Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuns - (muf, verdorven)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

vunzig bn. ‘muf; schunnig’
Middelnederlands vunsch (1401–1450), funsch (1460), vonsch (1466), vuyns (1475) ‘muf, schimmelig’ van graan of koren. Nieuwnederlands vuynsch (1501–1523), vunst (1501–1536), vunsch (1612), vuns (1612), vints (1630), vunts (1658) ‘schimmelig, muf, vies’, van brood maar ook van smaak, geur en objecten zoals hooi of een hoerekot. De verbogen vorm vunze, die in de plaats van vunse gekomen is, vinden we voor het eerst in 1698 in een liedtekst (Daar vunze spotterny / Op hooger altaar staat). In moderne dialecten zelden aangetroffen, alleen Noordhollands fun ‘smerig, muffig’, vunsterig weer ‘donker, slecht weer’.
Daarvan afgeleid het bn. Mnl. vunstich (1450), vonstich (1440–1460), Nnl. vonstig (1545), vunstich (1536), vunsigh (1588), vuntsigh (1588), vunzig (1720), vunzigheit “vermuftheit” (1710).
In vuns kon tussen n en s een t kon worden gehoord, vandaar vunts. In andere dialecten is hypercorrect een -t aan het einde toegevoegd zodat vunst ontstond. Zowel van vuns als vunst is een verduidelijkende ig-variant gemaakt, waarna de ig-loze vormen zijn verdwenen. Tenslotte heeft de nieuwe vorm vunzig het oudere vunstig geheel verdrongen uit de standaardtaal.
Vunsch wijst op Westgermaans of Oudnederlands *funska-. De oudste betekenis ‘schimmelig’ past precies bij *fun- in de verwante vormen Oudengels fyne ‘vocht, schimmel’, fynig ‘schimmelig’, fynegian ‘schimmelen’. In het Noordgermaans vinden we verwante vormen die van een werkwoord *fū-, *fau- ‘verrotten’ zijn afgeleid, zoals Oudnoors fúna ww. ‘verrotten’, feyja ‘laten rotten’, fúinn ‘verrot’, fúi zn. ‘rot, rotheid’ (*fū-an-). Daarbij horen ook Nl. vuil (PGm. *fūla-) en voos ‘bedorven, rot’ (PGm. *fauska-, vgl. Vroegnnl. voosch, Oudnoors fauskr ‘verrot hout’). Het Germaanse werkwoord is afkomstig uit de Proto-Indo-Europese wortel *puH- ‘stinken, rotten’ die onder meer in Grieks pū́thesthai, Sanskrit pū́yati, Litouws pū́ti ‘verrotten’ en in ons Latijnse leenwoord pus voortleeft.
De Westgermaanse basis *fun- van Mnl. vunsch en Oudengels fyne kan de verkorte variant van de n-stam *fūn- in Oudnoors fúi voortzetten. Lange klinkers konden in het Proto-Germaans voor l, m, n, r verkort worden als de klemtoon op de volgende lettergreep lag, wat bijv. *sunu- ‘zoon’ uit PIE *suHnú- verklaart (Sanskrit sūnú-, zie onder zoon). In sommige naamvallen van de n-stam *fū-an- bestond de voor verkorting vereiste klankstructuur *fūná-, *fūné- waaruit *fun- kon ontstaan. Daaraan heeft het Nederlands *-sk- toegevoegd, mogelijk naar voorbeeld van *fauska- > voosch.
Literatuur: Kroonen, Guus. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. pp. xxi, 132, 157, 158.
[Gepubliceerd op 14-12-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuns*, vunzig [muf, verdorven] {vunsch [muf, schimmelig] 1401-1425} oudengels fynig [beschimmeld], oudnoors fúna [rotten]; van dezelfde stam als vuil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuns bnw., mnl. vunsc, nnd. vunsch; daarnaast mnl. vunst, vunstich, wfri. vunsterig ‘slecht’. — Te verbinden met oe. fyne ‘vochtigheid, schimmel’, fynig ‘vochtig, schimmelig’, fynegian ‘schimmelen’ en on. fūna ‘verrotten’, dus behorend tot de groep van vuil.

De formele mogelijkheid het woord aan te knopen aan de groep van veen en ven (vanHaeringen Suppl. 187) verdient zeker niet de voorkeur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuns bnw., mnl. vunsc (vunst, -stich; nog wfri. vunsterig “slechtˮ, van ʼt weer). Ook ndd. Van een znw. *vun, *vunne “vochtigheid, schimmelˮ, dat met ags. fyne (o.?) “id.ˮ, fynig “vochtig, beschimmeldˮ, fynegian “schimmelenˮ, on. fûna “rottenˮ van pū̆-n-, een verlenging van de idg. basis pū̆- (zie vuil), komt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vuns. Een andere mogelijkheid is verwantschap van het znw. *vun(ne) met veen en vocht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vuns bijv.(muf), Mnl. vunsc; hierbij Ags. fynig = beschimmeld, On. fýna = rotten: van denz. wortel als vuil.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuns* muf, verdorven 1401-1425 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut