Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vroedvrouw - (begeleidster bij zwangerschap en bevalling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vroedvrouw zn. ‘begeleidster bij zwangerschap en bevalling’
Mnl. vroet wijf, vroede vrou ‘begeleidster bij bevallingen’ in Hi hiet den vroeden wiuen ... Dat si de cnapeline doden souden ‘hij zei de vroedvrouwen dat ze de jongetjes moesten doden’ [1285; VMNW], die vroede vrou ende die amme ‘de vroedvrouw en de min’ [1374-94; MNW]; vnnl. scoolmeesters, vroedevrouwe, cururgien (verzorgers) [1514; MNW waecsteller], vroedvrouwe, vroeyvrouwe [1573; Thes.], vroedvrouwe [1599; Kil.].
Gevormd uit het bn. vroed in de betekenis ‘bekwaam, kundig’ en → vrouw, als leenvertaling van Frans sage-femme ‘vroedvrouw’ [13e eeuw; TLF]. In het Middelnederlands komt het meestal nog als twee (afzonderlijk verbogen) woorden voor. Vergelijkbare benamingen voor deze functie waren wijse vrouwe, wijse moeder [1477; Teuth.]. Deze benamingen verwijzen naar de deskundigheid van de vrouwen bij de uitoefening van hun belangrijkste taak: het begeleiden van bevallingen.
Bij vroed: os. frōd (mnd. vrōt); ohd. fruot (mhd. vruot); ofri. frōd (nfri. froed); oe. frōd; on. fróðr (nno. frod); got. froþs; < pgm. *frōda- ‘verstandig, wijs’, in de West-Germaanse talen ook wel ‘ervaren, bekwaam’.
Verbaaladjectief bij het sterke werkwoord *fraþjan- ‘begrijpen’, dat alleen is overgeleverd als got. fraþjan ‘id.’. Hierbij ook got. fraþi (zn.) ‘verstand, geest’ < pgm. *fraþja-; en ohd. frad ‘bekwaam’ < pgm. *fraþa-.
Wrsch. verwant met: Litouws pràsti ‘begrijpen’; Oudiers ráth-aigid ‘neemt waar’; Tochaars B pratim ‘besluit’; < pie. *pret-, *prot- ‘waarnemen, erkennen, beseffen’ (LIV 493).
Het bn. vroed ‘bekwaam; geleerd; deugdzaam’ was in het Middelnederlands nog heel gewoon, maar raakte in het Nieuwnederlands verouderd, behalve in BN de vroede vaderen ‘gemeentebestuur’ en zie nog de afleiding → bevroeden. In Nederland concurreert vroedvrouw sinds de 20e eeuw met de naam verloskundige, wat sinds 1978 de enige in de wet genoemde, en daardoor inmiddels algemeen gebruikte naam voor dit beroep is. Gewestelijk hecht men echter nog sterk aan de oude naam. In het BN is vroedvrouw nog steeds de gewone benaming voor dit beroep.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vroedvrouw* [verloskundige] {vroed(e)vrouwe 1374-1394} vertalende ontlening aan frans sage-femme.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vroedvrouw znw. v., mnl. vroede vrouwe naast vroetwijf, vertaling van fra. sage-femme.

In de dial. staan daarnaast woorden als minne (Zeeland), kreamwaarster (Friesl. Gron.), wiesvrouw (Limb.) e.a., vgl. J. Daan TTv 2, 1950 met kaartje op blz. 5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vroedvrouw znw., sedert Kil.; mnl. al vroet-wijf o. Vertaling van fr. sage-femme.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vroedvrouw. Reeds mnl. vroede vrouwe v.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vroedvrou s.nw.
Vrou wat verloskunde beoefen.
Uit Ndl. vroedvrouw (1515).
Ndl. vroedvrouw uit verouderde Ndl. vroed 'wys, verstandig, geleerd, knap, bekwaam, ervare, kundig, bedrewe' en vrouw 'vrou', as leenvertaling van Fr. sage femme.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vroedvrou: vrou wat verloskunde beoefen, sg. “ouvrou”; Ndl. vroedvrouw (Mnl. vroet-wīf/-wijf, en vroede vrouwe as vert. v. Fr. sage-femme, “wyse vrou”); Ndl. vroed (Mnl. vroet, Oeng. frōd, Got. frōths, “verstandig, wys”), kom ook nog voor in bevroed, “begryp, verstaan; vermoed”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vroedvrouw (vert. van Frans sage-femme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vroedvrouw ‘vrouwelijke verloskundige’ -> Sranantongo frutfrow ‘vrouwelijke verloskundige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vroedvrouw* verloskundige 1374-1394 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal