen, hevig gram zijn; Antw. Idiot. 2136: vier en vlam spouwen, hevig vergramd zijn; De Bo, 1361: vuur spuwen, van spijt, van gramschap; fri. fjûr en flam spuije; hd. Feuer und Flammen speien; fr. jeter, vomir feu et flamme; syn. (gift en) gal brakenNdl. Wdb. III, 1008..

2492. Die 't dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best,

d.i. die het best in de gelegenheid is om zich van de omstandigheden te bedienen, trekt er ook het meest partij vanNav. XXV, 23; 115., ‘die de geschiktste gelegenheid heeft, kan het best tot zijn doel geraken’ (Van Eijk II, 79); zie Harreb. II, 426 a en vgl. het mnl. die meest den viere es naer, hi bernt meest van tfiers gloede; fri. dy tichst by 't fjûr sit waermt him bêst, syn. van de ljue dy 't oan 't laedtsje sitte passe earst op hjar sels; gron. an de broa zitten (Molema, 58 a; vgl. 112 b); geld.: de vör 't vür zit wermt zin rügge (Gallée, 54 b); die bij de flesch (of aan de lade) zit, zegent zich zelven (of het eerst; Harreb. I, XXXIX a); Waasch Idiot. 583 a: aan 't schotelken zitten; die 't kruis heeft, zegent zijn zelven eerst of de pastoor zegent zijn zelven eerst (Joos, 170); hd. wer das Kreuz hat, segnet sich. Zie no. 1314.

2493. Iemand het vuur na de schenen leggen,

d.i. het iemand zeer moeilijk maken, zoodat hij er zich niet meer uit zal weten te redden; het hem benauwd maken, hem in 't nauw brengen; mnl. het enen na(er) leggen of enen sijn vel verwarmen. ‘Het spreekwoord wordt niet alleen op den geldschuldige, maar ook op den leugenaar en den drogredenaar toegepast. Het zal wel oorspronkelijk zijn van de helsche pijnigingen, die men gebruikte, om iemand te doen bekennen, wat hem te laste werd gelegd, onverschillig of hij 't kwaad al of niet bedreven had, en dus tot de tijden der inquisitie behooren’; Harreb. II, 244 b. Zie verder V. Moerk. 255: Mijn man die leyt mijn het vuur soo na aende scheenen, dat ick altemet krancksinnich ben; Gew. Weeuw. II, 29: Ik zal hem het vuur nader aan zijn scheenen leggen, en die sprong zuur doen opbreeken; Rotgans, Boerenkermis (ed. 1851), bl. 21: Ik zal dat vuurtje jou meer aan de scheenen leggen; Van Effen, Spect. IV, 198: Mars, die de Koningin van Paphos 't vuur zo na aan de scheenen legt, dat die goedaardige sloof 't verzoek van haar Minnaar niet kan afslaan. Hiernaast kwam in de 17de eeuw voor iemand het vuur (of vier) na (of naar) leggen, o.a. in Vondel, Jos. in Egypte, vs. 935; Hooft, Brieven, 253; 473; Ged. I, 189; Brederoo III, 428, vs. 65; Pers, 667 b; bij Tuinman I, 56: Het vuur is hem aan de voeten gelegt, dit is, hy heeft het hard, hy moet veel uitstaan; Sewel, 698: Iemand het vuur heel na aan de scheenen leggen, to put one to his plugers (?) in arguing, to drive him to a non plus. Vgl. ook Zandstr. 62: Hoewel we hun den laatsten tijd 't vuur wat erg warm aangelegd hebben; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Ze legden hem het vuur nog al na aan z'n schenen; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.), p. 2 k. 4: Zelfs toen geruchten de ronde deden dat de Italiaansche regeering zijn bondgenooten het vuur aan de schenen begon te leggen, wisten de Duitsche kranten van den prins geen kwaad; Ndl. Wdb. XIV, 336. Vor Zuid-Nederland vgl. Joos, 112: iemand bij het vuur zetten, iemand zoodanig uitvragen, dat hij spreken moet; Waasch Idiot. 711: iemand bij 't vier zetten, in 't nauw brengen, foppen; Antw. Idiot. 1371: het vier op de teenen hebben, in 't nauw gebracht zijn; het vuur vóór de teenen leggen (vgl. Ndl. Wdb. VIII, 1431); fri. immen it fjûr oan 'e skinen (teannen) lizze, in 't nauw brengen, op de proef stellen; fr. mettre le feu sous le ventre à qqn, le presser vivement, l'exciter (Hatzf. 1050 a); hd. einem Feuer unter den Schwanz, auf (oder unter) den Frack machen, ihn zur Eile oder zum ernsten Angriff einer Sache antreiben (Wander I, 1006).

2494. Voor iemand door een (of het) vuur loopen (of vliegen),

d.i. voor iemand zich aan een groot gevaar blootstellen; uit genegenheid voor iemand alles, ook het gevaarlijkste, doen. De zegswijze komt ook in de klassieke talen voor; vgl. gri. δια του πυρος Βαδιζειν; lat. per flammam currereOtto, 171; Journal, 142; Ilias, κ, 246-247.. Bij ons trof ik haar het eerst aan in de 17de eeuw bij Brederoo, Moortje, 1359: Met een tooghje Wijns of met een beker Bier so soumen jagen u door Water en door Vier; Paffenr. 60: Ja, ik moet bekennen dat ik voor hem behoor te loopen door een vuur; De Brune, 76: Door vuur en swaert gaen onvervaert (vgl. Ovid. Met. 8, 76: ire per ignes et gladios ausim); Br. v. Abr. Bl. III, 145: In het vuur loopen voor; Van de Werve, Den predickenden Jonas (1777): Waer het saeken dat zy my een schoon woord gaeven, ik soude door een vier loopenAangehaald bij De Bo, 1360 b.; Kluchtspel, III, 103: Met een dronck goet bier souj' hem krijghen waer je wout, jae deur water en deur vier; Harreb. II, 428 a; Kalv. I, 136: Ik vlieg voor u door 't vuur; afrik. vir iemand deur die vuur loop; De Bo, 1360 b: voor iemand door een vier loopen of springen, al doen wat mogelijk is, hem zeer beminnen; Joos, 74; Antw. Idiot. 1371; Waasch Idiot. 711; hd. für jemand durchs Feuer gehen oder ins Wasser springen; fr. se jeter (ou passer) dans le feu pour qqn; eng. to go through fire (and water) for a p.; fri. foar immen troch 't fjûr fleane.

2495. Met vuur spelen,

d.w.z. iets doen dat zeer nadeelige gevolgen kan hebben; zeer onvoorzichtig handelen. Vgl. De Telegraaf, 3 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 2: Al wie haat zaait onder de soldaten der krijgvoerende naties, speelt met vuur; Handelsblad, 3 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 2: Als Bartholdt en zijn vrienden zulk een bedreiging uiten, spelen zij met dynamiet; 6 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 1 k. 4: Duitschland speelt met vuur en kan slechts weinig verder gaan; Het Volk, 15 Juli 1915 p. 1 k. 2; 21 Aug. 1915 p. 1 k. 1: De geest van het leger te laten bederven is spelen met vuur; afrik. hy speel met vuur; fr. jouer avec le feu; eng. to play with fire; hd. mit dem Feuer spielen; in Zuid-Nederland: die met vier speelt, wordt er deur verbrand (Antw. Idiot. 1371) of die met het vier speelt, verbrandt zijn vingers (Waasch Idiot. 711Terloops zij hier gewezen op Tuinman I, 128: Kinderen die met vuur spelen, pissen in 't bed.).

2496. Te vuur en te zwaard verwoesten, vervolgen,

d.i. door middel van vuur en wapenen dooden, door brandstichting (of den brandstapel) en moord vernielen en dooden, met vier en zwaert dempen (Vondel, Jephta, 196). Vgl. de uitdr. moord en brand; lat. ferro ignique; flamma ac ferro; ferro flammaqueVgl Otto, 170; Suringar, Erasmus CCLIV; Journal, 142.; mnl. te viere ende te zweerde brengen, verderven; Kil.: Ontsegghen te vier ende te sweerde, igne ferroque minari; Plantijn: Te brande ende ten zwaarde dreigen, menacer à brusler et tuer; mnl. te brande doen; Despars, 2, 43: Daer verginghen zo metten messe zo metten viere XXXVII personen; Servilius, 191*: te vier en te sweerde, vertaling van ferrum et flamma; Sart. IV, 36: igni ferroque minariVgl. Pers, 236 a: Wat stenen herte sou niet self van droefheyt overstulpen, wanneer het sagh, dat men onnosele vroome mannen, vrouwen en jonghe luyden met vier en swaert pranghde, doode en verbrande?, te vier ende te zwaerdt ontseggen: de iis, qui extremam denunciant inimicitiam; Pers, 8 v (voorw.): Dese luyden gaven sich soo gewilligh, uyt liefde, die zy God hoopten toe te dragen, vuur en swaerd over, datse oock al singende ten slachtoffer traden; bl. 514 b: Dat men hun daer over te vyer en swaerde niet wilde vervolgen; Halma, 758: Alles te vuur en te zwaerd verwoesten, mettre tout à feu et à sang; Sewel, 927: De vyand dreigde het land te vuur en te zwaard te verwoesten, the enemy menaced to destroy the country by fire and sword; Schuermans, 839 a: te vuur en te zweerde, in allerhaast (Gent). Vgl. voor de vorming de uitdr. te spar en te kloet (Harreb. I, 415); te stokke en te messe (De Bo, 1105); hd. mit Feuer und Schwert verheeren; fr. mettre à feu et à sang; eng. to put to fire and sword.

2497. Het vuur uit de sloffen loopen,

d.w.z. zich veel moeite geven; eig. gezegd van een paard, dat zoo snel loopt, dat door de aanraking van hoeven en straatsteenen de vonken er uitvliegen. Vgl. Harreb. II, 275: Hij loopt het vuur uit de sloffen; De Arbeid, 3 Oct. 1914 p. 2 k. 2: De arbeiders, welke zich eerst het vuur uit de sloffen geloopen hebben om den heer Prins en zijn kornuiten op het kussen te brengen; Het Volk, 27 Juni 1914 p. 2 k. 3: Het is duidelijk, voor wie vooral deze laatste hulptroepen van den heer Van Diesen zich zoo voor dezen het vuur uit de sloffen ziet loopen; Nkr. I, 6 Oct. p. 2: Wel liepen de dames kiesrechtbeweegsters niet voor hem het vuur uit de sloffen? IV, 22 Mei p. 2: In plaats van zich het vuur uit de sloffen te loopen om mijnheer A of mijnheer B 'n paar stemmen meer te bezorgen; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915 p. 11 k. 1: Toen ik het vuur uit mijn sloffen geloopen had, om de kastanjes voor hem uit het vuur te halen, liet-i mij tegen de lamp vliegen; Kippev. II, 157: Ik zal me het vuur voor je uit de sloffen loopen; Het Volk, 17 Juni, 1915 p. 1 k. 3: Ook nu weder zullen wij getuige zijn van het schouwspel, dat de arbeiders zich het vuur uit de sloffen loopen, om de profeten van het behoud opnieuw met macht te bekleeden; Nkr. IX, 10 Juli p. 6: Hij liep 't vuur uit z'n sloffen om werk te vinden; 17 Juli p. 6; Handelsblad, 3 Jan. 1916 p. 1 k. 4 (A): Die vóór den oorlog zich het vuur uit de sloffen liep om steenkool te verkoopen, is nu en gros handelaar in varkens; Ndl. Wdb. VIII, 2838; enz. In Zuid-Nederland zegt men in dezen zin: Veur iet of iemand de schoenen van zijn voeten loopen (zie Antw. Idiot. 2019), zijn voeten uit zijn schoenen loopen of de zolen van de schoenen loopen, dat te vergelijken is met het 17de eeuwsche zijn schoenen afloopen (zie Brederoo I, 320, vs. 305).

2498. Tusschen twee vuren zitten,

d.i. in eig. zin van twee kanten door den vijand beschoten worden; vandaar bij overdracht: tusschen twee moeilijkheden zitten, die beide even lastig te ontgaan zijn, zoodat men niet weet welke van beide men het hoofd zal bieden; geen uitweg weten, niet weten wat te doen, in tweestrijd zijn; Harreb. II, 427 b; afrik. hy sit tussen twee vure; fr. être entre deux feux, essuyer le feu de l'ennemi de deux côtés à la fois (Hatzf. 1050; ook fig.); hd. zwischen zwei Feuern kommen, einer Gefahr von zwei Seiten her ausgesetzt sein (Borchardt, no. 346); eng. to be between two fires; in Zuid-Nederland tusschen twee vuren zijn, omringd zijn van moeilijkheden (Schuermans, 839 aIn V. Janus III, 66 lezen we: Zooveel begrijp ik er toch van, dat Arlequin een deugniet is, en dat Harmen me gaarn naar zijn hand stellen wou. 't Is recht ongelukkig, dat men zoo tusschen twee vuren in de asch zit! Blijkbaar wordt hier bedoeld tusschen twee vuren zitten en hebben we aan eene vermenging te denken met tusschen twee stoelen in de asch zitten, eene vroeger veelvuldig en thans nog in verschillende talen voorkomende zegswijze, gebruikt van iemand die tusschen twee gevallen niet weet te kiezen en dientengevolge niets uitricht of de gelegenheid verzuimt (Ndl. Wdb. II1, 715; Harreb. I, 21 b; no. 2178); mlat. sedibus in mediis homo sepe resedit in imis. In het Friesch kent men ook twisken twa fjûrren yn 'e yeske sitte, doch in denzelfden zin van twisken t fjûr en de briedpanne sitte, erg in de verlegenheid zitten (W. Dijkstra II, 314 b); syn. tusschen hamer en aanbeeld zitten (Ndl. Wdb. V, 1736); lat. esse inter malleum et incudem.); Waasch Idiot. 711: tusschen twee vieren staan, een moeilijke keus te doen hebben.

2499. Voor heeter vuur gestaan hebben (of geweest zijn),

d.i. in grooter gevaar geweest zijn; eig. gezegd van den soldaat, die tegenover het vuur van den vijand staatOf kan gedacht worden aan de straffen der inquisitie om iemand met zijn bloote schenen voor een vuur te plaatsen (no. 2493)? Men zou dit kunnen opmaken uit Pers, 356 a: De Eedele en Steden van Holland hadden dit oock al ingewillight, soo dat Amsterdam, siende dat zy alleene mette bloote scheenen voor 't vyer stont, niet by gedoge, maer met overstemminge, daer in verwilghde.. Syn. van het 17de-eeuwsche groter zee overgevaren zijn (Witsen, 492 a; Sewel, 623). Vgl. Tuinman I, 56: Ik heb wel voor een heeter vuur gezeten; Boere-krakeel, 82: Hy heit al wel voor heeter vuur gezeten; bl. 173:

 'k Bin daer, zei Hans, niet voor bevreest:
 Want Joost, om 't jou maer kort te zeggen,
 Heit al voor heeter vuur geweest,
 En van zen craesie (courage) blyk gegeeven.

Harreb. II, 427 b: Hij is voor een heet vuur geweest; bl. 428 a: Ik heb wel voor heeter vuur gestaan, zei Lammert, en hij stond tot zijne keel toe in het water; Lvl. 180: Ik heb van m'n leven niet voor heeter vuren gestaan; Nkr. II, 5 Januari p. 3; A. Jodenh. II, 29: Ik heb in me leve al voor grootere vure gestaan; Nkr. V, 19 Maart p. 6: Voor Kolthek zou ik uit den weg niet gaan? Ik heb wel voor heetere vuren gestaan; De Arbeid, 29 Mei 1915 p. 4 k. 3: De revolutionaire arbeidersbeweging in ons land heeft wel voor heetere vuren gestaan, waarbij zij tot schrik harer vijanden bewonderenswaardige daden wist te verrichten.

2500. Een loopend vuur(tje),

in de zegswijze ‘'t gaat voort als een loopend vuurtje; dit past op 't geen zich spoedig alom verspreit; gelyk zulke loopende tydingen en straatmaaren, die de een den anderen voort vertelt. De gelykenis is eene streek van aangesteken buskruid’ (Tuinman II, 218). Dat deze verklaring juist is, blijkt uit Pers, 896 a: Hy wilde daer eenige tonnen kruyd brenghen, om die met een loopent vier (d.i. een lont) te ontvoncken; Hooft, Ned. Hist. 901: In de kerke, een' myne te graaven en kruyds genoegh daarin verborghen, te doen slagh maaken door een loopend vuur; De Brune, Bank. I, 159: Die in een quaed gheruchte komt, is half ghehangen en verdoemt. Dat eens ghevat zijnde, loopt gheduyrich voort, als een viertjen, daer buskruyt ghestroyt is. Zie verder Vondel, Gebroeders (ed. 1650), bl. 42: Zijn yver brandt, gelijck een loopend vier, en vlieght terstont door 't gantsche rijck; Pers, 377 b: Dese opstand van Brussel vloogh, als een loopend vier, door 't geheele land; Pasquil-maecker, 17; Gew. Weuw. III, 49: o Goon, dat zal morgen door de Stad gaan als een loopend vuurtjen; Esopet, Napelsche Hengst, 4: Dat slaat voort als een loopende vuurstroom door de geheele stad; Van Effen, Spect. XII, 53: De wraek is een loopend vuur; Sewel, 460; Van Beers, Gedichten (anno 1885), bl. 266; Amst. 37; Menschenw. 529: Iedereen weet het reeds in Wieringerland, dat gaat als een vuurtje; Handelsblad, 4 Jan. 1915 (avondbl.) p. 6 k. 5: Het nieuws dat H.M. de Koningin heden zou komen, had zich als een loopend vuurtje door de stad verspreid; fri. in kwea' namme rint foart as diggelfjûr (St.-Elmsvuur); it nijs roan as diggelfjûr troch de bûrrenFri. Wdb. I, 272 a.; eng. a running fire; to spread like wild-fire; hd. sich wie ein Lauffeuer verbreiten; fr. se répandre comme une trainée de poudre. In Zuid-Nederland: rondgaan gelijk een loopende vier (o.a. Antw. Idiot. 1371).

2501. De vuurproef doorstaan,

d.i. een harde proef, een streng onderzoek doorstaan. De uitdrukking bevat eene herinnering aan den tijd der godsoordeelen of ordaliën. De vuurproef, te onderscheiden van de ijzerproef (zie no. 834), bestond hierin, dat de aangeklaagde zijne hand een bepaalden tijd in het vuur moest houdenVgl. Daar zou ik mijne hand (niet) voor in 't vuur willen steken (Harreb. I, 276 b); in Zuid-Nederland: ik zou er geen heet ijzer voor durven dragen; ik zou er geen kooltje vier voor opslikken; enz. fr. j'en mettrais la main au feu; hd. da wollte ich meine Hand (nicht) für ins Feuer legen, stecken., over gloeiende kolen moest loopen, of in het bloote hemd, dat soms met was bestreken werd, door een brandende houtmijt moest gaan; bleef hij ongedeerd, dan was zijne onschuld bewezen. Deze proef, die reeds in de Veda's vermeld wordt, en ook bij de Grieken bekend was, is eens in alle werelddeelen gebruikelijk geweest, en is dit nog in vele streken van Afrika, Zuid-Azië en Oost-Indië. Vgl. afrik. die vuurproef deurgaan; fr. passer par le creuset (smeltkroesHier wordt dus gedacht aan het onderzoek van ertsen of metalen; zie no. 1888.); hd. die Feuerprobe bestehen; eng. to stand the test; zie Noordewier, 437; De Cock1, 108; Grimm, Rechtsalterth.4 II, 567-578.

2532. In de eene hand water en in de andere vuur dragen,

d.w.z. zich nu op de eene wijze, dan weder op eene andere wijze voordoen; dubbelhartig zijn; uit twee monden spreken. De zegswijze wordt aangetroffen in het Grieksch bij Plutarchus: τη μεν υδωρ εφορει δολοφρονεουσα χειρι, τη δε ετερη το πυρ. Vgl. voor onze taal Rose, 989:

 Daer es menich verradere fel,
 Die vor die liede can smeken (vleien) wel
 Ende vore blusschen ende achter bernen,
 Daer si goede liede mede ernen (boos maken).

Vad. Mus. I, 326, 73: 't Fier draghen si in die ene hant ende dander hant es selden sonder water; Scaecspel, 75; Goedthals, 62: in deene hant watere, in dandere vier draghen, porter le feu et eaue; Campen, 36: hy draecht het water in deene hant, ende tvuyr in dander; Sart. I, 8, 97: altera manu fert lapidem, panem ostentat altera: hy dracht het vier in de een handt, ende water in dander handt, qui coram blandiuntur clam obtrectantes, palam amicos agunt, clanculum nocent cet.; III, 10, 48; Erasmus, VIII; Idinau, 24; Winschooten, 122: Vuur in de eene hand draagen, en het waater in de andere hand: schoon voor het oog: maar vals agter de rug; Tuinman I, 186; II, 216; Adagia, 42: In d'een handt heeft hy waeter, in d'ander handt heeft hy vier, altera manu fert lapidem, panem ostentat altera; Harreb. I, 279 a; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 711 b; Rutten, 272; Ten Doornk. Koolm. III, 521. Syn. was heet (of warm) en koud uit één mond blazen (vgl. Ndl. Wdb. VI, 399; II, 2807); eng. to blow hot and cold. Op Goeree en Overflakkee beteekent hij blaast hitte en kou uit één gat, hij spreekt zich zelf tegen. Vgl. fr. souffler le chaud et le froid.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal