Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vrijbuiter - (kaper, avonturier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vrijbuiter zn. ‘kaper, avonturier’
Vnnl. vuter Vrijebuijters handen ‘uit handen van de rovers, plunderaars’ [1572; iWNT], die vribeuters ofte Geusen [1574; iWNT], vrybuyteren ‘rovers’ [1576; iWNT wederwaardig I], de schaden ter zee van de vrijbuiters ‘de schade op zee van de zeerovers’ [1609; iWNT]; nnl. ‘avonturier’ in de losbandige vrijbuiters op letterkundig gebied [1861; Gids 1, 773].
Waarschijnlijk afgeleid, met -er (zie → -aar), van vrijbuit ‘buit die eigendom wordt van wie hem neemt’ als in ten vrybeuyte varende ‘op roofvaart gaande’ [1575; iWNT], dat gevormd is uit → buit, als bijvoorbeeld in buten (mv.) ‘oorlogsroof’ [1540; iWNT], en → vrij. Het valt niet geheel uit te sluiten dat vrijbuiter afgeleid is van het weinig frequente ww. vrijbuiten ‘op rooftocht gaan’ [1581; iWNT], dat ook een afleiding van vrijbuit is. Ook is het mogelijk dat het is afgeleid van vrij en buiter of bueter ‘(zee)rover’ [1588; iWNT], dat een afleiding is van buiten of bueten ‘buit maken, roven’ [1573; iWNT], misschien al ouder blijkens buiteringen ‘roverijen’ [1542; Stallaert] en afgeleid van buit.
Het Nederlandse woord is ontleend in vele andere talen, o.a. Duits Freibeuter ‘zeerover’ [1579; Kluge 1975], Zweeds fribytare ‘zeerover, kaper’ [1559; SAOB] en Engels freebooters ‘kapers’ [1598; OED], eerder al frebetters ‘id.’ [1570; OED], ook fleebooters of flibutors ‘id.’ [voor 1587; OED filibuster], een vorm die mogelijk beïnvloed is door vlieboot of vly[b]oot ‘soort klein zeeschip’ [1575; iWNT]. Aan Engels flibutor is weer Frans flibustier ‘zeerover’ [1666; Rey] ontleend.
Lit.: Van der Sijs 1998

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vrijbuiter* [kaper, avonturier] {1572} van op vrijbuit gaan; een vrijbuiter was oorspronkelijk een zeerover.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrijbuiter znw. m. Kiliaen vrijbueter, ontstaan uit een uitdr. op vrijbuit gaen (Hor. belg. 22, 82). Dit woord is overgenomen als mnd. frībǖter (> nhd. freibeuter sedert 1579), verder als ne. freebooter (sedert 1570), nde. fribytter, nzw. fribytare en sedert de 17de eeuw ook fra. flibustier (Valkhoff 138), ne. filibuster (sedert 1587, vgl. Bense 95), spa. filibusters.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrijbuiter znw. Kil. vrijbueter = mnd. vrîbûter m. “vrijbuiter”. Ontleend: nhd. freibeuter m., de. fribytter, zw. fribytare, eng. freebooter “id.”. De uitdr. op vrijbuit gaen (Horae belgicae 22,82) kan ouder zijn. Van vrij en buit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vrijbuiter m., waaruit Hgd. freibeuter, De. fribytter, Eng. freebooter, gemaakt naar op vrijbuit gaan. Hieruit, over Eng., Fr. fribustier, flibustier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

vrybuiter s.nw.
1. Seerower, kaper. 2. Kaperskip. 3. Iemand met vrye opvattings wat hom nie aan die alg. gebruik steur nie.
Uit Ndl. vrijbuiter (1572 in bet. 1, 1602 in bet. 2, voor 1903 in bet. 3), 'n afleiding met -er van vrijbuiten 'roof, kaap, plunder', met lg. 'n afleiding met -en van vrijbuit (1575) 'buit verkry deur te roof of te plunder', met lg. 'n samestelling van vrij 'sonder betaling' en buit 'buit'.
D. Freibeuter, Eng. freebooter (1570).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

kaper, vrijbuiter

In de zeventiende en achttiende eeuw schuimde allerlei onguur volk de zeeën af: piraten, boekaniers, zeerovers, vrijbuiters, kapers en ga zo maar door. Tegenwoordig beschouwen we deze woorden veelal als synoniemen, maar dat waren ze in het verleden niet. Er bestonden verschillende gradaties in het zeeschuimen. Sommigen hielden zich er op eigen risico mee bezig, maar velen wisten zich gedekt door een staat. De zogenaamde kaapvaart of commissievaart was een officieel instituut. Een oorlogvoerende mogendheid gaf de kapitein van een privé-vaartuig een kaperbrief, waarmee hij gemachtigd was uit naam van die mogendheid vijandelijke koopvaardijschepen te overvallen, ‘ter buit te varen’. Door de kaperbrief — en ook alleen daardoor — onderscheidde de kaper zich van de zeerover, piraat of boekanier. Maar voor de slachtoffers was dit verschil wel erg subtiel, en het gebeurde wel dat een gevangen kapitein van een kaperschip met de kaperbrief om zijn hals werd opgehangen. De kaper moest het buitgemaakte schip naar een haven brengen van de mogendheid die de kaperbrief had uitgegeven en kreeg dan een deel van de buit — maar sommige kapers konden zich niet bedwingen en wilden de hele buit. Kortom: de scheidslijn tussen kaperij en piraterij was erg dun.

Zeker in de oudste tijd was kaper een gerespecteerd beroep. De bekende Engelse zeeheld Francis Drake (1543-1596) was te eniger tijd kaper of privateer, dus geprivilegieerd zeerover, en wat later bedreef ook onze zeeheld Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607-1676) de kaapvaart. Naarmate de oorlogsvloot van een land sterker en beter georganiseerd werd, probeerden de regeringen paal en perk te stellen aan de kaapvaart, ook al omdat zeelui liever bij een kaapschip aanmonsterden dan bij een schip van de marine — het eerste was namelijk veel lucratiever.

Pas in 1856 werd de kaapvaart bij de Verklaring van Parijs afgeschaft, maar aanvankelijk weigerden de Verenigde Staten deze te aanvaarden, met als argument dat de Amerikaanse vloot zo klein was, dat zij in tijden van oorlog wel gedwongen waren gebruik te maken van kapers. Eind negentiende eeuw onderschreven ook de V.S. de verklaring.

Roverij was niet aan een nationaliteit gebonden, en de woorden om de rovers mee aan te duiden evenmin. De Nederlanders en Vlamingen hebben hun steentje bijgedragen aan de zeeroverij, en daardoor zijn Nederlandse benamingen voor zeerovers internationaal geworden. Om te beginnen het woord kaper. Dit betekent zowel ‘kaapvaarder’ als ‘kaapschip’. Het Frans, het Duits en het Engels hebben het woord in de zeventiende eeuw in beide betekenissen overgenomen als respectievelijk capre, Kaper en caper. Het Russische kaper betekent alleen ‘kaapschip’. In het Frans en Engels is het woord inmiddels verouderd en uit de meeste woordenboeken geschrapt.

Ook in het Nederlands komt kaper voor het eerst voor in de zeventiende eeuw (1663). Het is geen Nederlands, maar een Fries woord. Waarschijnlijk is het een afleiding van Oudfries k_pia ‘kopen’; dit werd als eufemisme voor ‘zeeroof plegen’ gebruikt. Ook wordt wel verband gelegd met kaap ‘voorgebergte’, omdat een kaap als uitkijkpunt van groot belang is voor de zeeroverij, maar dat is misschien alleen een interpretatie achteraf. Omdat het aantal kaapvaarten en kaapschepen momenteel buitengewoon gering is, is de betekenis gemoderniseerd en duidt kaper tegenwoordig ‘iemand die een trein of vliegtuig kaapt’ aan.

Het meest geleende Nederlandse woord in deze context is echter vrijbuiter, dat vroeger ‘zeerover’ of ‘soldaat die van plundering leeft’ betekende. De samenstelling dateert van 1577 en is gevormd uit uitdrukkingen als ten vrijbuit varen, op vrijbuit gaan.

Het woord heeft een rondgang door diverse talen gemaakt. Het Frans kent vanaf 1666 flibustier, vroeger ook flibutier en in 1667 fributier. Het Engels kent verschillende vormen: freebooter (vanaf 1570), en het gewone woord filibuster (vanaf 1587). Dit laatste heeft in het verleden vele varianten gehad, zoals flibutor, flibustier, filibustier. Het Spaans kent filibustero (ontleend aan het Frans), het Duits Freibeuter. Het Duitse woord is aan verschillende talen doorgeleend, zoals Deens fribytter en Italiaans farabutto; het Italiaans kent daarnaast ook filibustière, dat het uit het Spaans geleend heeft. Ook het Franse woord is doorgeleend, bijvoorbeeld aan het Russisch: flibust’jer.

In het Engels, Frans en Spaans duidt het woord piraten aan die in de zeventiende en achttiende eeuw langs de Spaanse kusten van Midden- en Zuid-Amerika huishielden en dezelfde werkplek hadden als de boekaniers, met wie ze in de zeventiende eeuw soms samenwerkten en met wie ze wel op één hoop gegooid worden.

De vormen met fr- zijn rechtstreeks uit het Nederlands geleend, maar waar komen de vormen met fl- vandaan? Dat blijft onzeker. De Oxford English Dictionary acht het mogelijk dat er invloed is geweest van vlieboot, dat in dezelfde talen geleend is als vrijbuiter: Engels flyboat, Frans flibot, Spaans flibote, Duits Flieboot. De verandering van fr- in fl- heeft waarschijnlijk in het Engels plaatsgevonden. De Franse etymologische woordenboeken menen tenminste dat de Franse vorm een ontlening aan Engels flibutor is — hoewel deze Engelse vorm slechts eenmaal is aangetroffen.

De invoeging van een s heeft zeker in het Frans plaatsgevonden. In het Frans werd namelijk lange tijd in veel woorden een s voor een medeklinker geschreven, die echter niet uitgesproken werd en op den duur dan ook verdween. Meestal werd de klinker waarachter de s had gestaan lang, wat binnen een woord werd aangegeven met een dakje, vergelijk fête, blâmer met ouder feste, blasmer. Als gevolg daarvan wist men niet altijd meer precies voor welke medeklinkers nu wel en voor welke geen s geschreven diende te worden, en ging men ook s’en schrijven waar ze niet hoorden. En zo werd flibutier veranderd in flibustier. Deze vorm is eind achttiende eeuw door de Engelsen opnieuw overgenomen, wat de Engelse vorm flibustier verklaart. Tot midden negentiende eeuw was dit het gebruikelijke Engelse woord, maar toen werd het vervangen door de vorm filibuster, die was ontleend aan Spaans filibustero.

In het Amerikaans-Engels heeft filibuster halverwege de vorige eeuw een geheel eigen figuurlijke betekenis gekregen. Het wordt namelijk gebruikt voor: obstructie in een parlement of ander vertegenwoordigend lichaam door het houden van urenlange redevoeringen waardoor er geen wetten aangenomen kunnen worden. Een filibuster van een groep senatoren kan in extreme gevallen weken duren. In deze vorm en met deze betekenis hebben wij het woord teruggeleend uit het Amerikaans-Engels, en zo is de cirkel rond.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vrijbuiter, een volksetym. van ’t Fr. flibustier en dit van ’t Sp. flibote, dat op zijn beurt ons „Vlieboot” is, oorspr. een boot om het Vlie te bevaren, later, om de gelijkheid van vorm, ook de naam van een schip der Watergeuzen; vandaar kreeg het woord de bet. van roofschip en een vrijbuiter = een zeeroover.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vrijbuiter ‘kaper, avonturier’ -> Engels freebooter ‘kaper, boekanier’; Engels filibuster ‘kaper, boekanier; obstructie(voerder)’ ; Duits Filibustier ‘avonturier behorend bij een piratenbende’ ; Duits Freibeuter ‘kaper, avonturier’; Deens filibuster ‘tactiek om te verhinderen dat iets doorgevoerd wordt (met name in de politiek van de VS gebruikt)’ ; Deens fribytter ‘zeerover, krijger’; Noors fribytter ‘kaper’; Noors filibuster ‘persoon die debatten vertraagt om maatregelen tegen te gaan’ ; Zweeds filibuster ‘vertragingsmethode in een representatieve bijeenkomst met het doel wetsvoorstellen te stoppen’ ; Zweeds fribytare ‘zeerover, kaper, avonturier’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans flibustier ‘kaper, piraat’; Italiaans filibustiere ‘kaper’ ; Italiaans filibustering ‘het dwarsliggen van de wetgevende vergadering en, in het algemeen, bij institutionele vergaderingen’ ; Italiaans farabutto ‘schelm, boef, oplichter’ ; Spaans filibustero ‘zeerover, vrijbuiter; 19e-eeuwse opstandeling in bepaalde Latijns-Amerikaanse gebieden’ ; Portugees flibusteiro ‘piraat van de Amerikaanse zeeën in de 17e en 18e eeuw’ ; Bretons flibister ‘piraat’ ; Tsjechisch flibustýr ‘kaper, piraat’ ; Pools flibustier ‘zeeschuimer’ ; Kroatisch flibustijer, filibuster ‘kaper, bandiet’ ; Sloveens filibuster ‘piraat, dwarsdrijver’ ; Russisch flibust'jer ‘zeerover’ ; Litouws flibustjerai ‘piraten, zeerovers’ ; Maltees filibustier ‘kaper, avonturier’ ; Esperanto filibustro ‘17e- en 18e-eeuwse piraat uit de Spaans-Amerikaanse wateren’ ; Amerikaans-Engels filibuster, f(i)libustier ‘boekanier; piraat; obstructie(voerder)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vrijbuiter* kaper, avonturier 1572 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal