Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vroeg - (aan het begin; tijdig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

vroeg bn. ‘aan het begin; tijdig’
Onl. fruo (bw.) ‘vroeg’ [10e eeuw; W.Ps.], in stewir fruo uph ze then wingardon ‘laten we vroeg opstaan (om) naar de wijngaarden (te gaan)’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vroe, vroech in Vru ende spade ‘vroeg en laat (= altijd)’ [1200; VMNW], uru, uruch [1240; Bern.], si vroech. si spade ‘hetzij vroeg, hetzij laat’ [1265-70; VMNW], vroe (bw. en bn.) ‘vroeg’ [1477; Teuth.]; vnnl. vroech [1573; Thes.].
In het Middelnederlands bestonden er twee vormen: vroe en vroech. Het onderscheid tussen beide lijkt aanvankelijk geografisch te zijn geweest: de vorm met velaar kwam in de 13e eeuw alleen in Brabant en Limburg voor, maar verdrong op den duur de klankwettige vorm vroe, die nu alleen nog in dialecten voorkomt. Men verklaart de velaar wel uit een oorspr. overgangsklank -j- in een verbogen bijvoeglijke vorm, zoals Oudhoogduits fruo(j)i, maar dat lijkt weinig wrsch., aangezien zowel vroe als vroech in het Middelnederlands alleen maar voorkomen als bijwoord en dus niet worden verbogen (FvW). Misschien is er sprake van hypercorrectie naar het voorbeeld van hoo naast hooch ‘hoog’ en andere bn. op -h.
Mnd. vrō; ohd. fruo (nhd. früh); alle ‘vroeg’, < pgm. *frō-. Ook in het mnd. komen nevenvormen met velaar (vrōch, vrůch, froeg) voor (MndH), maar deze zijn niet frequent.
Verwant met: Grieks prōí ‘vroeg’; Sanskrit prātár ‘id.’; < pie. *pro-h1(-).
Met instumentaaluitgang bij pie. *pro, waaruit: Latijn prō, pro- ‘voor’ (ruimtelijk en temporeel); Grieks pró ‘voor, vooraan, voorwaarts’ (voor beide woorden zie ook → pro-); Sanskrit prá ‘vooraan, voorwaarts’; Avestisch frō ‘vooraan’; Litouws prõ ‘voorbij, door’; Oudkerkslavisch pro-, pra- ‘id.’; Oudiers ro- ‘voor-’. Zie ook → ver-.
Pgm. *fura-, *furi- ‘voor’, zie → voor 1, lijkt hier qua betekenis goed bij te passen, maar wordt niet verwant geacht; men reconstrueert hiervoor pie. *prh2-(i).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vroeg* [aan het begin, tijdig] {vruch 1201-1250} middelnederduits vroch, naast het bijw. middelnederlands vro(e), oudnederlands fruo {901-1000} oudhoogduits fruo (bijw.), fruoji (bn.); buiten het germ. grieks prōi, oudindisch prātar [vroeg], van latijn, grieks pro [voor].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vroeg bnw. bijw., mnl. vroech, vrouch, mnd. vrōch bijw. naast de oudere vorm mnl. vroe, onfrank. fruo, mnd. vrō, ohd. fruo, waarnaast bnw. fruoji (nhd. früh) = gr. prōḯ ‘vroeg, in de ochtend’, vgl. prṓïos ‘ochtend-’, oi. prātár ‘vroeg’ van idg. *prō (IEW 814), waarvoor zie: ver- 2.

De vorm met ch, g biedt moeilijkheden evenals vreugde. Een afl. uit j en wel uit een bnw. = ohd. fruoji = gr. proïos verwerpt FW 763, daar mnl. mnd. vormen met ch van huis uit bijw. zouden zijn geweest. Maar is dat zo zeker? Juist de gr. parallel maant tot voorzichtigheid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vroeg bnw. Ouder is de functie als bijw.: zoo Kil. vroegh, mnl. vroech, vrouch, mnd. vrôch “vroegˮ. In gelijke bet. de oudere bijw.-vorm mnl. vroe, onfr. ohd. fruo, mnd. vrô. Men wil de g, ch wel uit j verklaren, diezelfde j zou dan in het bnw. ohd. fruoji (nhd. früh) steken: aangezien echter de mnl.-mnd. ch-vorm oorspr. bijwoord-functie schijnt gehad te hebben, is dat niet wsch. Een dgl. opvallende g (ch) vertoont vreugde; misschien zijn beide gevallen gelijk te verklaren; hoe, dat is echter onzeker. Buiten ʼt Germ. vgl. gr. prōí, prṓ “’s morgens vroeg, vroegˮ (bijw.; hierbij ʼt bnw. prṓios), oi. prâtár “id.ˮ.Van germ. *prō̆ (zie ver- II). Het bijw. mnl. vroe enz. kan op een onverlengd *prô teruggaan, maar ook op *prôwi. Voor een germ. synoniem vgl. eer II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vroeg. Dial. (saks., zaans) een vorm met vocaalverkorting, die te vergelijken is met de onder genoeg Suppl. besprokene. In plaats van “germ. *prō̆” lees: “idg. *prō̆”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vroeg bijv., Mnl. vroech + Os., Ohd. adv. fruo (Mnl. vroe), Ohd. adj. fruoji (Mhd. vrüeje, Nhd. früh) + Gr. prōí, ook Skr. prātar = vroeg: afleid. van voor 2. Vroeg ontstond misschien uit *vroei = Ohd. fruoji.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vreug (bn.) vroeg; Aajdnederlands fruo <901-1000>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vroo vroeg (Twente, Achterhoek). = mnl., mndd. vrō ‘id.’, onfrk. frūo ‘id.’ (alle bijwoorden), onfr. fruoji ‘id.’, bn., mnl., mndd. vrôch ‘id.’, bnw. Vgl. gr. prô ‘s morgens vroeg’, oind. prâtâr ‘vroeg’. ~ voor.
Wanink 207, FWH 763.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vroeg: – (in redupv.) vroe-vroe – , voor/met/kort na sonsopgang; Ndl. vroeg (Mnl. vroech/vrouch/vroe, by Kil vroegh), Hd. früh (vgl. frühling, “lente”), hou verb. m. Gr. prōi, “vroeg i. d. môre”, hierby afl. vroegte en sk. vroeë-/vroeg-/vroepampoen en redupv. vroe-vroe.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vroeg, van voor. Het woord ziet oorspr. op het voorste, eerste deel van den dag, op den ochtend dus, bijv.: in alle vroegte; vroeg op zijn; later kreeg het ook de bet.: eerder dan den bepaalden tijd: „Je komt al vroeg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vroeg ‘aan het begin, tijdig’ -> Ambons-Maleis vrug ‘aan het begin, tijdig’; Menadonees frug ‘aan het begin, tijdig’; Javindo froeg ‘aan het begin, tijdig’; Negerhollands vroe, fru, vrue ‘aan het begin, tijdig’; Berbice-Nederlands fruku ‘aan het begin, tijdig’; Papiaments vruvru ‘heel vroeg’; Sranantongo fruku (ouder: frugu) ‘aan het begin, tijdig’; Saramakkaans fuúku ‘aan het begin, tijdig’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vroeg* aan het begin, tijdig 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2483. Die den naam heeft van vroeg op te staan, komt nooit te laat,

d.w.z. wie den naam heeft van deugdzaam te zijn, kan wel eens iets verkeerds doen, zonder dat er iets van gezegd wordt. De zegswijze dateert uit de 17de eeuw, blijkens Idinau, 224:

 Die den naem heeft, van vroegh op te staen,
 Men seght, die magh wel langhe slapen,
 Want al sou hy hem oock somtijdts misgaen,
 Men sal sijn faute niet licht be-trapen.
 Die neerstich gaet, kan oock wat mede op-rapen.

Codde, Bedr. Schaakers, 4: Als gy de naam van vroeg opstaan hebt, zoo weetje wel datje wel lang slapen meugt; De Brune, 343:

 Die naem heeft van vroegh op te staen,
 Magh vry wel slaepen on-belaen.
 Die heeft den naem van goed te wezen,
 Al doet hy quaed, hy wert gheprezen.

V. Loon, 71: Die de naem van vroegh opstaen heeft, mach wel lang blijven leggen; Tuinman I, 173; Harreb. I, 34: Die den naam van vroeg opstaan heeft, mag wel lang slapen (of te bed liggen, ook wel slaapt zelden te lang); Nw. School VII, 371: Alles moet vergoelijkt, alles moet gladgestreken worden. Q. heeft nu eenmaal den naam van vroeg-opstaan en al had de man nu den heelen dag onder de dekens doorgebracht, de hr. S. zou door dik en dun volhouden, dat hij hem vóór dag en dauw aan 't werk had gezien. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1944: die den naam heeft van vruug op te staan, mag lank slapen; Waasch Idiot. 725; fri. dy de namme het fen ier opstean, kin nea to lang sliepe; fr. a beau se lever tard, qui a bruit de se lever matin.

2484. Vroeg rijp, vroeg rot

gewoonlijk met het toevoegsel vroeg wijs, vroeg zot (16de eeuw bij Servilius 95*: vroech wijs, out sot); ‘een kind verstandigh voor de jaren, dat ziet men dickwijls qualijck varen’ (Cats I, 453). In de 17de eeuw bij Cats I, 453:

 Vroegh rijp, vroegh rot.
 Vroegh wijs, vroegh sot.

De Brune, 205: Haest rijp, haest rot; haest wijs, haest zot; V.d. Venne, 209: Wat vroegh rijpt, wil haest rotten; Tuinman II, 7: Vroeg ryp, vroeg rot, vroeg wys, vroeg zot. Vernuften die voor en boven hunne jaaren verstand hebben plegen vroeg te sterven, of ras te verstompen; Adagia, 67: Vroegh weys, oudt sot; W. Leevend, VIII, 235: Zoo gaat het: vroeg ryp, vroeg rot, vroeg gras, vroeg hooi!; Harreb. II, 222; III, 323; Ndl. Wdb. XIII, 1424; Erasmus CLVII. Vgl. voor 't mnl. Eggaert, 185: Alle froyt dat te vruech rijpt dat wert onbequaem. In Zuid-Nederland: Vruug groot, vruug rijp. Vruug rijp, vruug bedorven of zot (zie Antw. Idiot. 1408). In de middeleeuwen zeide men tilic peert, tilic ghuyle (knol); nd. frou hingst, frou rune; eng. soon ripe, soon rotten. Vgl. hd. Was bald reif wird, wird bald faul.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal