Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuist - (gesloten hand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vuist zn. ‘gesloten hand’
Mnl. vuust ‘dichtgeknepen hand’ in Die metter palmen of metter uust yemene heuet gheslegen ‘wie met de handpalm of de vuist iemand heeft geslagen’ [1237; VMNW], fust, vust [1240; Bern.], Met minen vuysten [1412-15; MNW-R].
Os. fūst (mnd. vūst); ohd. fūst (nhd. Faust); ofri. fest (Gysbert Japicx fest, nfri. fûst < mnd., mnl.); oe. fȳst (ne. fist); alle ‘vuist’, < pgm. *fūsti-.
Oorsprong onzeker. Deze vorm gaat met n-uitval en compensatierekking terug op ouder *funsti- en is verwant met Kerkslavisch pęstĭ ‘vuist’ (Russisch pjast' í‘middelhand’); beide kunnen zijn ontstaan uit pie. I*pn-sti-, waarbij *-sti- een abstractum-achtervoegsel is, maar de verdere herkomst is onduidelijk. Meestal neemt men nog een velaar aan: pgm. *funhsti- en pie. *pnkw-sti-, om dit vervolgens af te kunnen leiden van de wortel *penkw-, *pnkw- van → vijf, met verwijzing naar de vijf vingers van de hand. Andere argumenten voor deze mogelijkheid ontbreken. Opvallend is de klank- en betekenisovereenkomst met Latijn pugnus ‘vuist’, Grieks púx ‘met de vuist’, púgmē ‘vuist(gevecht)’. Men kan daarom ook uitgaan van de wortel pie. *peug- ‘steken, stoten’, zie → punt, waarbij pgm. *funhsti- teruggaat op een genasaliseerde afleiding *punk-sti (Kluge).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuist* [dichtgesloten hand] {vu(u)st, vuyst 1237} oudsaksisch, oudhoogduits fūst, oudfries fest, oudengels fȳst; buiten het germ. oudkerkslavisch pęstĭ [vuist]. De uitdrukking voor de vuist weg is mogelijk een verkorting van bv. voor de vuist iets pakken, d.w.z. zonder overdenken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuist znw. v., mnl. vuust v., os. fūst, ohd. fūst (nhd. faust), ofri. fēst, oe. fý̄st (ne. fist) < germ. *fūsti < *funsti < idg. *pṇ-sti- te vergelijken met osl. pęstǐ (< oerslav. *pinsti). Verdere verbindingen ontbreken.

De verbinding met de wortel van vijf en dus als de gezamenlijke vijf vingers is weinig waarschijnlijk, evenzo die met de groep van vangen (IEW 839). Evenmin voldoet de aanknoping aan lit. kùmsté (< *kumpsti), daar dit wel zal samenhangen met de wt. *kamp ‘buigen’, vgl. lit. kum̃pas ‘krom’. — Leidt men germ. *funsti echter terug idg. *punksti, dan kan men verbinden met de idg. wt. *peuḱ of *peuĝ ‘steken, boksen’, waartoe ook behoren lat. pugnus ‘vuist’ en gr. púks ‘met de vuist’. Er is alle aanleiding deze idg. benamingen voor de ‘vuist’ met het germ. woord te verbinden (IEW 828, die echter hier vuist niet vermeldt).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuist znw., mnl. vuust v. = ohd. fûst (nhd. faust), os. fûst, ofri. fêst, ags. fŷst (eng. fist) v. “vuistˮ. Wsch. uit *fûχsti- < *fuŋχsti- en identisch of ablautend met ksl. pęstĭ “vuistˮ. De verdere combinatie met vijf (oorspr. bet “vijf vingersˮ) is onzeker, aangezien een ablauttrap *peŋq- overigens bij dit telwoord niet bekend is. Wel zou ksl. pęstĭ alleen als *peŋq-sti- bij vijf kunnen hooren: voor germ. *(χ)sti- blijft dan nog de combinatie met lat. pugnus “vuistˮ, gr. púx “met de vuistˮ mogelijk (zie nog bij vechten).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vuist v., Mnl. vuust, Os. fûst + Ohd. id. (Mhd. vûst, Nhd. faust), Ags. fúst (Eng. fist), Ofri. fést: uit *vuich-st + Gr. pugmē, Lat. pug-nus, Osl. pęsti = vuist (z. vechten en vinger).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

voes (zn.) vuist; Vreugmiddelnederlands vuust <1237>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vuist: een vuist geven (gaf, heeft gegeven), hard stompen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vuis: gebalde hand; Ndl. vuist (Mnl. vuust), Hd. faust, Eng. fist, hou misk. verb. m. Lat. pugnus, “vuis” (ww. pugnare, “veg”), Gr. pux, “met d. vuis”, en m. Ndl. vechten, Afr. veg; idiom. uitdr.: vuis i. d. sak maak, “lydelike verset aanteken sonder openlike handeling”, is ook i. Hd. bek. (Scho TWK 14, 1, p. 37).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vuist ‘dichtgesloten hand’ -> Negerhollands vist ‘dichtgesloten hand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuist* dichtgesloten hand 1237 [CG I1, 34]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2489. In zijn vuist(je) lachen,

d.i. heimelijk lachen, zich in stilte verheugen, veelal over het ongeluk van anderen; lat. ridere in stomacho; mnl. lachen onder sinen caproen; eig. achter de voor den mond gehouden half toegeknepen hand lachen; ook: iets in zijn vuist belachenVan der Goes, Ystroom (ed. Witsen Geysb.), blz. 14.; hd. sich ins Fäustchen lachen; dial. griffllachen, in dem Griff der Hand lachen. De uitdrukking komt voor bij Servilius, 267*, die in sinu gaudere verklaart door hy lacht in syn vuyste; ook Kiliaen vermeldt lachen in de vuyst, in sinu gaudere; zie verder Spieghel, 278: Lacht in u vuyst; Sart. I, 3, 60: In sijn vuyst lachen, est tacitam apud se voluptatem sentire, neque foras proferre gaudii notas; Idinau, 241:

 De sulcke lachen in hun vuyst,
 Die stillekens haer in t' herte ver-blijden,
 Meest, alst met een ander niet en gaet so iuyst,
 Veur wien sy hen van lachen ver-mijden.

Vondel, Maria Stuart, 1163; Jos. in Dothan, 199; Lichte Wigger, 12 r; Hooft, Ned. Hist. 36; Brederoo, Moortje, 3049; Westerbaen, Ged. II, 28; Pers, 188 b; Ansloo, 25; Middelb. Avant. 174; Antonides I, 87: Veel watergoôn uit heimelyke nyt grimlachen in hun vuist; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 10: Zij grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder 't hooren; Van Effen, Spect. IX, 7; X, 66; Langendijk II, 401; Tuinman I, 306; W. Leevend IV, 317; Adagia, 41; Harreb. II, 425 a; Ndl. Wdb. VIII, 886; afrik. in sy vuis lag; Waasch Idiot. 726: in zijn vuist lachen, bedektelijk. Syn. was bij Hooft, Ned. Hist. 154: in zijn boezem lachen (vert. van lat. in sinu gaudere); vgl. ook in zijn poot lachen (o.a. W.D. Hooft, Stijve Piet, 6 r); in zijn baard lachen (vgl. fr. rire dans sa barbe; Ndl. Wdb. II1, 827; Nkr. IX, 1 Mei p. 2; 31 Juli p. 2); in zijn mouw lachen (Volkskunde XIV, 147); vgl. het eng. to laugh in one's sleeve; oostfri. in sîn fûst lachen.

2490. Voor de vuist (weg),

d.i. onvoorbereid, ex tempore, dadelijk; eene beteekenis die ontleend is aan zegswijzen als voor de vuist iets opnemen; afrik. iets voor die vuis neem, d.i. voor de hand opnemen, zonder uitzoeken, zooals de zaken voor iemands hand liggen (Ndl. Wdb. V, 1847). Vgl. Pers, 369 a: De Water-Geusen rantsoenden voor de vuyst wie daer oock lagen; 443 a: Datse in onordre de vlucht nemende, van den Spaenschen snellijck wierden vervolght en voor de vuyst dood geslaghen, wat hun voor quam; 674 a: Daer sy de wacht vonden slapen, die sy voor de vuyst doodt sloegen; Hooft, Ned. Hist. 170: De rechtbank der inquisitie, die voor de vuist wegh alle Nederlanders verklaarde voor ..... enz.; Van Effen, Spect. IV, 200: In die Rymtrant is hy zo vaardig dat hy zonder eens zyn lippen of nagels te byten, in een paar uurtjes een stukje van eenige hondert regulen, voor de vuist weg, voor den dag weet te brengen; VII, 11; X, 120: Met verwondering hoort men hem de verwardste wapenschilden zonder de minste stamering voor de vuist uitleggen; C. Wildsch. III, 80; Halma, 757: Voor de vuist, zonder voorbedenkingen, sans être préparé, a l' improvisteIn de I7de en 18de eeuw beteekende voor de vuist ook openlijk; zie Noord en Zuid XVI, 90; XX, 239; Taal en Letteren III, 117; Schuermans, 838 a en Antw. Idiot. 1409: recht voor de vuist, openhartig, rechtveerdig.. Vgl. ook afrik. uit (voor) die vuis praat; fri. foar de fûst op, voor den greep weg; foar de fûst wei forkeapje, zonder uit te zoeken, te sorteeren (vgl. voetstoots); oostfri. för de fûst weg arbeiden, nämen, äten, enz.; westph. vör fûste weg, alles wie es vorkommt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut