Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vurig - (temperamentvol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vuur zn. ‘lichtverschijnsel bij brand’
Onl. fuir ‘vuur’ in thuro fuir in thuro uuathir ‘door vuur en door water’ [10e eeuw; W.Ps.], overdrachtelijk in thaz fiur ande thaz ernost minero minnon ‘het vuur en de kracht van mijn liefde’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vier (vooral zuidwestelijk), vuur ‘vuur’: fuer, ujer [1240; Bern.], in ulammen van den uire [1265; VMNW], overdrachtelijk in metten viere van karitaten ‘met de hartstocht van naastenliefde’ [1287; VMNW].
Os. fiur (mnd. vūr); ohd. fiur (nhd. Feuer); ofri. fiūr, fiōr (nfri. fjoer); oe. fȳr (ne. fire); on. fúrr, fýrr (maar nzw. fyr is ontleend aan het mnd.); alle ‘vuur’, < pgm. *fūr. Daarnaast staat een variant *fun- ‘id.’, waaruit: on. funi; got. fōn (genitief funins) met afwijkende klinker. Bij deze n-stam hoort wrsch. ook de West-Germaanse afleiding → vonk.
Beide stammen zijn door paradigmatische analogiewerking ontstaan uit pie. *péh2u ‘vuur’, genitief ph2uéns (IEW 828), een r/n-stam, waaruit o.a.: Umbrisch pir; Grieks pũr (zie ook → pyromanie); Armeens howr; Tochaars A por, Tochaars B pūwar; Hittitisch pahh-ur (genitief pahh-uenas).
vuurwerk zn. ‘lichtflitsen en knallen voortbrengende explosieven’. Vnnl. vuurwerck ‘voorwerp(en) met ontploffende of brandbare lading e.d.’ in eenen kunstigen bussen schutten, de richtede vuerwerck to, also kragtigh, dat ... ‘een ingenieus geschut, dat schoot zulk krachtig vuurwerk af dat ...’ [1540; iWNT], ook voor de sier in Een vierwerc van triumphe [eind 16e eeuw; iWNT]. Samenstelling van vuur en → werk in de betekenis ‘maaksel’. ♦ vurig bn. ‘als vuur lichtend; hartstochtelijk’. Mnl. vurich in dat alle die werelt een vierich cloet ware ‘dat de hele wereld een vuurbol zou zijn’ [1340-60; MNW-P], overdrachtelijk in Sijn herte es om al thebbene vierich ‘zijn hart brandt van verlangen om alles te bezitten’ [1350-1400; MNW-R]. Afleiding van vuur met het achtervoegsel → -ig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vurig bnw. Sedert ʼt Mnl. Mhd. Mnd. Ofri. Van vuur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vurig ‘temperamentvol’ -> Deens fyrig ‘temperamentvol’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fyrig ‘temperamentvol’ (uit Nederlands of Nederduits).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1237. Vurige kolen op iemands hoofd hoopen (of stapelen),

ontleend aan den Bijbel, n.l. aan Spreuken XXV, 22: Want ghy sult vyerige kolen op sijn hooft hoopen: ende de Heere sal 't u vergelden; met de kantteekening: ghy sult hem daer toe dryven, dat hy de vyantschap, die hy tegens u heeft, haest van hem werpe; gelijck yemant die gloeyende kolen op 't hooft gelecht souden werden, de selve terstont soude afschudden. Ofte, ghy sult sijn herte vermorwen, ende gedweech maken, dat hy van sijn ongelijck overtuycht sal sijn, gelijck de Smeden het yser met gloeyende kolen vermorwen. Vgl. ook Rom. XII, 20: Indien dan uwen vyandt hongert soo spijsight hem: indien hem dorst soo geeft hem te drincken. Want dat doende sult ghy colen vyers op sijn hooft hoopen. De beteekenis van deze woorden is, volgens Zeeman, 329 ‘door een edelmoedig betoon van barmhartigheid zijnen vijand van schaamte en leedwezen doen gloeien’. Van der Palm verklaart deze uitdrukking aldus, dat men daardoor zijnen vijand aandoet, wat hem het ondragelijkst moet vallen, en strenge wraak aan hem oefent, die hem al zijn ongelijk smartelijk zal doen gevoelen en dus het beste middel tot zijne verbetering wezen zal.In de Leidsche Bijbelvertaling wordt als toelichting gegeven: Dit is een voor den beweldadigde pijnlijk gevolg van des anders grootmoedigheid; de drijfveer houdt niet meer in dan: zoo neemt gij de gevoeligste wraak.... Dat de pijnlijke gewaarwordingen den beweldadigde tot berouw over zijn vijandschap nopen, wordt er licht bij gedacht, maar ligt er eigenlijk niet in. Zie ook Germ.-Rom. Monatschr. II, 248; 679; III, 246. Vgl. Sp. der Sonden, vs. 14633:

Scrifture maket ons vroet
Dat doeghet, diemen den viant doet,
Gelijct den colen, die schone gloyen,
Die met hare hette verbroyen
Gramschap, die daer is geploen,
Die minne weder ontsteken doen.

Zie veider Huygens, Korenbl. II, 104 (no 5); fr. amasser des charbons ardents sur la tête de qqn; hd. einem glühende (oder feurige) Kohlen aufs Haupt sammeln; eng. to heap (cast, gather) coals of fire on a p.'s head; Afrik. vurige kole op iemand se hoof hoop.Jord. 43 (Trui, Bet, Daatje, stemden gretig in, stapelden kolen op 't hoofd van 't stookwijf Jongeneel) in den zin van kwaad spreken van iemand.

2426. Vlammen op iets,

d.i. hevig naar iets verlangen, een brandende begeerte hebben naar iets, vurig naar iets verlangen, verhit zijn op iets, heet zijn op iets, geilenNdl. Wdb. IV, 909. op iets, branden naar iets; gebrand zijn op iets; lat. ardere ad of in aliquid. In de 17de eeuw zeer gewoon; vgl. Vondel, Palamedes, 318; Lucifer, 1863; VI, 288:

 Terstont begint het hart der schoone bruit te blaecken,
 T' ontvoncken, en zy vlamt op d'aangepreze vrucht.

Brederoo l, 279: So haest as ick jou sach, heb ick op jou evlamt; bl. 287: Ick vlamde daer op as ien boer op ien boeckede-koeck; Coster, 466, vs. 322; Pers, 630 b; Tuinman I, 257: Hy vlamt daar op, dat is, hy is met eene brandende begeerte daar toe ontsteken; Sewel, 896: Vlammen op buit, to be hot upon prey; Halma, 732: Vlammen, begeerig zijn, verlangen, brûler, désirer ardemment; Harreb. III, 77 b; fri. irgens op flamje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal