Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vullen - (vol maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vullen ww. ‘vol maken’
Onl. in de afleiding irfullen ‘vol maken’ in in felt thina irfullot uuerthunt mit genuhte ‘en je velden worden vol van overvloed’, [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vullen ‘vol maken, vervullen’, met oostelijke nevenvorm vollen [1240; Bern.], in Vullet die cannen met watre ‘vul de kannen met water’ [1285; VMNW], Dar naer vulledi .vii. iaer. Penitentie. harde suaer ‘daarna volbracht hij zeven jaar zeer zware boetedoening’ [1285; VMNW].
Os. fullian (mnd. vüllen); ohd. fullen (nhd. füllen); ofri. fella (nfri. folje); oe. fyllan (ne. fill); on. fylla (nzw. fylla); got. fulljan; alle ‘vol maken, vervullen e.d.’, < pgm. *fulljan-. Daarnaast staat een umlautloze variant *fullōn-, waaruit (meest in overdrachtelijke betekenissen ‘vervullen, uitvoeren e.d.’): mnl. vollen (niet te onderscheiden van vullen); os. fullon; ohd. follōn (mhd. vollen); ofri. fullia (nfri. folje); oe. fullian.
Afgeleid van pgm. *fulla-, zie → vol.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vullen* [vol maken] {vullen, vollen 1201-1250} oudsaksisch fullian, oudhoogduits fullen, oudfries fella, oudengels fyllan, oudnoors fylla, gotisch fulljan; van vol1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vullen ww., mnl. vullen, os. fullian, ohd. fullen (nhd. füllen), ofri. fella, oe. fyllan (ne. fill), on. fylla, got. fulljan naast mnl. vollen, os. fullon, ohd. follon, ofri. fullia, oe. fullian ‘vervullen, uitvoeren’, beide afl. van vol.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vullen ww., mnl. vullen. = ohd. fullen (nhd. füllen), os. fullian, ofri. fella, ags. fyllan (eng. to fill), on. fylla, got. fulljan “vullenˮ. Van vol I. Hiernaast mnl. vollen, ohd. follôn, os. fullon, ofri. fullia, ags. fullian “(vullen) vervullen, uitvoerenˮ. In ʼt Mnl. zijn beide ww. niet uit elkaar te houden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vullen o.w., Mnl. id., Os. fullian: denom. van vol.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vul II: ww., vol maak; Ndl. vullen (Mnl. vullen naas vollen), Hd. füllen, Eng. fill, hou verb. m. Ndl./Afr. vol, Hd. voll, Eng. full en m. Lat. plenus, “vol”, en plēre, “vul”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vullen, denom. van vol, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vullen ‘volmaken’ -> Negerhollands ful, voel ‘volmaken; vol’; Surinaams-Javaans fèl, ngefèl ‘volmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vullen* vol maken 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1879. Praatjes vullen geen gaatjes,

d.w.z. woorden helpen niet, waar men daden moet zien; hetzelfde als het lat. non replenda est curia verbis (Journal, 28); bij Campen, 5: callinge is mallinghe, doen is een dinck; zie ook aldaar: schoone woorden en vullen ghienen sack; Goedthals, 135: veel woorden en vullen den sack niet; Prov. Comm. 783: veel woerden en vullen ghenen budel (zie Bebel no. 248); schoon woorden en ghelden geen gelt (H. de Luyere, 19); Idinau, 59: de woorden en vullen den sack niet; Winschooten, 162: woorden vullen geen sak; V.d. Venne, Holl. Sinne-droom, 18: Een schoone praet en vult geen sack; H. Doolh. 25: Nu wat zal ik noch veel seggen, woorden vullen doch geen sak; Adagia, 55: schoone woorden en vullen den sack niet, peculium re non verbis augetur; ook vindt men: praatjes vullen den buik niet (K.U.E. 223); zie Harrebomée I, 103 a; II, 482 a; III, 364 b; Schuermans, 504 a; Joos, 135; Antw. Idiot. 657; Menschenw. 532: Proatjes legt d'r gain aiers. Eerst in de 18de eeuw wordt in de klucht van het Leydze Bier-huys (1758), bl. 25 aangetroffen: ‘Dat zyn maar praatjes, en dat vult by my geen zakken noch geen uitgehaalde gaatjes’; doch Sewel kent nog alleen praatjes vullen geen zakken, words are no deeds. Vermoedelijk heeft terwille van het rijm de spreekwijze den tegenwoordigen vorm aangenomen. Zie Molema, 336 b; fri.: wirden folle gjin sekken of lûd sprekken folt gjin sekken; afrik. praatjies vul nie gaatjies nie en vgl. Zooals het reilt en zeilt . Synoniem is het Zuidnederlandsche woorden zijn geen oorden (Schuerm. 872 a; Joos, 185) en klappen of praten zijn geen oorden (Rutten, 113 a; De Cock1, 302; Antw. Idiot. 996; Schuerm. Bijv. 251 a). In het hd. grosze Worte machen den Sack nicht voll (Wander V, 427); voor 't nd. zie Taalgids V, 166; eng. empty words don't fill the pocket. (Aanv.) Syn. Lullen is geen visch.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut