Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vroom - (godvruchtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vroom bn. ‘godvruchtig’
Mnl. vrome ‘flink, krachtig, heldhaftig; rechtschapen, betrouwbaar’ in ic wille dese twene uuoden. te uruomen manne ‘ik wil dese twee opvoeden tot rechtschapen mannen’ [1220-40; VMNW], Vermarde riddren ... Stout ende urome ende onueruert ‘vermaarde ridders ... flink en dapper en onbevreesd’ [1265-70; VMNW], Een vroem ridder ‘een dappere ridder’ [1315-35; MNW-R], Dat sal sijn een vrome wijf Die ghesont ende soete hebbe dlijf ‘dat moet een flinke vrouw zijn die een gezond en mooi lichaam heeft’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. vroom ‘godvruchtig’ in dien Catholijcken vromen geest [1567; iWNT].
Dit bn. is slechts continentaal West-Germaans en relatief jong. Men neemt daarom aan dat het is ontstaan uit het predicatief gebruikte oudere zn. vrome in de betekenis ‘nut voor iemands eer, lichamelijke of geestelijke gezondheid’. De algemene betekenis van dit zn. is ‘voordeel, winst, opbrengst, baat’.
Bij het zn.: os. fruma (mnd. vrome); ohd. fruma, froma (nhd. vero. Fromme); ofri. froma; alle ‘voordeel e.d.’; oe. fruma ‘oorsprong, begin’; < pgm. *frumō-, *fruman-. Bij het bn. in de betekenis ‘flink, rechtschapen e.d.’: mnd. vrom, vrome; mhd. vrum(e), vrome (nhd. fromm); nfri. from.
Hierbij hoort ook de afleiding *frumjan- ‘iets doen wat tot voordeel leidt’, waarvoor zie → fourneren. Met andere ablaut on. fram ‘naar voren’ (nzw. fram ‘id.’); on. fremja ‘bevorderen’ (nzw. främja ‘id.’).
Afgeleid, met metathesis, van pgm. *fruma- ‘eerste, voorste’ < pie. *prh2-mo-, een afleiding met superlatiefachtervoegsel van *prh2- ‘voor, vooraan’, zie → voor 1. De basisbetekenis van vroom is dus ongeveer ‘een opvallende (meestal gewaardeerde) eigenschap bezittend’.
Het woord had oorspr. betrekking op zowel fysieke als morele gezondheid. In moreel opzicht gebruikte Luther het woord in zijn bijbelvertaling (16e eeuw) in de specifieke betekenis ‘godvruchtig, godsdienstig’. Deze betekenis heeft als enige zowel in de Duitse als in de Nederlandse standaardtaal standgehouden. Het West-Vlaams kent nog vroom ‘kloek, sterk’ ook ‘machtig (van spijzen)’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vroom* [godvruchtig] {vrom(e), vroom [flink, dapper, rechtschapen, braaf] 1201-1250; de huidige betekenis 1567} middelnederduits vrome, middelhoogduits vrom, naast middelnederlands vrome, vroom, vrame [voordeel, nut], oudsaksisch, oudhoogduits fruma, oudfries frome, oudnoors frami; buiten het germ. latijn primus [eerste], grieks promos [voorste, aanvoerder], litouws pirmas [eerste].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vroom bnw., mnl. vroom, vrōme ‘flink, dapper, sterk’, mnd. vrom, vrōme, mhd. vrum, vrom (nhd. fromm) ‘flink, dapper, voortreffelijk, braaf, vroom’. Eerst door de Bijbel kreeg het woord, dat oorspr. ‘bevorderlijk, nuttig, deugdelijk’ betekende de tegenwoordige bet. Daarnaast het znw. mnl. vrōme, os. ohd. fruma ‘voordeel’, ofri. frome v., waarnaast abl. mnl. vrāme, v., ofri. fremo, oe. fremu v., on. frami m. bij het bnw. germ. *frama: oe. from ‘flink’, on. framr ‘vooraanstaand, voorwaarts strevend’. Nog ouder in bet. is os. formo, ofri. oe. forma ‘eerst’, on. frum- ‘eerst-’, got. fruma ‘de eerste’. Ook als bijw. fram, waarvoor zie: vreemd. — Germ. *frama beantwoordt aan gr. prómos ‘voorste’ en *fruma aan gr. prámos ‘aanvoerder’; zie verder: ver- 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vroom bnw., mnl. vroom, vrōme “flink, dapper, sterkˮ (zoo nog dial.: Antw. vroom, Waasch vrom). = mhd. vrum, vrom (nhd. fromm), mnd. vrom, vrōme “flink, dapper, voortreffelijk, braaf, vroomˮ, oorspr. = “nuttig, deugdelijkˮ (voor de bett. vgl. deugd). Wsch. een jong woord, misschien het oudst in praedicatieve functie en dan ontstaan uit het znw. mnl. vrōme, ohd. os. fruma v. “voordeelˮ, ofri. frome v. (-a m.?) waarnaast in gelijke bet. mnl. vrāme v., ofri. fremo, ags. fremu v., on. frami m., ʼt laatste ook “roem, eerˮ. Reeds oerw.- en -ngerm. was ʼt bnw. *frama-: ags. from “flinkˮ, on. framr “vooraanstaand, voorwaarts strevendˮ. De stam *frama- < idg. *promo- (vgl. gr. prómos “voorste, aanvoerderˮ, umbr. promom “primumˮ) is een afl. van idg. *pro- (zie ver- II en ook vreemd). Den zwakken klanktrap van mnl. vrōme enz. vertoonen nog got. fruma “de eersteˮ, on. frum- “eerst-ˮ, os. formo, ofri. ags. forma “eersteˮ, ier. rem- “voor-ˮ, lit. pírmas “eersteˮ; met ander formans oi. pū́rva- “priorˮ, alb. i-parɛ “eersteˮ, obg. prŭvŭ (russ. pérwyj) “id.ˮ (hierbij tocharisch parwe, yparwe “dʼabordˮ?): idg.*per-, *pre- (pṛ-) resp. *perə- (*pṛ̂-), ablautend met *prŏ resp. *prô. Voor idg. *prowo- vgl. vrouw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vroom bijv., Mnl. vrome, Os. fruma (= nut) + Ohd. id. (Mhd. vrum, Nhd. fromm), Ags. forma = eerste, from = flink, On. frum- = eerst, framr = voortreffelijk, bevorderlijk. Go. fruma = eerste + Gr. prómos, Lat. primus, Lit. pirmas = eerste; een afleid. met ablaut van het bij vreemd besproken bijw. fram.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

vroom b.nw.
1. Godsdienstig. 2. Onskuldig. 3. Skynheilig.
Uit Ndl. vroom (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1793 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm froom.
Ndl. vroom gaan met Middelnederduits vrome, Middelhoogduits vrom, Oudhoogduits fruma, Oudfries frome en Oudnoors frami terug op 'n Indo-Germaanse wortel wat 'wat 'n opvallende eienskap besit' beteken.
D. fromm.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vroom ‘godvruchtig’ (bet. van Latijn pius of Hebreeuws tāmīm)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vroom, een afl. van voor (zie Vroeg) en bet.: vóór aan zijn, vooral in den strijd; vandaar de vroegere meest gewone beteekenis van: dapper. Vgl. ’t Mnl.: „Die Keyser werde hem (= weerde zich) vromelijc.” De tegenw. bet., n.1. godsdienstig, zal wel ontstaan zijn uit die van: de voorste, de dapperste in den strijd des geloofs.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrome (te mijner vrome) ‘(verouderd) (tot mijn) voordeel’ -> Zweeds fromma ‘voordeel’ (uit Nederlands of Nederduits).

vroom ‘godvruchtig’ -> Deens from ‘godvruchtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors from ‘godvruchtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds from ‘godvruchtig’ (uit Nederlands of Nederduits); Chinees-Maleis from ‘godvruchtig’; Negerhollands vrom, vroom ‘godvruchtig’; Sranantongo fron, fro(w)m(u) ‘godvruchtig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vroom* godvruchtig 1567 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut