Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrijen - (verkering hebben; minnekozen; geslachtsgemeenschap hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrijen ww. ‘verkering hebben; minnekozen; geslachtsgemeenschap hebben’
Mnl. vrien ‘(iemand) het hof maken’ [1240; Bern.], in omdat si woude den coninc vriën ‘omdat ze de koning tot echtgenoot begeerde’ [ca. 1350; MNW], ‘minnekozen’ in cytolen die wel leren vrien ‘cithers die heerlijk doen minnekozen’ [1390-1410; MNW-R]; nnl. vrijen ook algemener ‘knuffelen, strelen’ in ook al vride hij wel eens met mama [1901-03; Van der Horst], “in versterkte opvatting als eufemisme voor coïre, copuleren” [1976; Van Dale].
Os. friohon (mnd. vrien, vrigen); mhd. vrīen (nhd. freien ‘huwen, trouwen’); nfri. frije; oe. frēogan, frīgan; on. frjá (nzw. fria); got. frijon; < pgm. *frijōn- ‘liefhebben’.
Afleiding van pgm. *frī- in de oorspr. betekenis ‘bemind, geliefd’, zie → vrij.
De oorspr. betekenis van het woord is ‘liefhebben’, zoals nog herkenbaar is in de oude afleiding → vriend. In de continentaal West-Germaanse talen is de betekenis verschoven naar ‘(een vrouw) het hof maken, (een vrouw) begeren en/of beminnen’. In het Hoogduits leidde dit uiteindelijk tot de huidige betekenis ‘huwen, trouwen’, terwijl in het Nederlands de betekenis verschoof naar ‘een liefdesrelatie hebben, elkaar beminnen’ en uiteindelijk ‘de liefde bedrijven, geslachtsgemeenschap hebben’. Deze laatste betekenis is pas in het laatste kwart van de 20e eeuw duidelijk aanwijsbaar (Van der Horst 1999).
Lit.: Van der Horst 1999, 62-63

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrijen* [(seksuele) omgang hebben] {vrien, vrijen [liefdesbetuigingen doen, aanzoek doen, minnekozen] 1201-1250} oudsaksisch friehan, middelnederduits vrien, oudengels freogan, gotisch frijon [liefhebben] (vgl. vriend).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrijen ww., mnl. vrîen ‘dingen naar iemands hand, vrijen, vleiend smeken’, mnd. mhd. vrīen, nhd. freien (sedert Luther, die het ww. gebruikt als ‘tot vrouw nemen’, waaruit dan later ‘aanzoek om de hand van een vrouw doen’). De oude bet. is die van ‘liefhebben’, zoals os. frīehan, frīohon, oe. frēogan, on. frjā, got. frijōn. Het teg. deelw. vriend wijst echter op een oorspronkelijke bet. ‘een vrouw maken tot prii̭ā (zie: vrij), d.w.z. tot ‘iemand, die de status van bloedverwanten heeft’. — oi. prīṇāti ‘verheugt’, osl. prěją, ‘ben gunstig gezind, zorg voor’. — Zie ook: bevrijden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrijen ww., mnl. vrîen “dingen naar iemands hand” (“vragen, smeeken”). = mnd. mhd. (md.) vrîen “id.” (nhd. freien, door Luthers bijbelvert. ingevoerd). Een oudere bet. vertoonen os. frîehan, frîohon, ags. frêogan, on. frjâ, got. frijon “liefhebben”. Het tegenw. deelw. hiervan is vriend. Van een idg. basis prijâ-, prî- “liefhebben, verblijden”, waarvan ook obg. prijati “welwillend zijn, bijstaanˮ, oi. prî-ṇ-ā́-ti “hij verblijdt mij, is blijˮ. Voor verdere verwanten zie bij vrij. Vgl. nog got. friaþwa v. “liefdeˮ, oi. priyatvá- “het dierbaar zijn, beminnenˮ, van idg. *prijo- met de oorspr. bet. “liefˮ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vrijen. Mnl. vrien ook = ‘minnekozen, liefdesavonturen hebben’, welke bet. dichter staat bij de oudere ‘liefhebben’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrijen o.w., Mnl. vrien, Os. friohan (= beminnen) + Mhd. vrîen (Nhd. freien), Ags. fréogan, On. frjá, Go. frijon: dit laatste van denz. stam als vrij, de andere van een Idg. stam *prî-.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vrije (ww.) vrijen; Vreugmiddelnederlands vrien <1240>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Vry ww., Segsw.: Vry onder een dak is ’n groot gemak: dis kos wel baie soene, maar dit spaar baie skoene. – Harreb. III, LXII: “Vrijen onder één dak. Is een groot gemak” en III, LXVIII: “Het kost wel veel zoenen, Maar spaart toch veel schoenen (het vrijen nl. onder één dag).” Vgl. ook Eckart: “Frêen under ên Dak is grȯt Gemak.” O.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrijen ‘het hof maken, minnekozen’ -> Duits freien ‘tot een huwelijk aanzoeken’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens frie ‘een huwelijksaanzoek doen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fri ‘huwelijksaanzoek doen; vleien’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fria ‘iemand ten huwelijk vragen, huwelijksaanzoek doen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels vry ‘het hof maken, minnekozen’ ; Ambons-Maleis frèi ‘minnekozen’; Negerhollands fri, vrie ‘minnekozen’; Berbice-Nederlands freri ‘minnekozen, het hof maken’; Papiaments frei ‘minnekozen; flirten’; Sranantongo freiri ‘minnekozen, flirten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrijen* minnekozen 1240 [Bern.]

vrijen* seksuele omgang hebben 1969 [Haring Arie, Tweede Boek]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut