Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuren - ((gemaakt van) hout van de fijnspar (Picea abies))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vuren zn. en bn. ‘(gemaakt van) hout van de fijnspar (Picea abies)’
Mnl. vurin, vorin (bn.) ‘(van het hout) van de grove den’ in drie vurne balken [1286; VMNW], voerine planken [1293; VMNW], 10 vurenhoute ‘10 stuks (palen?) van deze houtsoort’ [1343-46; MNW], (Enen) veurinen boom [1348; MNW], vueren planken [1399; MNW], Taflen ... van vuerin houte [1432-68; MNW]; vnnl. vuren (zn.) ‘grove den’, in de vorm vueren [1573; Thes.], ‘naaldbomenhout’ in Eycken ende Vuyren, komende uyt Sweden ofte Noorwegen [1643; iWNT]; nnl. vuren, vurenhout ‘hout van de fijnspar’ in Het vurenhout is afkomstig van den sparrenboom, vurenboom of groven den (pinus silvestris) en nog eenige bijsoorten [1865; iWNT], greenen en vuren ‘hout van de grove den en hout van de fijnspar’ [1869; iWNT].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *furhīn-, een afleiding van het zn. *furhō- ‘grove den, pijnboom (Pinus sylvestris)’ met het achtervoegsel voor stofnamen als in → gulden 2. Dit zn. is in het Nederlands alleen overgeleverd als eerste lid in Oudnederlandse toponiemen (onl. *fura > mnl. *vore): Forolta ‘Voorhoute (Oost-Vlaanderen)’ [1117; Gysseling 1960], letterlijk ‘dennenbos’ (het Zuid-Hollandse toponiem Voorhout heeft een andere etymologie) en misschien al in Fornhese ‘bos bij Amersfoort (Utrecht)’ [777; Gysseling 1960].
Mnd. vuren ‘id.’; vnhd. förhen ‘id.’; < pgm. *furhīn- ‘van de grove den’. Daarnaast on. fyri-skógr ‘dennenwoud’ < pgm. *furhia-. Nfri. fjurren ‘vuren’ is ontleend aan het Nederlands, met volksetymologische aanpassing aan fjoer ‘vuur’.
Bij onl. *fura < pgm. *furhō- ‘grove den’: os. furia (mnd. vure); ohd. for(a)ha (mhd. vorhe, maar nhd. gewest. Föhre met secundaire umlaut); oe. furh- (me. en ne. fir kan hiervan een voortzetting zijn of ontleend zijn aan een Noord-Germaanse taal); on. fura (nzw. fura ‘den’, furu ‘grenenhout’, nno. furu, nde. (skov)fyr).
Hierbij hoort ablautend ohd. fereh-eih ‘soort eik’, Langobardisch fereha ‘id.’ en on. fjörr ‘soort boom’.
Verwantschap van pgm. *furhō-, *ferhu- met Latijn quercus ‘eik’, uit pie. *prkw-, *pérkw- ‘eik’ (IEW 822) wordt algemeen aangenomen, maar door Kluge24 afgewezen.
Vuren is dus te verklaren als erfwoord (zo ook bij WNT en VMNW). De grove den is in Noordwest-Europa een inheemse boom. Toch werd over het algemeen voor het Nederlands gedacht aan ontlening aan een Noord-Germaanse taal (FvW, NEW, Toll., EDale en Van der Sijs 1998). De reden is dat de huidige betekenissen van vuren ‘hout van de fijnspar (Picea abies)’ en → grenen ‘hout van de grove den (Pinus sylvestris)’ afwijken van wat men zou verwachten op grond van de woordgeschiedenis: vuren is afgeleid van een oude naam van de grove den, en grenen [17e eeuw] van een Scandinavische boomnaam voor ‘fijnspar’ (vergelijk Zweeds gran ‘id.’). Deze afwijking kan dan verklaard worden uit het feit dat de beide houtsoorten meestal gezamenlijk uit Scandinavië werden geïmporteerd en men niet wist welke benaming op welke houtsoort van toepassing was. Inheemse afleidingen van de voor deze bomen gebruikelijke namen → pijnboom (vanaf de 13e eeuw) en → spar (vanaf de 17e eeuw) bestonden niet, zoals dat wel gebruikelijk is bij bijv. eiken(houten), beuken(houten), ceder(hout)en. De verwarring blijkt duidelijk uit het citaat uit 1865. De huidige betekenisverdeling tussen vuren en grenen lijkt in elk geval in 1893 een feit (WNT grenenhout), maar komt ook al voor bij Marin (1717).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuren [van vurenhout] {vurijn, vuren 1285} < oudnoors fyri, deens fyr, verwant met hoogduits Föhre, engels fir-tree.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuren 1 bnw., mnl. vuerijn, vueren, vgl. Kiliaen het znw. vueren, vuerenhout, vuyrenhout ‘pinus silvestris’, mnd. vūren < on. fȳri ‘dennenbos’ < germ. *furhia, vgl. os. uurie ‘pijnboom’ naast ohd. foraha, forha (nhd. föhre), oe. furh (ne. fir), on. fura v. < furhōn. — Daarnaast ohd. fereh-eih, langob. fereha ‘aesculas’ (Hoops Waldb. 118 neemt als oorspr. bet. aan ‘eik’ vgl. voor soortgelijke verschuiving van bet. nog beuk). — gr. Purraĩon ‘berg op Lesbos’, oi. parkaṭī ‘ficus infectoria’. Naast de o-stam in het idg. ook een u-stam (met sacrale bet. volgens Specht KZ 64, 1937, 10), vgl. lat. quercus ‘eik’ (IEW 822).

Loewe PBB 60, 1936, 160-163 verwerpt deze verklaring en verbindt het woord met gr. pérkē ‘vis met stekelvinnen’, dus bij een idg. wt. *perk ‘spits, stekelig’, dus wel degelijk eig. ‘naaldhout’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuren I bnw., mnl. vuerijn, -en. Kil. vermeldt vueren als znw. = vuerenhout, vuyrenhout “pinus silvestrisˮ. Blijkens de û evenals mnd. vûren “vurenˮ een ontl. uit het ngerm. woord on fyri o., noorw. dial. fẙre “vurenhoutˮ, de. fyr “pijnboomˮ, dit met umlaut bij on. fū̆ra v. “pijnboomˮ = ohd. for(a)ha (nhd. föhre), ags, furh v. (eng. fir) “id.ˮ, waarbij nog os. uurie (*furhia) v. “id.ˮ.Verwant met ohd. fereh-eih v. “eikˮ, langob. fereha “aesculusˮ, lat. quercus (*perquus) “eikˮ, oi. parkaṭî- “ficus infectoriaˮ. Zie bij eik.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vurenhout o., met adj. vuren, dat, gelijk Ndd. vuren, uit Skand.: On. fúri, No. fyre = vurenhout, De. fyr = pijnboom, umlaut bij On. fura (Zw. id., De. furu) = pijnboom + Ohd. for(a)ha Ags. furh + Skr. parkatī = ficus infectoria, Lat. quercus = eik. Hgd. föhre is uit ʼt adj. föhren opgemaakt, en Eng. fir is uit Skand.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vuren (Oudnoor(d)s fura)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

grenenhout, vurenhout, ombudsman

De Ikea-toonzalen staan vol met meubelen die voorzien zijn van intrigerende Zweedse namen, maar er zullen niet veel mensen zijn die deze namen onthouden, terwijl Engelse productnamen in ieders mond bestorven liggen. De namen van de houtsoorten waarvan de meubelen gemaakt zijn, stammen uit Scandinavië: grenen(hout) en vuren(hout). Deze houtsoorten zijn al eeuwen populair omdat ze uitstekend te bewerken zijn. Het beste hout komt uit Noord-Zweden, Finland en Rusland. Het woord grenen is voor het eerst in 1643 in het Nederlands genoemd en is ontleend aan Zweeds gran. De boom is genoemd naar zijn ‘beharing’ met naalden, want het woord is verwant met Oudnoors grn ‘het op de bovenlip groeiende haar, de met haar begroeide bovenlip’. In het Zweeds wordt met gran overigens de ‘spar’ aangeduid, terwijl green bij ons staat voor de ‘grove den’. Het is echter bij de namen van de coniferen niets bijzonders dat er verwarring is opgetreden. De namen werden immers gegeven lang voordat er van botanische taxonomieën sprake was.

Het woord vuren is veel ouder, het is al in 1285 in het Nederlands gevonden: ‘drie vurne balken’. Het is dan ook ontleend aan het voorstadium van de huidige Scandinavische talen, het Oudnoors, dat met fura de ‘fijnspar’ en met fyri het ‘hout van de fijnspar’ aanduidde. Terwijl veel oude leenwoorden internationaal zijn, geldt dat niet voor grenen en vuren: op Engels fir voor ‘vuren’ na, hebben onze Engelse, Duitse en Franse buren geen van allen het Scandinavische leenwoord overgenomen. Het Oudnoorse woord fura is interessant genoeg verwant met Latijn quercus, dat ‘eik’ betekent — een wel heel andere boom! De betekenisverschuiving is waarschijnlijk als volgt te verklaren. Terwijl de Germaanse volkeren ruim voor de jaartelling steeds meer naar het noorden trokken, werd de eik door de opmars van de coniferen steeds meer naar het zuiden verdrongen ­— zoals bekend groeien er in de subarctische gebieden geen eiken maar wel coniferen. Daarom gingen de Germanen hun woord voor ‘eik’ toepassen op de coniferensoort. De overdracht van een boomnaam van de ene soort op een andere vinden we wel vaker: het Indo-europese woord dat bij ons tot beuk heeft geleid, luidt in het Grieks phègos met als betekenis ‘eik’; beuken komen namelijk in Griekenland niet voor.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuren van vurenhout 1285 [MNW] <Oudnoor(d)s

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut