Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrouw - (mens van het vrouwelijk geslacht; echtgenote)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrouw zn. ‘mens van het vrouwelijk geslacht; echtgenote’
Onl. frouwa ‘voorname vrouw’ in maria thie heilige urov[we] [1151-1200; Reimbibel]; mnl. vrouwe, vrowe ook ‘(getrouwde) vrouw’ [1240; Bern.], in Pasternake is gut der wrove alse si des kindes genesen is ‘pastinaak is goed voor de vrouw wanneer ze een kind heeft gekregen’ [1250; VMNW], onse vrouwe grafenede margriete van vlaendren ende van henegouwen ‘onze vrouwe, gravin Margareta van Vlaanderen en Henegouwen’ [1240-60; VMNW].
Os. frūa (mnd. vro(u)we); ohd. frouwa (nhd. Frau); ofri. fro(u)we (nfri. frou(we)); < West-Germaans *frauwō(n)- < pgm. *fraw-jōn-. Hierbij ook on. freyja ‘voorname vrouw’ en vandaar Freyja als naam van de Oudnoorse godin van liefde, schoonheid en vruchtbaarheid; daarnaast al vroeg door ontlening aan het os./mnd.: on. frú(a) ‘echtgenote, vrouw’ (nzw. fru).
Vrouwelijke vorm naast pgm. *frawan- ‘heer, voorname man’, waaruit: os. frō(ho); ohd. frō (nog in nhd. Fronleichnam ‘sacramentsdag, Corpus Christi’); oe. frēa; en pgm. *frawja(n)- ‘id.’, waaruit: os. frōio; oe. frīgea; on. Freyr ‘god van de vruchtbaarheid’; got. frauja. In de moderne Germaanse talen is dit woord geheel vervangen door → heer 1, dat eveneens teruggaat op een woord voor ‘voornaam’. Zie ook → amigo.
Oorspr. betekenen deze woorden ‘(de) voorname, (de) vooraanstaande’; pgm. *frawa- < pie. *pro-uo- is afgeleid van pie. *pro- ‘voor, vooraan’, zie → ver- en → pro-.
De oorspr. betekenis is ‘voorname vrouw’, zoals nog in jonkvrouw (zie → jonkheer), maar al in het Middelnederlands had de betekenis zich uitgebreid tot ‘(volwassen) vrouw’ in het algemeen en ‘gehuwde vrouw, echtgenote’ in het bijzonder. Een ongehuwde vrouw wordt soms nog wel → juffrouw genoemd, en zie verder nog de aanspreekvorm → mevrouw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrouw* [mens van vrouwelijk geslacht, echtgenote] {vrouwe [heerseres, voorname dame, vrouw] 1201-1250; als ‘echtgenote’ 1512} middelnederduits vro(u)we, oudfries fro(u)we, oudhoogduits frouwa, oudsaksisch frua, vr. vorm naast oudsaksisch, oudhoogduits fro, oudengels frea [heer]; daarnaast de nevenvorm oudengels friega, gotisch frauja [heer], oudnoors freyja [vrouwe], freyr [heer (naam van een god)]; buiten het germ. latijn prae [vooraan], oudindisch pravaṇa- [naar voren gekeerd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrouw znw. v., mnl. vrouwe, misschien overgenomen uit ohd. frouwa ‘voorname vrouw, dame, meesteres, gemalin’ (nhd. frau); mogelijk gaan ook mnd. vrouwe, vrowe, ofri. frouwe, frowe hierop terug, vgl. nog os. frūa en on. Freyja ‘naam van een godin’. De grondvorm *fraujōn is een vr. formatie naast manl. *frawa- in os. ohd. frō, oe. frēa ‘heer’ (zie: vroon-). Een bijvorm is germ. *fraujan vgl. oe. frīgea, got. frauja. — Idg. grondvorm is *prou̯o- in oi. pravaṇa- ‘voorwaarts geneigd, neerhellend’, gr. prānḗs ‘voorwaarts geneigd’, osl. pravŭ ‘recht, juist’, een afl. van idg. *per, waarvoor zie: ver- 2.

Een verkorte vorm van vrouw (onder invloed van her?) is mnl. ver, mnd. ver, vor, mhd. ver, fer voor eigennamen, zoals in Verbrechten(sone) ‘zoon van vrouw Brecht’. — > me. frowe (1390) ‘Hollandse vrouw’, ne. dial. schots ‘groot en dik vrouwmens’, vgl. Toll 70.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrouw znw., mnl. vrouwe v. In ʼt Mnl. nog vaak als v. van hêre “heerˮ, maar ook reeds synoniem met wijf. De ohd. vorm frouwa v. “voorname vrouw, dame, meesteres, gemalinˮ (nhd. frau) gaat op een grondvorm *fraujôn- terug, die als v. hoort bij het m. ohd. os. frô, ags. frêa “heerˮ, germ. *frawan- (zie bij vroon-). Mnl. vrouwe, mnd. vro(u)we, ofri. fro(u)we v. “meesteres, dame, gehuwde vrouw, vrouwˮ kan bezwaarlijk op dienzelfden vorm teruggaan; men neemt wel *frôwô- aan: aangezien dit echter een a priori onwsch. bijvorm is, moet de ndl.-ndd.-fri. vorm eer als een ontl. uit het Hd. beschouwd worden, tegelijk met heer I overgenomen. Het m. *frawan- is overal verdwenen en voor heer geweken; vgl. daarmee fr. dame (< lat. domina): seigneur (< lat. senior). Een verkorte vorm van vrouw (wsch. naar her “heerˮ) is mnl. ver, mhd. ver, fer, mnd. ver, vor, gew. vóór eigennamen, bij ons nog over in familienamen als Verbrechten “(zoon) van vrouw Brechteˮ. Naast germ. *frawan- ook *fraujan-: got. frauja, ags. frîgea m. “heerˮ. On. freyja v. “dominaˮ (gew. als godinnenaam) = ohd. frouwa; hiernaast freyr m. (*frauja-) “dominusˮ, gew. naam van een god. Germ. *frawan-, *frauja(n)- komen van den stam *frawa-, idg. *prowo-, die misschien ook aan gr. prṓtos, dor. prãtos “eersteˮ (*próϜ-atos; of pró-atos?) ten grondslag ligt: van idg. *pro; voor verwanten zie vroom. Een afwijkende vorm is os. frûa ( > laat-on. frû) v. “domina, vrouwˮ; hij zal wel uit *frôa, een nieuw bij frô gevormd femininum, ontstaan zijn: vgl. os. dûan “doenˮ van den stam dô-. Mnl. vrûwe v. (zeer zeldzaam) is een secundaire vorm, ontstaan naar trûwe: trouwe e.dgl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrouw v., Mnl. vrouwe + Ohd. frouwa (Mhd. vrouwe, Nhd. frau); daarnevens met jod-suff. On. Freyja, Go. fraujo: vrouwelijke vorm van vroo. Freyja was een titel van de godin Frîa: z. vroon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrouw (zn.) vrouw; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) vrouw, Vreugmiddelnederlands frouwa <1151-1200>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vrouw (de, -en), (ook:) concubine, partner in concubinaat. Er kwam een neef* blijven*, verschafte het benodigde om de kinderen niet van honger te doen omkomen, maar eiste daarvoor in ruil Wiesje als vrouw (Dobru 1968a: 30). - Etym.: In Ned. opkomend gebruik. - Zie ook: man*.
—: die vrouw, mijn vrouw (gezegd door een man). Als straks het andere kind trouwt is het huis leeg; dan zijn die vrouw en ik precies weer waar we begonnen (Celsius Tjon A Kiet in BN, najaar 1978: 117).
— : zie ook: Spaanse* vrouw.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vrou: dame; eggenote; Ndl. vrouw (Mnl. vrouwe), Hd. frau, vgl. Oeng. frea, “heer; man”, hoewel verw. fonet. en sem. besware oplewer.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Ingaan tot een vrouw, seksuele omgang hebben met een vrouw.

In de Statenvertaling (1637) wordt de seksuele handeling van de man met een vrouw omschreven met de verbinding ingaan tot. Zo staat er in Genesis 16:4 'En hij [Abram] ging in tot Hagar, en zij ontving.' En in 2 Samuel 16:22 'Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van het ganse Israel.' De NBG-vertaling heeft op beide plaatsen ging tot, de NBV sliep met, respectievelijk nam bezit van. Het is vrij ongewoon in het huidige Nederlands.

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 16:4. Ende hi ginc in tot Hagar, ende si ontfinc.
Godlof betrof $t een theoloog-in-spe, zodat wij nu met een geruster hart weer kunnen ingaan tot ons heidens lief. (De Tijd, 1-6-1973)
Overigens is bijvoorbeeld het ingaan tot en verborgen raken in een vrouwenlichaam vaak wel zo beschreven dat er enige ruimte blijft voor wat geestelijker lezing. (Vrij Nederland, 20-7-1985)

Een sterke of degelijke vrouw, wie zal haar vinden? als commentaar of compliment bedoelde uitspraak over een vrouw die sterk van karakter is of iets bijzonders presteert.

In de NBV is de frase niet meer terug te vinden. Zo lezen we in Lucas 2:9 (NBV) dat de herders 'hevig schrokken'. Hier worden de kwaliteiten geprezen van een vrouw die de steun en toeverlaat is van haar man en kinderen, maar ook in economisch opzicht een belangrijk rol speelt. Dat de woordkeuze voor de kwalificatie van de vrouw de vertalers voor problemen heeft gesteld, zou men af kunnen leiden uit het groot aantal varianten van de bepaling, zoals deuchdelike (Statenvertaling, 1637), deugdzame (Luthervertaling Visscher, 1648-1896), wakkere (Vertaling Obbink-Brouwer, 1934), flinke (Canisiusvertaling, 1929-1939), degelijke (NBG-vertaling, 1951) en sterke (Willibrordvertaling, 1961-1975).

Willibrordvertaling (1961-1975), Spreuken 31:10. Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
Eerst is zij een meelijwekkend arm, oud vrouwtje [...]; maar gaandeweg wordt zij de sterke vrouw, van wie gezegd wordt: 'Wie zal haar vinden?' (De Volkskrant, 9-11-1968).
[Man tot vrouw die geheel op eigen kracht een onwillige deur sluit:] Ja, een degelijke vrouw, wie zal haar vinden? (Gehoord, jaren '90)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vrouw (een -- zonder man is als een vis zonder fiets) (vert. van Engels a woman without a man is like a fish without a bicycle)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Vrouw, mnl. vrouwe, het vr. van een woord, dat in ’t go. frauja (gen. fraujins) = heer luidt, dus oorspr. meesteres. Dezelfde stam is nog over in vroondienst en vroonrecht; in ’t hd. vindt men nog samenstellingen, w.i. heer = God (of Christus) is, b.v. Frohnleichnan, Frohnaltar (= hoogaltaar); in ’t mnl. komt vroon niet, in ’t ohd. (als frono), mhd. (als vrone, vron) wel voor.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrouw, Ohd. frouwa, de vrouwelijke vorm van ’t Ohd. fro = heer (vgl. vroondienst = heerendienst); het woord w.d.z.: heerin, meesteres. Dit fro is hetzelfde als ons: voorste, vorst, n.1. de eerste; vgl. ’t Idg. prwo, Lat. primus. Het vrouwelijke woord bleef bestaan, het manl. fro stierf uit, evenals in ’t Fr. dame (van domino) bleef voortleven, terwijl de manl. vorm voor dominus in die taal verloren ging.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrouw ‘naam van een speelkaart’ -> Fries frou ‘naam van een speelkaart’; Atjehnees prahō, peurahō ‘naam van een speelkaart’; Boeginees pârro ‘naam van een speelkaart’; Makassaars pârro ‘naam van een speelkaart’; Singalees poro-va ‘naam van een speelkaart’; Tamil dialect vīṛo ‘naam van een speelkaart’; Sranantongo frow ‘naam van een speelkaart’.

vrouw ‘mens van vrouwelijk geslacht; echtgenote’ -> Fries frou ‘mens van vrouwelijk geslacht; echtgenote’; Engels frow ‘Nederlandse; mens van vrouwelijk geslacht; (dialect) slons’; Engels vrouw, vrow ‘(Nederlandse) getrouwde dame’; Schots frow ‘grote mollige vrouw’; Deens frue ‘hooggeboren vrouw; getrouwde vrouw, echtgenote’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors frue, fru ‘heerseres; hooggeboren vrouw; getrouwde vrouw, echtgenote’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins rouva ‘adellijke vrouw, dame’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests proua, roua ‘adellijke vouw, dame’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † vraue ‘mens van vrouwelijk geslacht’; Amerikaans-Engels frow ‘mens van vrouwelijk geslacht’; Negerhollands vro, vrou, frou, fru, vrow ‘mens van vrouwelijk geslacht’; Sranantongo frow ‘mens van vrouwelijk geslacht; echtgenote’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fru ‘mens van vrouwelijk geslacht’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aas en andere kaarttermen. Uit het feit dat vrij veel Nederlandse namen voor spelletjes zijn geleend in talen die gesproken worden in vroegere Nederlandse overzeese gebieden, kunnen we ons een beeld vormen van de manier waarop de Nederlanders hun vrije tijd doorbrachten. Diverse vakantiegangers berichtten me dat het hun was opgevallen dat op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) allerlei Nederlandse kaarttermen worden gebruikt. Dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in het Singalees - zoals de taal wordt genoemd die op Sri Lanka wordt gesproken -, is te danken aan de Nederlandse nederzettingen die vanaf 1609 op Sri Lanka werden gesticht. De Nederlanders waren van 1658 tot 1795/1796 alleenheersers over het eiland. Nog steeds vormen de Nederlandse afstammelingen, de 'Burghers', een afzonderlijke gemeenschap. P.B. Sannasgala heeft in zijn A study of Sinhala vocables of Dutch origin uit 1976 beschreven welke Nederlandse leenwoorden zijn overgenomen in het Singalees. Aan kaarttermen noemt hij: āsiyā 'aas', hērā 'heer', būru 'boer', porova 'vrouw'; voorts hārata 'harten', kalābara, kalāvara 'klaveren', ruyita 'ruiten', (i)skōppaya 'schoppen', en tot slot turumpuva, turuppuva 'troef'. Bovendien vermeldt hij dat het Singalees dammen heeft overgenomen als dān, dām. Een informant voegt hieraan toe:

Toen ik op Sri Lanka op vakantie was, vroegen een paar gasten doodleuk in het Singalees aan me of ik een potje met ze wilde pesten.

Een ander schrijft:

Op Sri Lanka wordt nog steeds geklaverjast, zodoende hoor je daar nog steeds ruiten, harten, klaver, schoppen, boer en nel, alsmede het woordje troef.

De woorden pesten en nel heb ik evenwel niet gevonden in het Singalees; mogelijkerwijs gaat het hier om jongere ontleningen, die in de twintigste eeuw zijn overgenomen van Nederlandse vakantiegangers.

In andere talen zijn minder Nederlandse kaarttermen geleend, maar nog steeds een substantieel aantal, vergelijk Indonesisch as, hart, klaver of klawar, rét, sekop en truf, Sranantongo asi, buru, frow, arter, klâfer, roiter en skopu, en Papiaments as en skòp. In het Muna, een Indonesische taal die wordt gesproken op het gelijknamige eiland bij Sulawesi (zie herendienst) is hiri 'heer' geleend - een Nederlands woord dat niet is overgenomen door het Indonesisch. Via het Indonesisch kent het Muna ook asa, arataa 'harten', kalawara en sikupa 'schoppen'.

Zie ook loterij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrouw* mens van vrouwelijk geslacht 1240 [Bern.]

vrouw* echtgenote 1512 [WNT]

vrouw* naam van een speelkaart 1720 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut