Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuilak - (viezerik; gemenerik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vuilak zn. ‘viezerik; gemenerik’
Mnl. vuul(l)ic, vuyl(l)ic, vulic ‘kadaver’ in Voort meer en sal men gene vuyllicke ... in der stadt grave leggen ‘voortaan moet men geen kadavers in de stadsgracht gooien’ [eind 14e eeuw-ca. 1488; MNW onvlaet], vuulike (off) aes [begin 15e eeuw; MNW], wie vulicken off dode beesten in stegen off in straten trect ‘wie kadavers of dode beesten door de stegen of straten sleept’ [ca. 1421; MNW]; vnnl. vuilik ‘verachtelijk persoon’ in gespuys en vuylyck (hier als collectivum) [1568; iWNT]; nnl. vuilak in gehoond en beleedigd ... door het toevoegen der woorden “sekreet, doerak, vuilak en lellebel” [1887; iWNT vuil I].
Samenstelling van → vuil in de oorspr. betekenis ‘verrot, vergaan’ en het zn.lijk 1 ‘lichaam’, met verzwakking van het tweede lid *vuullijc > vuullic (> vulic > vnnl. vuylick > nnl. vuilik). Naar analogie van → luilak ontstond de huidige vorm vuilak. Dat de tweede lettergreep teruggaat op een oud achtervoegsel -k voor diernamen, als in → havik, → leeuwerik e.d. (Toll.), is gezien de late en geografisch beperkte overlevering van het woord zeer onwaarschijnlijk.
Het woord is net als → kreng in het Vroegnieuwnederlands een algemeen scheldwoord voor personen geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuilak* [smeerpoets] {vuylyck 1568, vuilak 1887} vervorming, mogelijk o.i.v. luilak, van vuilik {1568} middelnederlands vulic, vuylic [tot ontbinding overgaand lichaam, aas, kreng]; van vuil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuilak znw. m., uit ouder vuilik, mnl. vûlic ‘dood dier, kreng’, Teuth. vuylick, westf. fulk, een afl. van vuil.

De huidige bet. staat onder invloed van die van vuil, de verandering van de uitgang, misschien onder die van luilak (W. de Vries, Ts 43, 1924, 137).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuilak, vuilik znw., vuilak vervorming van vuilik, dat — met wijziging van de bet. onder invloed van vuil — op mnl. vûlic m. “dood dier, krengˮ teruggaat, = Teuth. vuylick, westf. fulk “id.ˮ, een afl. van vuil met de oude bet. “rotˮ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vuilak. Misschien naar luilak (zie luilak Suppl. ). Vgl. ook nnl. viezelak. W.de Vries Tschr. 43, 137.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vuilak (zn.) viespeuk; < Rienlands Fullack.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vuilak, vuilik, vuilbroek, vuilerik: vuil, smerig iemand. Vandaar ook ‘iemand die vieze dingen doet of smerige praatjes verkoopt; seksueel losbandig persoon; viespeuk’.

Steek hem maar weer bij je, vuilik! zei Piet opzettelijk, als of het een geheel ander insekt was. (Johannes Kneppelhout, Studenten-typen, 1839-1841)
Vuilak – heb je geen zakdoek bij je…? (Piet Bakker, Ciske de rat, 1941)
De chef, de Rooie, dat is een vuilak. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuilak* smeerpoets 1568 [WNT vuilik]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2487. Een vuilik of vuilak,

een gemeene vent, een vuilaard of een vuil(d)erik, zooals men in Zuid-Nederland zegt (Schuermans, 837; Antw. Idiot. 1409); ook iemand die vuile, liederlijke taal uitslaat, een smeerpijp (zie Jord. II, 48); dial. ook een vlugge, schrandere jongen en aardig er bijTaal en Letterbode V, 236.. Vuilak is eene vervorming van vuilik, met het achtervoegsel ak, dat ook voorkomt in doerak, klabak, Polak, enz. (zie no. 2000) of vervormd onder invloed van lak dat we ook aantreffen in luilak. Een vulic beteekende in het Mnl. en in de 17de eeuw een dood dier, een kreng, en was eene afleiding van vuil in den zin van verrot, rot (hd. faul), onder den invloed van vuil, vies, heeft thans vuilik, evenals vuilak, de tegenwoordige beteekenis aangenomenFranck-v. Wijk, 764; 672; Tijdschrift XIX, 242-243.. Vgl. Halma, 757: Vuilik, een onguur mensch; hij is een olijke vuilik, c'est un franc maroufle, un vilain ladre; Sewel, 926: 't Is een olyken vuilik, he is a dirty rascal; C. Wildsch. II, 14: Leeve deeze Mistique schriftjens! zij werken een gaauwen kwant meer in zijn voordeel, dan alles wat ooit door losbandige vuilikken op het papier gesteld is; Dsch. 223: Vuilik, gauwdief! V. Schothorst, 224; Sjof. 126: Den heelen dag door zag je de vuilak an de deur; Amstelv. 76: Deze zeep, vuilakken, is bekroond op verschillende tentoonstellingen; S. en S. 31: Die vuilak, die judas, 'k mag leie dat ie eeuwig in de hel leit te brande; Menschenw. 541: Suiplap, fuilik! aa's wai d'r hongere..... is vast jou skuld! ketter!..... feullak!

2487. Een vuilik of vuilak,

een gemeene vent, een vuilaard of een vuil(d)erik, zooals men in Zuid-Nederland zegt (Schuermans, 837; Antw. Idiot. 1409); ook iemand die vuile, liederlijke taal uitslaat, een smeerpijp (zie Jord. II, 48); dial. ook een vlugge, schrandere jongen en aardig er bijTaal en Letterbode V, 236.. Vuilak is eene vervorming van vuilik, met het achtervoegsel ak, dat ook voorkomt in doerak, klabak, Polak, enz. (zie no. 2000) of vervormd onder invloed van lak dat we ook aantreffen in luilak. Een vulic beteekende in het Mnl. en in de 17de eeuw een dood dier, een kreng, en was eene afleiding van vuil in den zin van verrot, rot (hd. faul), onder den invloed van vuil, vies, heeft thans vuilik, evenals vuilak, de tegenwoordige beteekenis aangenomenFranck-v. Wijk, 764; 672; Tijdschrift XIX, 242-243.. Vgl. Halma, 757: Vuilik, een onguur mensch; hij is een olijke vuilik, c'est un franc maroufle, un vilain ladre; Sewel, 926: 't Is een olyken vuilik, he is a dirty rascal; C. Wildsch. II, 14: Leeve deeze Mistique schriftjens! zij werken een gaauwen kwant meer in zijn voordeel, dan alles wat ooit door losbandige vuilikken op het papier gesteld is; Dsch. 223: Vuilik, gauwdief! V. Schothorst, 224; Sjof. 126: Den heelen dag door zag je de vuilak an de deur; Amstelv. 76: Deze zeep, vuilakken, is bekroond op verschillende tentoonstellingen; S. en S. 31: Die vuilak, die judas, 'k mag leie dat ie eeuwig in de hel leit te brande; Menschenw. 541: Suiplap, fuilik! aa's wai d'r hongere..... is vast jou skuld! ketter!..... feullak!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut