Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrijdag - (zesde dag van de week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrijdag zn. ‘zesde dag van de week’
Mnl. vriendach, vridach in defriendage het neware dat dan kersts dach geujele ‘alle vrijdagen, behalve wanneer kerstdag daarop valt’ [1237; VMNW], vpten vridach na belokenen paschen ‘op de vrijdag na de eerste zondag na Pasen’ [1274; VMNW], t frijdaechs ‘op vrijdag’ [1295; VMNW].
De dag is genoemd naar de Germaanse godin van de liefde Friia, zie → vrij. Mnl. vrien (tweelettergrepig) geeft de genitief enkelvoud weer, zoals bijv. ook bij woens in → woensdag. Het eerste lid werd op verschillende manier vereenvoudigd.
Mnd. vrīdach, vrīgedach; ohd. frīatag (nhd. Freitag); ofri. frīadei, frīdei, frēd(e) (nfri. freed); oe. frīgedæg (ne. friday); on. frjádagr (nzw. fredag).
Deze dagnaam diende als vertaling van Latijn Veneris diēs ‘dag van Venus’ (= Frans vendredi ‘vrijdag’), dat weer naar het voorbeeld van Grieks Aphroditès hēmérā ‘dag van Aphrodite’ was gevormd. Venus en Aphrodite waren net als Friia de godinnen van de liefde. De weekdagen waren door de Babyloniërs, en in navolging van hen door de Grieken en Romeinen, genoemd naar de goden van de planeten. Zie verder → dinsdag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrijdag* [zesde dag van de week] {vridach 1263} vertalende ontlening aan latijn dies Veneris [de dag van Venus], in de rom. talen behouden: frans vendredi, italiaans venerdì; de Germanen vertaalden Venus met de naam van hun godin oudengels Frig, oudhoogduits Frija, oudnoors Frigg; het lat. vertaalde uit grieks Aphroditès hèmera [de dag van Aphrodite].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrijdag znw. m., mnl. vrīdach m., mnd. vrīdach, ohd. frīatag (nhd. freitag), ofri. frī(g)endei, oe. frī(g)edæg (ne. friday); (on. frjādagr is ontleend aan het fri.). — Het woord is in de 4de eeuw vertaald naar lat. dies Veneris bij het overnemen van de namen der weekdagen; dat wijst er op, dat men Venus gelijkgesteld heeft met de godin ohd. Frīa, on. Frigg < germ. *frijjō < idg. *prii̭ā-, vgl. oe. frēo v. ‘vrouw’ en oi. priyā-’geliefde, echtgenote’, vrouwelijk van *prii̭ō-, waarvoor zie: vrij.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

Vrijdag znw., mnl. vrîdach (gh) m. = ohd. frîatag (nhd. freitag), mnd. vrîdach, ofri. frî(g)endei, ags. frîg(e)dæg (eng. friday), on. (ontleend) frjâdagr m. Vert. van lat. dies Veneris: ʼt eerste lid is de godinnenaam ohd. Frîa, on. Frigg v., germ. *frijjô- < idg. *prijā́-, = ags. frêo v. “vrouw”, oi. priyā́- “geliefde, echtgenoote”, het v. van *prijo-: zie vrij. Os. frî “vrouw” is o., wsch. secundair naar wijf. Ofri. frî(g)endei, mnl., nog vla. vriendag wijzen op een zwak *frijjôn-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Vrijdag m., Mnl. vridach + Ohd. frîatag (Mhd. vrîtac, Nhd. freitag), Ags. frígdæg (Eng. friday), Ofri. fríendei: een Germ. aanpassing van Lat. Veneris dies; het eerste lid is Ohd. Frîa, On. Frigg, een Oudgerm. godin, wel de godin der liefde, Os. frî, Ags. fréo = vrouw + Skr. priyā = vrouw, zelfst. gebr. vr. van priyas = bemind (z. vrij). Niet te verwarren met Freyja (z. vrouw en zondag). Uit Ags. On. frjádagr (Zw., De. fredag).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Vrydag s.nw.
Sesde dag van die week, maar tradisioneel en volgens internasionale afspraak in 1976 in Genève die vyfde dag van die week.
Uit Ndl. vrijdag (1515). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die samestelling Vrydagsparra.
Ndl. vrijdag is 'n leenvertaling van Latyn dies Veneris 'die dag van Venus', maar die Germ. tale het dit vertaal met die naam van hulle godin, nl. Frigga, waarvan vrij- afkomstig is.
D. Freitag (9de eeu), Eng. Friday (1000).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vrijdag (vert. van Latijn dies Veneris)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrijdag, een vertaling van ’t Lat. dies veneris = dag van Venus, als godin der liefde. De godin heette in het Ohd. Fria, van fri = beminnen; zie Vriend.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrijdag ‘zesde dag van de week’ -> Mohegan-Pequot beitar ‘zesde dag van de week’; Negerhollands vri(e)dag ‘zesde dag van de week’; Berbice-Nederlands fridaku ‘zesde dag van de week’; Sranantongo freida ‘zesde dag van de week’; Aucaans freida ‘zesde dag van de week’; Arowaks fridakha, fredakha ‘zesde dag van de week’; Karaïbisch freida ‘zesde dag van de week’ ; Tiriyó fredi ‘zesde dag van de week’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrijdag* zesde dag van de week 1263 [CG I1, 81]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut