Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vuil - (vies, ondeugdelijk); (dat wat smerig is)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vuil bn. ‘vies, ondeugdelijk’; zn. ‘dat wat smerig is’
Onl. fūl ‘verrot, smerig, ongunstig’ in de afleiding fūlitha ‘vuilheid, verrotting’ [10e eeuw; W.Ps.] en in het toponiem Vulecope, letterlijk ‘vuilkoop’ [ca. 1200, kopie 17e eeuw; Künzel]; mnl. vuul ‘vies, bedorven; verachtelijk, naar’ in de afleiding vulheit ‘bederf’ [1240; Bern.], in Aprille heuet vuele seden ‘april heeft nare gewoonten’ [1253; VMNW], vul van smoute ‘vies van het vet’ [1282; VMNW], wulen wijn ‘bedorven wijn’ [1340-79; MNW], vuyl ‘lui, gierig’ [1477; MNW].
Os. fūl (mnd. vūl); ohd. fūl (nhd. faul); ofri. fūl- (nfri. fûl); oe. fūl (ne. foul); on. fúll (nzw. ful); got. fūls; alle ‘bedorven, ranzig, vies, slecht, lelijk e.d.’, < pgm. *fūla-.
Afleiding van de wortel *fū- < pie. *puH-, zie → pus. Zonder achtervoegsel *-la- is deze wortel nog te herkennen in het Noord-Germaans: on. fúinn ‘verrot, vergaan’, fúna (< pgm. *fūnōn-) ‘verrotten, vergaan’, feyja (< causatief pgm. *faujan-) ‘laten vergaan’.
De oorspr. betekenis is ‘bedorven, verrot’. In de afzonderlijke Germaanse talen heeft het woord diverse afgeleide betekenissen gekregen.
vuilnis zn. ‘huisvuil; rotzooi’. Mnl. vu(u)lnesse ‘vuilnis, drek, onreinheid’ in So wie mische, slic of wlnis mit scuten ... uter stede voert ‘wie mest, slijk of vuilnis met schuiten uit de stad voert’ [1374-94; MNW], si worden gemaect als vulnesse der erden ‘ze zijn geworden tot slijk der aarde’ [1380-1400; MNW-P], bloet, kalverdarmen ende anders alle vulnis, die daeruut valt (uit geslachte dieren) [ca. 1420; MNW]. Afleiding van vuil met het achtervoegsel → -nis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vuil* [vies] {vu(u)l, vuyl 1265-1270, vgl. fūlitha [vuiligheid] 901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels fūl, oudnoors fūll, gotisch fūls; buiten het germ. latijn pus, grieks puon [etter], litouws pūti [verrotten], armeens hu [bedorven bloed], oudindisch pūyati [hij verrot, stinkt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vuil bnw., mnl. vuul, onfrank. fūlitha ‘rotting, vuiligheid’, os. fūlitha ‘rotting’, ohd. fūl ‘rottend’ (nhd. faul ook ‘lui’), ofri. fūlnisse ‘rotting, vuiligheid’, oe. fūl ‘rottig, vuil, slecht, schuldig’ (ne. foul), on. fūll ‘rot, stinkend, afschuwelijk’, got. fūls ‘rot’, een l-afl. van een stam *fū vgl. on. fūinn ‘verrot’, en met abl. feyja ‘laten rotten’, fauskr ‘vermolmd hout’. — oi. pū́yati ‘rotten, stinken’, pū̆tāu ‘billen’, arm. ‘etterig bloed’, gr. pū́thō ‘doen rotten’, púon, púos ‘etter’, lat. pūs, pūris ‘etter’, pūteō ‘rotten’, oiers othar (< *putro) ‘zieke’, lit. pųvù, púti, lett. pũt ‘rotten’, lit. púliai. m. mv. ‘etter’ (IEW 848-849). — Zie nog: voos, vuns en hondsvot.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vuil bnw., mnl. vuul, in den Teuth. ook = “lui, traagˮ. = onfr. *fûl (waarvan fûlitha v. “putredo, sordesˮ), ohd. fûl “rottendˮ (mhd. vûl, nhd. faul ook “luiˮ),os. *fûl (waarvan fûlitha v. “putredoˮ), ofri. *fûl (waarvan fûlnisse v. “rotting, vuiligheidˮ), ags. fûl “rottig, vuil, slecht, schuldigˮ (eng. foul), on. fûll “rot, stinkend, afschuwelijkˮ, got. fûls “rotˮ. Van de idg. basis pū̆-, waarvan nog met l-formans lit. púliai “etterˮ, piaulaĩ “rot houtˮ, verder voos, vuns en on. fûi m. “rottingˮ, fûinn “verrotˮ, feyja “laten rottenˮ, ier. othrach “mestˮ, lat. pûteo “ik rotˮ, gr. pũon “etterˮ, pū́thō “ik doe rottenˮ, lit. pûvù, púti “rottenˮ, arm. hu “etterig bloedˮ, oi. pū́yati “hij wordt rottig, stinktˮ. Zie nog hondsvot.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vuil bijv., Mnl. vuul, Onfra., Os. fûlitha = vuiligheid + Ohd. fûl (Mhd. vûl, Nhd. faul), Ags. fûl (Eng. foul), Ofri. fûlnisse, On. full (Zw. ful, De. fuul), Go. fûls: Germ. wrt. feu = stinken + Skr. en Zend wrt. , Gr. pũon (= etter), Lat. pus (= etter), putere (=stinken), Oier. othrach = mest, Lit. puliai (= etter): Idg. wrt. peu̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

voel (bn.) vuil; Aajdnederlands ful <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vuil: morsig, nie-skoon, onrein; Ndl. vuil (Mnl. vuul), Hd. faul, Eng. foul, Got. fuls, “(v)rot”, hou wsk. verb. m. voos en verderop m. Lat. putēre, “(ver)rot” (vgl. Fr. puer, “stink”, en Eng. putrid, “stinkend, vrot”), asook m. Gr. púon, “etter” (vgl. Eng. pus) en Gr. puthesthai, “(ver)rot”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vuil. Bij Herman Heijermans komt de verwensing stik in je vuil! voor. Zij duidt op minachting, walging, ergernis en vergelijkbare emoties en kan weergegeven worden door ‘bekijk het maar, rot maar op’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vuil, afl. op l, van den Germ. wt. fu, Idg. pit = kwalijk rieken; rotten; vgl. ’t Lat. putere = stinken, van pus = etter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vuil ‘vies; viezigheid’ -> Deens dialect føjel ‘vies’; Petjoh vuil ‘gemeen, verachtelijk’; Negerhollands vul, fil, vyel ‘vies, smerig’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands fili ‘vies; viezigheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vuil* vies 1200 [Künzel]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

vuile oorlog, het moorddadig en onmenselijk optreden tegen burgers die verdacht worden van linkse sympathieën. Vnl. van toepassing op Latijns-Amerikaanse landen waar een militaire dictatuur heerst. → smerige* oorlog.

Hij had duidelijk gemaakt dat hij daarna ook de hoogste voormalige juntaleiders — samen met Mario Firmenich, de leider van de guerillagroepering Montoneros — zou ontslaan uit de gevangenis. En zo gebeurde het ook. Op die manier wil hij een punt zetten achter de jaren van ‘vuile oorlog’. (De Volkskrant, 04/01/91)
Groepen zoals ‘Paz y Justicia’ (Vrede en Justitie) en de ‘Chinchulines’ (luizen) organiseren in Chiapes een escalerende vuile oorlog met het doel de belangen van de PRI te kristalliseren of de oppositie de kop in te drukken. (De Morgen, 03/05/97)
De Argentijnse regering zal volgend jaar voor zes miljoen gulden aan obligaties uitkeren aan familieleden van de duizenden mensen die zijn verdwenen tijdens de zogenoemde ‘vuile oorlog’. (Trouw, 22/08/97)
Een Argentijnse oud-marineofficier die in een interview heeft toegegeven dat hij tijdens de ‘vuile oorlog’ baby’s heeft vermoord heeft zestig dagen cel gekregen. (Trouw, 16/01/98)
afgezwakt, als aanduiding van een hard tegen hard uitgevochten conflict.
Op haar departement heeft Sorgdrager een vuile oorlog met haar ambtelijke top moeten uitvechten. (HP/De Tijd, 11/07/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1197. Er is iets (of een vuiltje) aan den knikker,

d.w.z. er is iets niet in den haak, er is een vuiltje aan de lucht. Vgl. Van Eijk III, 90: daar is vuil aan den knikker, er moet wel iets van dat leelijke geval of gerucht bestaan; Sonnet, 56: Er schijnt toch inderdaad iets aan den knikker; Dievenp. 118: Als je een van je Amsterdamsche sneezen zoo met zoo'n vreemden Mof of Bels ziet rondkuieren, dan kunje d'r op aan, dat er 'n vuiltje aan de knikker zit. Ook er is stront aan den knikker (V. Eijk III, no. 7). Vgl. D.H.L. 1: Er mocht geen bliksem aan mankeeren, zei-die, want anders kwam 'r ‘stront an de knikker’; Kippev. 189: Er is, naar mijn gissing, iets aan den knikker dat er niet aan hoort. Syn. er is kak aan den knikker, de zaak deugt niet of er is kak an 't gat, er is kak aan den knikker (vgl. no. 1055; Teirl. II, 101); vgl. Schoolmeester, 20:

De wolken worden in 't Westen hoe langer hoe dikker,
Daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan den knikker.

Syn. Er is roet in 't eten (zie aldaar en vgl. Boekenoogen, 844).

2533. Veel water vuil maken om iets,

d.w.z. veel omslag, onnoodige drukte om iets maken. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Vgl. Witsen, 514: Vuyl water maken; dit wert gezeght als een schip door de modder sleept, zonder echter gront te rakenVgl. ook het eng. the ship makes foul water. Bij 't roeien spreekt men van iemand vuil water geven, vóór hem gaan roeien, zoodat hij in de golven van de boot roeit.; bl. 512: Veel water vuyl maken; oneigentl. veel moeiten om eenige zaek doen, eigentl. met schepen door ondiepten varen, waer in men zeer moet arbeiden om voort te komen; vgl. verder Winschooten, 348: Veel Waaters vuilmaken: groot boohaa maaken; Gew. Weuw. III, 70; Hooft, Brieven, 187: Wanneer men ook niet terecht geraakte, zoude 't luttel vals hebben, zoo veel waaters te vergeefs vuil te maaken; Huygens, Korenbl. II, 178; Brederoo, Moortje, 2314; Lichte Wigger, 13 r; Van Effen, Spect. VI, 205: Dat gy het de pyne niet waerdig agt om over so gering een onderwerp veel water vuyl te maken: Brieven v. Abr. Bl. II, 209; C. Wildsch. III, 72; 316; Tuinman I, 15; Halma, 768: Veel waters vuil maaken, faire plus de bruit que de besogne; Sewel, 926: Veel waters om iets vuil maken, veel gerucht over iets maaken; Harreb. II, 442 aBij Westerbaen II, 765: Hoe minder waeter dat ghy daerom onklaer maeckt hoe eerder dat de min uyt uw gedachten raeckt..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut