Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vroed - (wijs)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

vroed bn. ‘verstandig’
Vroegmiddelnl. vroet, vroede (1212–1223, als toenaam), vrut (1240) ‘wijs, verstandig’, Nieuwnl. vroet (1503), vroede. Tot de afleidingen behoren o.a. Mnl. vroeden (1240) ‘verstand hebben; tot inzicht brengen’; Mnl. bevroeden ‘meedelen; begrijpen’ (1265-1270), Nnl. bevroeden ‘inlichten; begrijpen’ (bevroeden 1509, bevroeyen 1555, bevroen 1539); Mnl. ghevroeden (1285) ‘inzien, weten’; Mnl. froschep (1236), vroescap (1285), vrutscap (1240) ‘wijsheid, verstand’, Nnl. vroedschap ‘wijsheid’ (1517 vroetscap, 1562 vroeschap), ‘bestuurscollege’ (1500 vroescip, 1501 vroetscap). De vorm vroeschap, waarin t door assimilatie aan s verdwenen is, stamt vooral uit westelijke dialecten. Voorts betekent vroed- ‘verloskundig’ in samenstellingen als Mnl. en Nnl. vroedmoeder (1434–1436 vroemoeder, 1450–1470 vroemoer, 1485 vroetmoeder), vroedvrouw (zie onder dat lemma), en Nnl. vroedmeester ‘mannelijke verloskundige’ (1699).
Verwante vormen: Oudsaksisch frōd bn., frōdon ww., Middelnederduits vrōd bn., Oudhoogduits fruot bn., fruoten ww., fruotī zn. f., Oudfries en Oudengels frōd bn., OFri. frōdskip ‘oordeelsvermogen’, bifrōdia ww. ‘bevroeden’, Oud-IJslands frōðr, Gotisch froþs ‘verstandig, wijs’, frodei f. ‘verstand’.
Voor het bn. kunnen we Proto-Germaans *frōda- ‘wijs, verstandig’ reconstrueren, een afleiding van het ww. *fraϸjan ‘begrijpen’ uit PIE *prot-je-. Terwijl *frōda- een frequent type deverbale afleidingen met *-ō- vertegenwoordigt, is het Ohd. bn. frad ‘ijverig, bekwaam’ waarschijnlijk ouder, en gaat op PIE *prot-o- terug. Deze woorden zijn verwant met Litouws pràsti ‘aanwennen’, Lets prast ‘begrijpen’, Oudpruisisch inf. issprestun ‘begrijpen’, isspresnan (acc.sg.) ‘verstand’, met een stam *prat- uit PIE *prot-. Zekere verwanten van deze Germaans-Baltische woordfamilie in andere Indo-Europese talen zijn nog niet herkend.
Literatuur: F. Heidermanns, Etym. Wb. der germ. Primäradjektive, 1993, p. 210 en 217-218.
[Gepubliceerd op 09-06-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vroed* [wijs] {vroet, vroot [verstandig] in de persoonsnaam Sigerus Uroede 1210-1240} oudsaksisch frōd, oudhoogduits fruot, oudfries, oudengels frōd, oudnoors frōðr, gotisch froþs; buiten het germ. oudiers ráthaigid [merken], litouws protas, lets prāts [verstand].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vroed bnw., mnl. vroet, os. frōd, ohd. fruot, ofri., oe. frōd, on. frōðr, got. frōþs ‘verstandig, wijs’; daarnaast abl. ohd. frad ‘strenuus’, got. fraþi o. ‘verstand, geest’, fraþjan ‘begrijpen, denken’. — lit. prantù, pràsti ‘gewend zijn’, protas ‘verstand’, lett. pràts ‘wil, verstand, zin’, prùotu ‘begrijpen’, opr. pratin 4. nv. ‘raad’, toch. AB pratim ‘beslissing’ (IEW 845).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vroed bnw., mnl. vroet (d). = ohd. fruot, os. ofri. ags. frôd, on. froðr, got. froþs “verstandig, wijsˮ. Ablautend met ohd. frad “strenuusˮ, got. fraþi o. “verstand, geestˮ, fraþjan “begrijpen, denkenˮ. Buiten het Germ. zijn ier. raith “hij merkteˮ, lit. prõtas “verstandˮ, prantù, pràsti “inzien, merken, gewend rakenˮ verwant; lat. inter-pres, -tis “uitlegger, tusschenpersoonˮ is ten onrechte hierbij gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vroed bijv., Mnl. vroet = ervaren, oud, Os. frôd = id. + Ohd. fruot (Mhd. vruot), Ags. fród, Ofri. id., On. frôđr (De. frod), Go. froþs en met abl. fraþi = verstand + Lat. inter-pretari (= uitleggen), Oier. raith = merken, Lit. protas (= verstand): Idg wrt. pret.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vroed, bet. wijs, van den Idg. wt. prat = verstandig zijn. Vgl. ’t Mnl.: „Salomon maect ons vroet = leert ons.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vroed* wijs 1210-1240 [CG I1, 8]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut